De novelle "Diamanten bij het Ontbijt" van Truman Capote, oorspronkelijk uitgegeven in 1963, is een vlot leesbaar verhaal met diepgang. De ik-verteller lijkt op Truman Capote zelf: hij is een beginnend auteur en vermoedelijk voor de mannen. Z’n taalgebruik is recht voor de raap, zonder overbodige woorden of pseudoliteraire pretenties. Voorbeelden van slang zijn swig (drinkpartij) en shingle (advocaat). Holly spreekt soms Franglais: "Quel rat!”

Het verhaal en de personages

De naam Holly Golightly suggereert dat zij lichtvoetig door het leven huppelt. Aanvankelijk lijkt dat ook zo. Het woord travelling op haar naamkaartje geeft aan dat ze altijd onderweg is. Gaandeweg wordt haar mysterieuze verleden onthuld.

Dit personage was geïnspireerd door Marilyn Monroe, ook iemand met een vrolijke façade en verborgen verdriet. De juwelenzaak Tiffany’s symboliseert een zorgeloze wereld waarin alles blinkt. Maskers betekenen dat mensen zich anders voordoen dan ze zijn. Zware thema’s als prostitutie, kindermisbruik, drugs en alcohol komen aan bod. In een dronken bui zegt iemand dat Hitler gelijk heeft.

Vergelijking met "Tuinfeest"

In beide boeken is de ik een schrijver, beide boeken theoretiseren over het schrijverschap. In "Tuinfeest" roept een ik-figuur, ontegenzeggelijk de schrijver zelf, zijn naam komt verschillende keren in het boek voor, zijn familie, geliefden, vrienden, kennissen, zijn hele verleden op tot hem terug te keren. Tot een tuinfeest. Het boek is dit feest. schrijf ik gewoonlijk’. De schrijver schrijft op een grafsteen, op deze plaats celebreert hij zijn ‘mis’.

Grafsteen als plaats van schrijven, als afgeplat symbool van de dood en metafoor van de herinnering, Konrád als priesterlijk centrum, als celebrant van dit tuinfeest, als allesbepalend middelpunt. Schrijven en leven vallen in dit boek samen, het is blijkbaar van het grootste belang te weten wáár de schrijver precies schrijft, steeds wordt hierop teruggekomen, de pose van het schrijven is in dit werk allesbepalend. De schrijver is tot centrum van zijn eigen tekst uitgeroepen, Tuinfeest is een kerkdienst met alle kunstgrepen die daar bij horen: de rituele taal (het boek is overwoekerd met sententies), het opgeroepen mede-lijden, de vraag naar verlossing.

Vanaf de eerst bladzijde is dit de grondhouding van het hele boek: opwekking van mede-lijden, niet met de doden maar met Konrád zelf. Wanneer de ik ‘geen zin’ heeft om te schrijven neemt hij plaats ‘op de ronde steen waarop vroeger druiven werden geperst’. Pose van het niet-schrijven. Van grafsteen naar druivenpers en wijn. In Diamanten is de schrijver geen priester maar chroniqueur die een poging tot schrijven doet en zich ontpopt tot deelnemer aan het beschrevene. De ik, ontegenzeggelijk ook de schrijver zelf, geeft een verslag van gebeurtenissen rondom een vrouwenleven.

Er is ongetwijfeld, net als in Tuinfeest, een startritueel rondom schrijven, bij Capote is schrijven geen kerkdienst maar een poging toegang tot de wereld te krijgen. Een geboorte. De ik betreedt op de eerste pagina de ruimte waarin geschreven wordt, ‘de eerste kamer die helemaal van mij was’, ‘vervallen’, ‘de kleur van uitgespuwd tabakssap’. Deze kamer is de wereld zelf. En midden in deze vervallen wereld ‘daar stonden mijn boeken en de bakjes met potloden (...) alles wat ik nodig had, naar ik meende, om schrijver te worden, wat mijn ideaal was’.

In Tuinfeest wordt de priesterlijke schrijvershouding uit het begin het hele boek doorgezet, de schrijver/priester roept op, belijdt schuld, geeft verlossing, ja, ook dat laatste. door een niet aflatende reeks uitspraken over het schrijven zelf. Diepzinnigheden - niet alleen over schrijven maar over ongeveer alles - die het beschrevene willen problematiseren, maar die zo dwingend en zo algemeen geformuleerd zijn dat ze iedere discussie uit de weg gaan en uiteindelijk niet meer dan een blubberig gevoel van halve weerzin teweegbrengen.

Het zou een kleine moeite zijn deze opsomming van zinnen over schrijven pagina-lang voort te zetten, Tuinfeest puilt uit van dit type essenties: schrijven is..., de vrouw is..., het leven is..., de man is..., autoriteiten zijn..., fascisme is..., joden zijn... Alles is vaag, willekeurig, een brij, steeds gaat het om ‘de’ mens, ‘de’ vrouw, ‘het’ bewustzijn, ‘de’ eenzaamheid, ‘de’ verschrikking. En langzaam glijd ik weg in deze verlammende zee van algeheel instemmings-gewauwel. Nog een paar: ‘Doordat ze geen kinderen kunnen krijgen, zijn mannen banger voor de dood dan vrouwen. Ze zijn daardoor ook bloeddorstiger’, ‘Metafysica moet onderhouden worden, religieuze voorstellingen hebben verzorging nodig’, ‘Wij leven bewust onbewust’, ‘Je moet een rol spelen’, ‘De toekomst behoort de vrouw!’, ‘Een man kan even verliefd zijn op een plein als op een vrouw’.

Het is vooral de nadrukkelijkheid, de onweerlegbaarheid van deze reflecties - ze dulden geen tegenspraak - die Tuinfeest zo onverteerbaar maakt, discussie is niet mogelijk, nee, door de priesterlijke schrijverspose zelfs uitgesloten, laat staan dat bij de lezer, nu goed, bij mij, een effect van verbazing of afgrijzen wordt gewekt. Tuinfeest is een autoritair boek, het laat geen enkele ruimte aan lezers, eigen opiniëring is niet toegestaan, de wereld is teruggebracht tot een essentialistische ruimte.

Nog erger, dit werk creëert op geen enkele manier, wat het wel wil, een gezond wantrouwen tegen schrijven en tegen taal, het bevestigt alle vooroordelen die daarover bij lezers bestaan: schrijven is iets van gekwelden die grote woorden en grote gebaren direct vertrouwen en met dezelfde grote woorden en grote gebaren uitleggen hoe de wereld in elkaar zit. ‘Wanhoop’, ‘verschrikking’, ‘verlatenheid’, ‘eenzaamheid’, ‘mannen’, ‘bedrog’, ‘liefde’, ‘verraad’, ‘vrouwen’, ‘dood’, ‘verleiding’, ‘genot’, ‘onderdrukking’, ‘rechtvaardigheid’, ‘mensen’, ‘labyrinthen’. O, bij honderden staan deze en andere holle, moedeloze blubberwoorden door het boek verspreid. Konrád gelooft in Tuinfeest onvoorwaardelijk in de directe kracht van dit soort schelle, onverdraaglijke woorden, alleen het opschrijven ervan acht hij al toereikend voor zijn doel: de opwekking van mede-lijden.

Geen grote woorden, een luchtige vertelling over de jonge vrouw Holly Golightly (‘reizend’) die boven een beginnende schrijver woont en zich een weg baant door het min of meer mondaine leven van New York uit de jaren vijftig. Luchtig? Jazeker, Holly ‘ontvangt’ mannen, ze verkeert in dubieuze circuits, ze geeft ‘gelegenheid’ en dit alles schijnbaar pretentieloos geschreven, licht als een vlinder, gezien vanuit de blik van de jonge schrijver die haar bekijkt met eindeloze bewondering en verbazing. En toch hangt onder dit verhaal, alsof het er toevallig bijhoort, alsof het niet Capote zelf was die dit eraan toegevoegd heeft, hij heeft zijn uiterste best gedaan het aan het oog te onttrekken - bij hem is vrijwel ieder woord te veel - een vermoeden van wat Konrád eindeloos benoemt: onder de lichtheid van dit vliegensvlugge verhaal fluistert de strijd om het bestaan, het verraad, de terloopse verschrikking, de dood (niet als Magere Hein, maar als ‘Het Vette Wijf’). Niet meer dan een vermoeden, een lispelend afgrijzen dat soms ineens harder spreekt, bijvoorbeeld wanneer Holly in verband met een abortus (dit woord wordt niet genoemd, het wanhopige is altijd in dit boek verzwegen) in een ziekenhuis ligt.

Capote bereikt dit door iedere reflectie over de personages, de gebeurtenissen, het schrijven, de wanhoop, seksualiteit, etcetera uit te bannen, zijn personages wandelen in een verbazende lichtheid door de wereld, iedere expliciete zwaarte is weggemoffeld onder een verblindend lichte en trefzekere stijl. In alles streeft Capote er naar het ‘schrijfachtige’ van dit boek, het is nu eenmaal een kunstwerk dat na lang schaven tot stand is gekomen, het ‘gekunstelde’ ervan dus, weg te werken. Alsof het nooit geschreven is maar ergens op een vuilstort in The Bronx gevonden. Hij bereikt dit effect onder andere met de constructie van de vertelling.

Het boek is een terugblik, de ik die het boek schrijft woont niet meer in het oude huis waar hij met schrijven is begonnen en dat hij zich op de eerste bladzijde herinnert (het huis met de wanden in ‘de kleur van uitgespuwd tabakssap’). Capote laat zijn schrijvende ik-figuur al in het begin van het boek het volgende overpeinzen: ‘Zolang ik er woonde was het idee, over Holly Golightly te schrijven, nooit bij mij opgekomen en ik zou het waarschijnlijk ook nu nog niet hebben gedaan als door een gesprek met Joe Bell niet al mijn herinneringen aan haar tot nieuw leven waren gebracht.’ Natuurlijk, ook dit is een pose, een schrijverspose, maar wat voor eentje en wat een verschil met de pose van Tuinfeest.

Capote demonstreert met deze constructie, je zou er bijna overheen lezen, tegelijkertijd een opvatting over schrijven. Zijn ikfiguur, die nota bene het liefste van alles schrijver wil worden, beseft wanneer hij Holly Golightly meemaakt niet dat zij de moeite waard is beschreven te worden. Hij is niet in staat in de tijd van het beleven zelf schrijver te zijn, hij kan het pas achteraf! Hij is in de ogen van Capote als schrijver een mislukkeling omdat hij niet kan beschrijven wat dichtbij is. Capote neemt hier afstand van zijn eigen ik-figuur! Zijn ik-figuur is een mislukt schrijver.

Capote bespot hier schrijvers die alleen dat willen beschrijven waar ze geen verstand van hebben en geeft hiermee aan dat hij ieder schrijverschap wantrouwt, ook dat van hemzelf, zie de spottende formulering uit de beginzinnen over de aan te slijpen potloden, ‘alles wat ik nodig had, naar ik meende, om schrijver te worden, wat mijn ideaal was’.

Verplichte stof voor schrijversopleidingen is ook de scène waarin de ik aan Holly, die wel wat anders te doen heeft, zijn eerste schrijfsel voorleest. nog niets hebben gepubliceerd, zijn in staat een uitnodiging tot voorlezen af te slaan’. ‘“Is het nu uit?”, vroeg ze, wakker schrikkend. Onzeker zocht ze naar iets dat ze zou kunnen zeggen. “Natuurlijk mag ik potten wel. Ik ben er helemaal niet bang voor. Maar verhalen over potten vind ik allemachtig vervelend. Ik kan me helemaal niet in hun gedachten verplaatsen. Ik had een fout gemaakt door haar het verhaal voor te lezen, maar ik was niet van plan om de zaak door een explicatie nog gênanter te maken.

Dit geeft de lezer gelegenheid zijn eigen reflectie op gang te brengen. De waarheid lijkt aan dit boek te ontbreken, alles wordt door Capote aan het oog onttrokken, liever slaat hij ons met blindheid en met stomheid dan met uitleggerige potsierlijkheden in de trant van Tuinfeest en pas heel langzaam komt de voorzichtige waarheid naar voren die Diamanten uiteraard ook wil zijn, ieder boek formuleert nu eenmaal een waarheid. Hoe weinig Holly Golightly, ‘in staat was de grauwe ...

labels:

Zie ook: