In de wereld van taal zijn er voortdurend veranderingen en nuances die de manier waarop we communiceren beïnvloeden. Dit artikel duikt in enkele interessante aspecten van de Nederlandse grammatica, waaronder het gebruik van lidwoorden, de tussen-n in samengestelde woorden, en een blik op hoe persoonlijke voornaamwoorden in de 17e eeuw werden gebruikt.
De Opkomst van Lidwoorden in Germaanse Talen
Rond het jaar 500 waren de Germaanse talen nog helemaal lidwoordloos. De lidwoorden hebben zich ontwikkeld in de periode van 500 tot 1000. Eerst ontstond het bepaalde lidwoord, uit de al bestaande aanwijzende voornaamwoorden (die, dat). Vervolgens ontstond het onbepaalde lidwoord, uit het telwoord ‘een’. Opmerkelijk is dat in diezelfde periode precies hetzelfde gebeurde in de Romaanse talen.
Het Gebruik van Lidwoorden door Nederlandse Chinezen
Het Wu, net als andere Chinese talen (Mandarijn, Kantonees), heeft géén uitgangen voor meervoud, géén vervoeging van het werkwoord en géén lidwoorden. Het is, voor Nederlandse begrippen, een behoorlijk kale taal. Maar in de variant die veel Nederlandse Chinezen spreken, duikt toch vaak een soort lidwoord op. De Chinezen die ooit in Nederland Chinees-Indische restaurants begonnen, kwamen vaak uit Wenzhou, een grote havenstad onder Shanghai. De Amsterdamse onderzoekers vergeleken alledaagse gesprekken van Nederlandse Chinezen met gesprekken in Wenzhou zelf.
De Nederlandse Chinezen gebruiken het aanwijzend voornaamwoord (die, dat) vaker dan de Chinezen in Wenzhou. De jongere generatie doet dat bovendien veel meer dan de oudere generatie. Zij zeggen in het Wenzhounees dus vaker dingen als ‘Die man lees die krant’ in plaats van ‘Man lees krant’. Ze gebruiken het aanwijzend voornaamwoord daarin als een soort lidwoord.
In een goed gesprek zijn bekende en nieuwe informatie mooi met elkaar in evenwicht. Een gesprek dat alleen maar uit al bekende informatie bestaat is dodelijk saai. En een gesprek dat alléén maar uit nieuwe informatie bestaat is vrijwel onmogelijk. Je kunt nieuwe informatie alleen goed presenteren als je die verbindt aan bekende dingen. In de grammatica zijn er allerlei manieren om bekende en nieuwe informatie te markeren. Het gebruik van lidwoorden is zo’n manier. Talen die dat allemaal niet hebben, beschikken over andere manieren om in de zinsstructuur te laten zien wat bekend en wat nieuw is.
Bijvoorbeeld, door zinnen liefst te laten beginnen met wat bekend is of wat bekend verondersteld wordt, en daarna de nieuwe informatie te laten volgen. Vermoedelijk deden de Germaanse talen dat vroeger, lang geleden, ook. Ook in Wenzhou zelf neemt het gebruik van het aanwijzend voornaamwoord als een soort lidwoord toe, maar niet zo sterk als in Nederland. De Amsterdamse onderzoekers vonden in het ‘Nederlandse’ Wenzhounees overigens geen toenemend gebruik van het telwoord ‘een’.
De Tussen-N in Samengestelde Woorden
Volgens de officiële spelling zijn alleen boekenplank en groentesoep goed. Boek heeft alleen het meervoud boeken, daarom is het boekenplank. Groente heeft ook het meervoud groentes. Boekenplank en groentesoep zijn samenstellingen. Je hoort hier een uh-klank tussen het eerste en het tweede woord waaruit deze samenstellingen bestaan. Die klank moet je soms schrijven als een e en soms als en.
De officiële hoofdregel voor het wel of niet schrijven van deze tussen-n is: als het eerste deel van een samenstelling alleen een meervoud heeft op -en en niet (ook) een meervoud op -es, schrijf je een tussen-n in de samenstellingen met dat eerste deel. Het is volgens deze regel boekenplank (boek heeft alleen het meervoud boeken). Er zijn veel uitzonderingen op deze hoofdregel. De officiële regels staan in de Leidraad van de officiële woordenlijst. Wie bij de overheid en in het onderwijs werkt, moet deze regels volgen. Anderen hoeven dat niet.
De officiële regels voor de tussen-n zijn ingewikkeld. Het uitgangspunt is bovendien dat er maar één vorm officieel juist is. Dat is eigenlijk vreemd, want bij andere tussenklanken - zoals in vervoer(s)bewijs, land(en)naam en werktuig(e)lijk - biedt de officiële spelling de taalgebruiker juist wél de vrijheid. Wat ons betreft kan dat bij de tussen-n ook.
Er zijn namelijk algemene principes die de meeste taalgebruikers (onbewust) hanteren bij de keuze voor een schrijfwijze met of zonder tussen-n. De meeste mensen kiezen uit zichzelf al voor boekenplank, krantenartikel, weidevogel, ziekteverzuim, enz. enz. Bij sommige woorden, zoals groenteassortiment/groentenassortiment*, kom je wat meer variatie tegen. De keuze voor het wel of niet schrijven van een tussen-n is terug te voeren op enkele algemene principes. Die staan hieronder.
De onderstaande punten zijn dus geen regels die zeggen hoe het móét. Ze zijn eerder een beschrijving van de praktijk.
Alle of Al het?
Alle kun je voor enkelvoudige de- én het-woorden plaatsen. Dat zijn dan altijd niet-telbare woorden. Wel lijkt alle in combinatie met een enkelvoudig het-woord minder gebruikelijk te worden. Sommige mensen hebben zelfs het idee dat het fout is. Het kan dus goed zijn om er rekening mee te houden dat alle geld, alle goud, alle zilver, alle plastic, enz. Verder worden alle geld en al het geld niet altijd in dezelfde contexten gebruikt, evenmin als bijvoorbeeld alle mensen en al de mensen. Ze hebben al het geld verbrast. Zelfs voor alle geld van de wereld ga ik niet terug.
Persoonlijke Voornaamwoorden in de 17e Eeuw
Sinds januari ben ik bezig met mijn promotieonderzoek. Onder begeleiding van profs. Nicoline van der Sijs en Helen de Hoop onderzoek ik hoe de normen en regels voor het zich ontwikkelende Standaardnederlands in de 17e eeuw zijn verbreid en algemeen aanvaard zijn geraakt, aan de hand van een 17e-eeuws krantencorpus dat onlangs via crowdsourcing beschikbaar is gekomen. Voorlopig ben ik nog bezig met de eerste fase van het onderzoek: het systematisch in kaart brengen van de toen geformuleerde regels voor wat later het Standaardnederlands zou worden, in de Dutch Normative DatabasE (NODE).
Van het grote aantal grammaticale werken uit de 17e eeuw dat ik hiervoor moet lezen en verwerken, heb ik er nu zo’n tien gedaan. Dat klinkt makkelijk: bekende grammatica’s van nu, zoals de ANS, zijn vaak helder geordend. Maar de oudere grammatica’s zijn een stuk weerbarstiger. Van Heule zegt in zijn De Nederduytsche Grammatica ofte Spraec-konst het volgende.
Onder het subkopje ‘Van de Buyginge’, vallend onder ‘Van de Voornaemen’, vinden we twee rijtjes van de verbuiging van het persoonlijke voornaamwoord in de derde persoon: het mannelijke en het vrouwelijke. Het mannelijke is als volgt (p.
Het rijtje op zich is al interessant, want we zien in het ‘Veelvoudig’ de eerste versie van wat uiteindelijk de beruchte hen/hun-regel zal worden: Van Heule geeft hen en hun verschillende grammaticale rollen en schrijft voor dat hen gebruikt moet worden in de vierde naamval (A. Bovendien doet hij een opmerkelijke aanvullende uitspraak over haerer en hunner: hij zegt dat sommige geleerden hunner voorstellen voor de genitivus mannelijk meervoud, om het te onderscheiden van de genitivus vrouwelijk meervoud, blijkbaar ook haerer. Lastiger nog wordt het wanneer we ook kijken naar wat hij zegt over de vrouwelijke vorm (p.
Het rijtje wordt gevolgd door een tweetal cryptische opmerkingen, waarvan de eerste volgens mij zegt: zoals we ook hij en zij onderscheiden, zo kunnen we ook het Latijn volgen in het onderscheiden van patres (nominativus meervoud van ‘vader’) vs. patrum (genitivus) en eorum (= van hen, mannelijk) vs. earum (= van hen, vrouwelijk) door voor de nominativus meervoud mannelijk haere vaders te gebruiken en voor de genitivus haerer vaderen, en voor nominativus vrouwelijk heure vaders en voor de genitivus heurer vaderen.
Mogelijk is dit zijn tegenvoorstel voor de eerdere opmerking dat ‘eenige geleerden’ hunner wilden gebruiken voor de mannelijke genitivus: in plaats daarvan suggereert hij haerer voor de mannelijke genitivus te (blijven) gebruiken, en heurer voor de vrouwelijke. In zijn vertaling van het Latijn, echter, heeft hij het niet over de genitivus van het persoonlijke voornaamwoord, maar over bezittelijke voornaamwoorden (waarvoor het Latijn eigenlijk sui en suae, in plaats van eorum en earum, zou gebruiken).
En de tweede opmerking zegt: als het over personen van het (biologische) vrouwelijke geslacht gaat, zoals mijn moeder, een meisje, enz., gebruiken we heur in allerlei verbuigingen. Maar als het over woorden van het grammaticale vrouwelijke geslacht gaat, spreken we over haer, dus bijvoorbeeld: ‘Ken jij de waarheid? Ja, ik ken haer.’ Deze opmerking is met name interessant omdat juist in de Renaissance de oude tegenstelling tussen grammaticaal mannelijke en vrouwelijke woorden plaatsmaakte voor de nieuwe categorie van biologisch geslacht of sekse. Van Heule lijkt hier een soort middenweg te willen bewandelen.
Wel druist de opmerking op het eerste oog in tegen wat hij in het rijtje gaf - of zouden we dat rijtje in het licht van deze opmerking moeten interpreteren, en heur dus als persoonlijk voornaamwoord voor het biologische vrouwelijke geslacht moeten zien, zowel enkelvoud als meervoud, en haer voor het grammaticale? Kortom: er lijken hier meerdere ideeën over het wenselijke gebruik van het persoonlijk voornaamwoord in de derde persoon door elkaar te lopen, waarbij het lang niet altijd meteen helder is waar het precies over gaat, welke keuze er uiteindelijk wordt gemaakt of waarom de auteur dat de beste keuze vindt.
labels:
Zie ook:
- Stoofvlees met Rijst en Groenten: Het Perfecte Recept!
- Recept met Gerookte Kip en Rijst: Snel, Makkelijk & Boordevol Smaak!
- Bloemkool Rijst Koken: Gezond Alternatief voor Gewone Rijst
- Pompoen Rijst Recept: Comfort Food voor de Herfst!
- Krentenbrood Zelf Bakken: Het Beste Recept voor Thuis!
- Ontdek Waarom Zoutinname Tijdens je Workout Essentieel is voor Maximale Prestaties!




