De uitdrukking "het regende brood" vindt zijn oorsprong in het Bijbelse verhaal van het manna, een wonderbaarlijke voorziening van voedsel aan de Israëlieten tijdens hun tocht door de woestijn. Het Nederlandse woord ‘manna’ is via het Griekse manna ontleend aan het Hebreeuws: man.

Het Manna in het Oude Testament

Het Oude Testament bevat een aantal berichten over het manna - brood uit de hemel - dat de Israëlieten aten tijdens hun tocht door de woestijn. Na de glorieuze uittocht begint de honger te knagen. De woestijn is kaal en onherbergzaam. Voedsel is schaars. Het volk herinnert zich de vleespotten van Egypte en begint te morren: ‘De Heer sprak tot Mozes: “Ik heb het gemor van de Israëlieten gehoord. Dit moet u hun zeggen: Tegen de avond kunt u vlees eten en morgenochtend zult u volop brood hebben. Dan zult u weten dat Ik de Heer, uw God ben”. Toen het avond was kwamen er kwakkels aangevlogen en vielen neer over heel het kamp. De volgende ochtend hing er dauw rondom het kamp. En toen deze was opgetrokken lag er over de woestijn een fijne korrelige laag, alsof de grond met rijp was bedekt. De Israëlieten zagen het en zeiden tegen elkaar: “Wat is dat?” Ze wisten werkelijk niet wat het was. Mozes legde hun uit: “Dit is het brood dat de Heer u te eten geeft”‘ (Ex. 16:12-15; vgl. Num. 11:6-9).

In een oproep in een der Psalmen nooit te vergeten wat God in het verleden heeft gedaan, wordt het manna beeldend bezongen: ‘Hij gaf een bevel aan de wolken daarboven en ontsloot van de hemel de deuren: manna om te eten liet Hij op hen regenen en brood uit de hemel (hemelkoren in de vertaling NBG-1951) gaf Hij hun te eten. Iedereen at van dat brood van de sterken (brood der engelen, in NBG-1951), proviand van God, tot ze verzadigd waren’ (Ps. 78:23-25; vgl. Ps.

Volgens het boek Jozua aten de Israëlieten voor de laatste keer manna nadat zij de Jordaan waren overgestoken en in het beloofde land het Pascha hadden gevierd: ‘En de dag na Pasen (Pascha in NBG-1951), juist op die dag, aten zij ongezuurd brood en geroosterd graan dat uit het land zelf afkomstig was. De volgende dag hield het manna op; ze konden nu eten wat het land opbracht. Voortaan kregen de Israëlieten geen manna meer; gedurende dat jaar aten zij datgene wat Kanaän opbracht’ (Joz. 5:11-12). Ter herinnering aan de woestijntijd zou een kruik met manna in de tempel bewaard zijn gebleven (Ex. 16:33-34; vgl. Hebr.

De Oorsprong van Manna: Een Natuurlijk Verschijnsel?

Over de vraag wat het manna precies is geweest, wordt in de exegetische literatuur uitvoerig gediscussieerd. Het is niet mogelijk in dit kader daarop al te diep in te gaan. Naar alle waarschijnlijkheid hebben we te maken met een natuurverschijnsel. Daarop duidde ook al in de eerste eeuw van de jaartelling de joodse historicus Flavius Josefus. Hij schreef: ‘Nog tegenwoordig valt het manna in dat gehele gebied als regen’. Het verschijnsel wordt veroorzaakt door een bepaald soort schildluizen die als parasieten leven op een boom met de veelzeggende naam manna tamarisk. In het voorjaar zuigen die schildluizen grote hoeveelheden plantensap op. Voor de opbouw van hun larven hebben ze de daarin voorkomende stikstof nodig. De resterende stoffen kunnen ze niet gebruiken en scheiden ze af.

De Vergeistelijking van het Manna

De vergeestelijking van het manna lag voor de hand. Dat gebeurde al in Deuteronomium, het laatste boek van de Pentateuch dat omstreeks de Babylonische ballingschap zijn definitieve vorm kreeg: ‘Hij (God) heeft u vernederd en u honger laten lijden, maar u ook het manna te eten gegeven dat u noch uw vaderen ooit hadden gezien. Hij wilde u daardoor laten beseffen dat de mens niet leeft van brood alleen, maar van alles wat uit de mond van de Heer komt’ (Deut. 8:3).

Het Manna in het Nieuwe Testament

In het Nieuwe Testament worden deze gedachten verder ontwikkeld en vooral met Christus in verband gebracht: ‘Jezus hernam: Waarachtig, Ik verzeker u: niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven; mijn Vader is het die u het brood uit de hemel geeft, het echte. Want het brood dat God geeft, is Hij (dat wil zeggen Jezus, de Zoon van God) die uit de hemel neerdaalt en aan de wereld leven geeft’ (Joh.

De apostel Paulus legde een relatie tussen manna en Avondmaal: ‘Vergeet dit nooit, broeders en zusters: onze vaderen verbleven allemaal onder de wolk en trokken allemaal door de zee; zij zijn allemaal in Mozes gedoopt door de wolk en de zee; zij aten allemaal hetzelfde geestelijke voedsel (het manna) en dronken allemaal dezelfde geestelijke drank (het water uit de rots, Ex. 17:6; Num. 20:7-11), want zij dronken uit een geestelijke rots die met hen meetrok, en die rots was Christus’ (1 Kor.

In het laatste bijbelboek wordt het manna symbool van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde - voor een overeenkomstige gedachte, zie de boven geciteerde passage uit het vroeg-joodse apocalyptische geschrift: ‘Wie overwint, zal Ik van het verborgen manna geven; en Ik zal hem een wit steentje geven en op dat steentje staat een nieuwe naam geschreven, die niemand kent dan hij die hem ontvangt’ (Op.

Manna als symbool van hemels brood, als verwijzing naar Jezus als het brood uit de hemel, als beeld van het Avondmaal, als symbool van de nieuwe hemel en aarde - ziehier samengevat wat bij de beeldspraak naar voren is gebracht.

"En het regende brood" als Boektitel

De uitdrukking "En het regende brood" is ook de titel van een boek van Stefan van Dierendonck. Het boek gaat over een priester die steeds meer moeite krijgt met het geloof. Van Dierendonck was ooit de jongste priester van Nederland en baseerde zijn debuutroman deels op zijn eigen ervaringen. In dit boek begint hoofdpersoon Pater Johannes Beckers aan de Katholieke-leer te twijfelen als hij het leven bestudeert van de overleden priester Clemens Driessen. Tijdens zijn opleiding worstelt Clemens al met de leer van zijn kerk. Ook heeft hij een glutenallergie die hem deelname aan het Heilig Avondmaal onmogelijk maakt. Dat zet Beckers aan het denken.

Van Dierendonck wordt op 23-jarige leeftijd gewijd als priester. Na de mis is hij altijd moe. Hij blijkt een voedselallergie te hebben en is allergisch voor gluten. Tarwevrije hosties zouden daarom uitkomst bieden, maar die staat de rooms-katholieke kerk niet toe. Van Dierendonck vervreemd steeds meer van de Kerk en legt uiteindelijk zijn priesterschap neer. Hij is dan net dertig jaar. In zijn eerste boek, En het regende brood, schilderde hij een ontluisterend beeld van de seminariecultuur die hem vormde.

Clemens Driessen - die op jonge leeftijd zijn vader verliest; als misdienaar in de ban raakt van de Rooms-katholieke kerk; met vallen en opstaan na een niet alleen maar beloftevolle leertijd priester wordt, maar zelfs voor parochies op het Brabantse platteland te recht in de leer is en zijn eenzame kruistocht tegen de toegeeflijkheid en hypocrisie van de moederkerk ziet stranden - is letterlijk niet in staat lichaam en geest in evenwicht te houden. Zijn lichaam reageert allergisch op gluten, zijn geest ontspoort tijdens zijn streven naar zuiverheid.

Over Johannes Beckers weten we weinig, behalve dat Clemens Driessen regelmatig zijn hart bij hem luchtte, vaak in de vorm van een formele biecht. Wat zijn belang is bij het optekenen van Clemens’ leven, is niet duidelijk. Dat hij het uit mededogen doet, dat vermoeden is gerechtvaardigd.

En het regende brood eindigt met een kort hoofdstuk met de titel Slotwoord. Daarin neemt de kerk - in de persoon van de abt van Sint-Benedictusberg, waar pater Beckers zijn toevlucht heeft gezocht - afstand van het voorgaande: ‘Naar mijn overtuiging heeft de schrijver zijn best gedaan om inzicht te verstrekken in de persoonlijkheid van een van zijn jongens, naar eigen zeggen gedreven door liefde voor de waarheid en pastorale zorg die over de grenzen van het leven leiden.’ Weliswaar vernietigt hij het manuscript niet - het krijgt een plaats in de Afdeling Eigen Werk, categorie Fictie - maar hij doet het af als een niet verifieerbaar gedramatiseerd verhaal geschreven door een getroebleerd man - diagnose zware depressie met suïcidale ideatie - dat zo ver bezijden de waarheid is, dat het de kerk kan schaden. Er wordt dus weer iets in de doofpot gestopt.

En hoe onbeholpen de roman bij vlagen ook is, hier raakt de schrijver een gevoelige snaar met zijn kritiek op de kerk. Met de laatste vier bladzijden van En het regende brood laat Stefan van Dierendonck puzzelstukjes op hun plaats vallen, maar dat maakt niet alles goed. Geloofwaardig maken waarom een jonge man anno nu kiest voor het priesterambt, was een van de punten die Stefan van Dierendonck met name noemde tijdens een interview op Manuscripta. Op dat punt schiet hij uiteindelijk tekort.

Misschien wel om de autobiografische val te vermijden waarin menig debuterend schrijver gedoemd is te trappen, bouwde Stefan van Dierendonck extra afstand in door een verteller tussen het op hem geënt personage en een tot romanwerkelijkheid omgezette realiteit te zetten. Daarmee verliest hij echter een vehikel voor oprechte emoties, waardoor het verhaal aan scherpte inboet. Het venijn dat in de staart zit, dat venijn had ik een roman lang minstens willen voelen. Venijn veroorzaakt door onversneden verontwaardiging, boosheid of desnoods verdriet.

Een roman is niet alleen verhaal, maar ook taal. En die taal is in En het regende brood schraal. Taalkundig kloppen ze, maar veel zinnen lopen en/of sprankelen niet. Een verhaal via een tussenpersoon vertellen, heeft als consequentie dat de taal zich moet aanpassen aan die verteller, in dit geval pater Johannes Beckers. Alleen als die er zo erg aan toe is als de abt beweert, zou dit zijn taal kunnen zijn. In dat geval zou Stefan van Dierendonck meesterlijk in een opzet geslaagd zijn.

In zijn nieuwe boek belooft Van Dierendonck inzicht te geven in zijn vervreemding van de kerk. Dat is buitengewoon moedig. Het is namelijk verleidelijk om de afvallige aan zijn lot over te laten. Dat is niet alleen onbarmhartig, we verliezen dan ook een kans om te leren. Want Van Dierendonck is het product van een proces: gestimuleerd om het priesterschap te overwegen, beproefd in een periode van onderscheiding, gevormd door de priesteropleiding. Op jonge leeftijd werd van hem verwacht dat hij door het ambt gedragen zou worden. En dat lukte uiteindelijk niet. Het ambt bleek te zwaar. Wat is er gebeurd? Op welke manier is niet hij, maar de kerk te kort geschoten? Mijn vooronderstelling is niet dat een uitgetreden priester een ‘wegloper’ is. Eerder zie ik het als het gevolg van oplopende druk, onvoldoende steun, of onvolmaakte screening en voorbereiding.

Het is duidelijk dat ik het boek lees als een autobiografisch werk. In interviews rond zijn terecht geprezen debuutroman stelde Van Dierendonck al dat feit en fictie door elkaar heen lopen. Dat lijkt in dit boek ook het geval, getuige de wat tegenstrijdige mededeling aan het begin dat het boek “los van de werkelijkheid staat”, maar dat de “werkelijkheid door de auteur naar zijn hand gezet en tot fictie gemaakt” is. Mogelijk om juridische problemen te voorkomen, bijvoorbeeld met ‘de mentor’ die op basis van de omschrijving niemand anders kan zijn dan Antoine Bodar.

En het sneeuwde in Rome is duidelijk een egodocument, soms tot op het ergerlijke af. Van Dierendonck wil namelijk zijn herinneringen niet polijsten. Dat is lovenswaardig, maar leidt ook tot constructies als “daar wil ik van af zijn” en “verdomd als het niet waar is”. Maar naarmate het boek vordert, wordt de lezer meegevoerd in de ontwikkeling van de auteur. Het is duidelijk dat hier een mens spreekt over zijn weg, over wat hij meemaakte en voelde. Die kwetsbaarheid is bewonderenswaardig.

Het verhaal van Stefan van Dierendonck is een verhaal van ontworteling. De glutenallergie, die in het eerste boek een centrale rol speelde, komt slechts zijdelings aan bod. Het is een excuus, zegt hij nu zelf. De echte kwestie heeft betrekking op zijn geloof. Tijdens zijn studie kerkgeschiedenis in Rome ontwikkelt hij een aversie van de kerk, en een grote antipathie naar het denken van figuren als Augustinus en Thomas van Aquino. Hun denken is voor hem te zeer en kunstmatig systeem, dat alleen het intellect waardeert. Daar begint de priester al te wankelen, en hij voelt zich steeds meer een bedrieger.

In het contact met medestudente Macarena zoekt hij een eerste uitvlucht. De grote romance in het boek is de verhouding met zijn lerares Italiaans, Arianna Girasole. Door haar leert hij kanten van zichzelf kennen die tot dan toe onderdrukt of verstoord waren: lichamelijkheid, intimiteit. Hoewel het woord ‘misbruik’ niet valt, is dat wel wat hij beschrijft als een van zijn ervaringen op het seminarie. Het speelt niet de hoofdrol, dat doet Arianna. Zij maakt dingen in hem wakker, die lang verborgen waren. Desondanks, zo bezweert Van Dierendonck, is zij niet de ondergang van zijn priesterschap geworden. Zijn geloof wankelde al, en viel in haar armen.

De sleutelzinnen zijn wellicht de woorden die hij tot Arianna spreekt: “ik ben niet sterk (…). Ik geloof er niets van dat ik me staande kan houden in de echte wereld. Ergens is er iets misgegaan met mij en nu ben ik beschadigd. Bij Arianna vindt Van Dierendonck iets wat hij in de kerk nooit trof: veiligheid.

De ‘mentor’ in Rome, die de bisschop hem toewees, verdwijnt al snel naar de achtergrond. In het contact tussen celibatairen draait het voor de schrijver om de vraag ‘ben ik veilig bij jou’. Meteen in het eerste hoofdstuk schrijft hij: “Volgens mij creëerde het celibaat dit klimaat van zwijgen en verzwijgen, van subtiel aftasten. Ben ik veilig bij jou?” Op basis daarvan wordt de gepaste afstand bepaald.

Het is opvallend, en hier reflecteert hij niet op, dat Van Dierendonck zijn worsteling met zijn geloof, verliefdheid, en seksualiteit, alleen door lijkt te gaan. De contacten met andere priesters zijn te oppervlakkig, en in het verhaal is verder niemand anders dan Arianna om de relatie met Arianna mee te bespreken. Hier kom ik als lezende priester op het punt dat ik meen te ontwaren waar het noodlot toesloeg. Deze mens is niet alleen celibatair, hij is eenzaam. Ik had het hem graag anders gegund. Ik had hem gegund dat hij de veiligheid eerder gevonden zou hebben. Op het seminarie, maar in plaats daarvan werd er misbruik gemaakt van zijn onzekerheid. In de contacten met andere priesters, maar die blijken in zijn geval te oppervlakkig. In oprechte vriendschappen, maar behalve zijn ouders lijkt hij buiten de kerk niemand te hebben.

Ik wil van de schrijver geen zielig persoon maken. Dat is hij niet, en die kaart speelt hij ook niet. In tegendeel: hij geeft al zijn zekerheden op om te doen wat hij juist acht. Al mag ik dan anders denken over wat ‘juist’ is voor een priester om te doen, dat is een vorm van integriteit die ik respecteer.

De worsteling van de auteur deed me denken aan de titel van een boek over het priesterschap: Geestelijke mensen, menselijke geestelijken. Het lijkt er vaak op dat Van Dierendonck alleen geestelijk wilde of mocht zijn. Zijn lichamelijkheid werd voornamelijk ontkend. Hoewel hij er niet op in gaat, is verliefdheid waarschijnlijk iets dat hij nooit als positief heeft kunnen duiden. Terwijl juist daarin iets blijkt van het vermogen om lief te hebben, van de aanwezigheid van passies die niet zonder meer slecht zijn. Ook twijfel schijnt lang afwezig te zijn. En wanneer de twijfel dan eindelijk toegelaten wordt, is deze gelijk verwoestend. Gevoelens, verliefdheid, en twijfel komen het boek binnen als stoorzenders, die er niet horen te zijn.

Ook hier had ik deze mens iets anders gegund. Ik had hem gegund dat hij deze dingen eerder als iets positiefs had leren kennen. Nu doet hij denken aan Ralph de Bricassart, de priester die de hoofdfiguur is van de roman De Doornvogels. Die ontkent stevig zijn eigen menselijkheid, om vervolgens meegesleept te worden in een hopeloze romance. Beide boeken hebben een zweem van onvermijdelijkheid: dit is wat er gebeurt wanneer het echte leven grip krijgt op geestelijke mensen. Het bevestigt mij in de overtuiging dat we behoefte hebben aan menselijke geestelijken.

En dan is niets meer zeker. Dan blijkt alles mogelijk. 'Van Dierendonck schrijft bijzonder sfeervol, met een licht melancholische ondertoon. Heel muzikaal ook, met veel afwisseling in zins- en paragraafopbouw. Hij kan een personage in een paar lijnen neerzetten (...) Maar wat deze roman echt grandioos maakt, is die ‘eindeloos ziekelijke associatiedrift van me’, zoals Van Dierendonck zijn meanderende stijl zelf beschrijft. Soms gebeurt er pagina’s lang niets. Je volgt de eindeloos mooi uitgeschreven gedachten van die jonge twijfelende priester en je zit op het puntje van je stoel. 'Invoelend, aangrijpend, mooie stijl en verteltrant. (…) Inmiddels lijkt Van Dierendonck me met zijn mooie stijl en verteltrant genoeg ontpriesterd om zich nu aan een wereldse roman te wagen. ‘In het prachtig geschreven En het sneeuwde in Rome vertelt voormalig priester Stefan van Dierendonck het aangrijpende verhaal van een jonge priester die voor een studieopdracht naar Rome vertrekt. Je volgt de eindeloos mooi geschreven gedachtes van van de twijfelende jonge priester. 'De ontluikende liefde levert veel ontroerende scènes op.

labels: #Brood

Zie ook: