Artikel 130 Rv bepaalt dat de eiser bevoegd is om lopende een procedure zijn eis te veranderen of te vermeerderen. De rechter kan een dergelijke eiswijziging buiten beschouwing laten, indien deze in strijd is met de eisen van de goede procesorde. Op grond van artikel 353 Rv is het bepaalde in artikel 130 Rv ook in hoger beroep van toepassing. Een eiswijziging is daarom in beginsel ook nog in hoger beroep mogelijk.

Toch zijn er enkele bijzonderheden verbonden aan het veranderen of vermeerderen van een eis in hoger beroep. In appel komt op grond van art. 353 lid 1 jo. 130 Rv aan de oorspronkelijke eiser de bevoegdheid toe om zijn eis te veranderen of te vermeerderen. Deze bevoegdheid wordt slechts beperkt door de eisen van een goede procesorde en de twee conclusie-regel.

De Tweeconclusieregel

In het arrest Willemsen c.s./NOM heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de oorspronkelijk eiser in beginsel zijn eis niet meer kan veranderen of vermeerderen na de memorie van grieven of antwoord. Dit oordeel komt voort uit de ruime definitie die de Hoge Raad aan het begrip grief heeft toegekend, namelijk alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd. Ook een eiswijziging betreft een nieuwe grond die ertoe strekt dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd en kwalificeert om die reden als grief.

Op grond van de tweeconclusieregel, die is neergelegd in artikel 347 lid 2 Rv, geldt dat grieven niet meer na memorie van grieven of antwoord kunnen worden voorgedragen. Op deze regel gelden een aantal uitzonderingen. Een uitzondering is op zijn plek indien de aard van het geschil dit meebrengt of anders zou moeten worden beslist op basis van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken feiten. Aangenomen wordt dat ook een uitzondering geldt indien de wederpartij ondubbelzinnig instemt met een eiswijziging die plaatsvindt na de memorie van grieven en antwoord.

Goede Procesorde

Zoals gezegd kan de rechter een eiswijziging buiten beschouwing laten, indien deze in strijd is met de eisen van de goede procesorde. Dit geldt ook in hoger beroep. Bij de beoordeling kan het hof ook acht slaan op processueel gedrag van een partij in eerste aanleg. Van belang is dat een eiswijziging in beginsel niet mag leiden tot een wijziging van de partijhoedanigheid. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een partij in beginsel niet in appel door middel van een eiswijziging in een andere hoedanigheid kan gaan optreden dan waarin hij in eerste aanleg optrad.

Indien het hof de eiswijziging toelaat, is daarmee nog niet beslist over de vraag of de vordering moet worden toegewezen. Een risico dat zich voordoet bij een eiswijziging in hoger beroep is dat de vordering inmiddels is verjaard.

Als de gewijzigde eis berust op een nieuwe grondslag is sprake van een nieuwe vordering. Gezien het voorgaande verdient het aanbeveling om de eis, indien nodig, zo vroeg mogelijk in de procedure te veranderen of vermeerderen. Daarmee wordt de kans verkleind dat de eiswijziging buiten beschouwing wordt gelaten vanwege strijd met de goede procesorde en wordt het verjaringsriscio verkleind. Indien pas in hoger beroep een eiswijziging plaatsvindt, dient dit in beginsel bij memorie van grieven of antwoord te geschieden.

Intrekking van een Vordering

De intrekking van een vordering is volgens vaste rechtspraak in beginsel op te vatten als een vermindering van de eis (tot nihil), als bedoeld in artikel 129 Rv. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 22 juni 2012 heeft geoordeeld, kan in zaken met verplichte procesvertegenwoordiging een eisvermindering niet besloten liggen in een verklaring van een procespartij ter comparitie, maar dient die plaats te vinden bij conclusie of bij akte (HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5695, rov. 5).

Het hof heeft niet vastgesteld dat de advocaat van eiser bij conclusie of schriftelijke akte de eis heeft verminderd of ter terechtzitting mondeling een akteverzoek van die strekking heeft gedaan. Het blijkt evenmin uit het proces-verbaal van de terechtzitting. Hierop voortbouwend kan de Hoge Raad zich evenmin verenigen met het oordeel van het hof dat, als gevolg van het niet toestaan van de eiswijziging bij pleidooi in combinatie met de zogenaamde intrekking van de overige vorderingen, de eiser geen vorderingen meer resteerden die het hof hoefde te beoordelen. De opmerking van de advocaat ter zitting “het gaat alleen om de vordering die in de pleitnota is genoemd. De overige zijn ingetrokken.” Was dan ook ontoereikend om tot afstand van recht te leiden.

Met deze overwegingen geeft de Hoge Raad een nuttige handleiding voor wanneer de verklaringen van een advocaat ter zitting, die strekken tot eisvermindering, daadwerkelijk tot de intrekking van een vordering kunnen leiden en wanneer niet. In zaken met verplichte procesvertegenwoordiging kan een eisvermindering niet besloten liggen in een enkele verklaring van een procespartij ter comparitie, maar dient die plaats te vinden bij conclusie of bij akte.

Artikel 130 lid 3 Rv

Art. 130 lid 3 Rv bepaalt voor het geval waarin een partij niet in het geding is verschenen, dat een verandering of vermeerdering van eis tegen die partij is uitgesloten, tenzij de eiser de verandering of vermeerdering tijdig bij exploot aan haar kenbaar heeft gemaakt. De HR beslist dat ’tijdig’ in de zin van art. 130 lid 3 Rv inhoudt dat de toepasselijke dagvaardingstermijn van art. 114-117 Rv in acht moet worden genomen. De verandering of vermeerdering van eis moet daarom voorafgaand aan de roldatum waarop de eis wordt gewijzigd aan de niet verschenen partij worden betekend met inachtneming van de toepasselijke dagvaardingstermijn.

Verder herhaalt de HR dat, indien de verandering of vermeerdering van eis niet tijdig kenbaar is gemaakt, uitgangspunt is dat de rechter, op verzoek van de partij die haar eis wil wijzigen of ambtshalve, alsnog gelegenheid kan bieden om de verandering of vermeerdering van eis aan de niet verschenen wederpartij te doen betekenen.

Het appelprocesrecht kent verschillende valkuilen die de kansen op een succesvol hoger beroep en daaropvolgend cassatieberoep verkleinen. Kennis daarvan is dus van groot belang.

[done]

Wettelijke Rente en Vorderingen

Vervolgens wijdt de Hoge Raad een overweging aan de ingangsdatum van de wettelijke rente over vorderingen uit hoofde van verdeling versus vorderingen uit hoofde van verrekening. Het hof was er ten onrechte aan voorbijgegaan dat voor deze vorderingen verschillende regels gelden. Voor een vordering uit hoofde van verdeling geldt dat, zolang de verdeling van een tot de gemeenschap behorende bate niet is vastgesteld, een daarop gebaseerde vordering niet kan worden beschouwd als een vordering tot betaling van een geldsom ter zake waarvan de schuldenaar in verzuim is (HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0387, NJ 2008/108).

Voor een vordering uit hoofde van verrekening geldt evenwel dat voor haar ontstaan en opeisbaarheid, alsmede voor het intreden van verzuim in de nakoming daarvan, zoveel mogelijk aansluiting moet worden gezocht bij hetgeen partijen ter zake zijn overeengekomen (HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU6591, NJ 2012/173 [CB 2011-103], rov.

Schriftelijke Wijziging van Eis

Zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, is de eiser bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle, te veranderen of te vermeerderen. De gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechter beslist, partijen gehoord, zo spoedig mogelijk.

Indien een partij niet in het geding is verschenen, is een verandering of vermeerdering van eis tegen die partij uitgesloten, tenzij de eiser de verandering of vermeerdering tijdig bij exploot aan haar kenbaar heeft gemaakt. Een verandering of vermeerdering van eis tegen een partij die niet is verschenen, moet aan die partij worden betekend voor de roldatum waarop de eis wordt gewijzigd en met inachtneming van de toepasselijke dagvaardingstermijn. Als betekening niet tijdig plaatsvindt, is uitgangspunt dat de rechter alsnog de gelegenheid kan bieden om de verandering of vermeerdering van eis te betekenen.

Daarna neemt appellant een memorie van grieven. In die memorie van grieven wordt de eis gewijzigd. Deze eiswijziging is niet aan de geïntimeerde betekend, terwijl de wet dat wel vereist in het geval waarin de geïntimeerde niet is verschenen (art. 130 lid 3 Rv). Bij de mondelinge behandeling vraagt appellant het hof om de eiswijziging alsnog te mogen betekenen. Het hof wijst dat verzoek af. Volgens het hof is dat verzoek ontijdig en daarmee in strijd met de goede procesorde.

Op grond van art. 130 lid 3 Rv is een verandering of vermeerdering van eis tegen een partij die niet is verschenen uitgesloten, tenzij de verandering of vermeerdering van eis tijdig bij exploot kenbaar wordt gemaakt aan die partij. Art. 120 lid 3 Rv is dan van overeenkomstige toepassing. In hoger beroep zijn deze bepalingen van overeenkomstige toepassing via de schakelbepaling van art.

De Hoge Raad leidt uit die verwijzing naar art. 120 lid 3 Rv af dat met ‘tijdig’ in de zin van art. 130 lid 3 Rv wordt bedoeld dat de toepasselijke dagvaardingstermijn (art. 114-117 Rv) in acht moet worden genomen. Indien de verandering of vermeerdering van eis niet tijdig bij exploot aan de niet verschenen partij kenbaar is gemaakt, is uitgangspunt dat de rechter, op verzoek van de partij die haar eis wil wijzigen of ambtshalve, alsnog gelegenheid kan bieden om de verandering of vermeerdering van eis aan de niet verschenen wederpartij te doen betekenen.

Het oordeel van het hof gaf dan ook geen blijkvan een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel was ook niet onbegrijpelijk en hoefde niet nader te worden gemotiveerd. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.

Een voormalig stel procedeert over de verdeling van gemeenschappelijke vermogensbestanddelen. In appel stelt de man een vordering in met betrekking tot het pensioen van de vrouw. Deze vordering is in eerste aanleg niet aan de orde geweest. Het hof wijst de vordering af, omdat deze niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld. De man had nog aangevoerd dat het om een eisvermeerdering ging, maar in dat betoog gaat het hof niet mee.

De Hoge Raad overweegt dat het hof zijn beslissing niet heeft gegrond op een bezwaar op de voet van 130 lid 1 (vermeerdering van eis in strijd met de eisen van een goede procesorde) jo. 353 lid 1 Rv van de vrouw tegen de eisvermeerdering van de man of een ambtshalve toepassing van deze bepalingen. Dit betekent dat het rechtsmiddelenverbod van art. 130 lid 2 Rv niet aan beoordeling van deze klacht in de weg staat. De Hoge Raad overweegt vervolgens dat het hoger beroep er mede toe sterkt de appellerende partij de gelegenheid te bieden tot het verbeterenaan aanvullen van wat zij bij de procesvoering n eerste aanleg heeft gedaan of nagelaten.

labels: #Ei

Zie ook: