Soms, misschien uit pure interesse maar vaak gewoon zomaar, vraagt iemand mij waar ik vandaan kom. Ik ben geboren in Amsterdam, zeg ik dan, maar op mijn derde verhuisde ik naar Veldhoven, in de buurt van Eindhoven, en op mijn achttiende verhuisde ik weer terug naar Amsterdam om te studeren. Daarom zuchten mijn vrienden natuurlijk. Soms ben ik het met ze eens, dan hoor ik mezelf praten en dan klinkt het allemaal als zelfingenomen onzin. Met enige regelmaat kom ik nog in Veldhoven, mijn ouders wonen er nog altijd en mijn zus woont in de buurt met haar gezin.

Iedere keer dat de trein het station van Eindhoven binnenrijdt is er weer meer veranderd. Hoe dichter ik bij het huis van mijn ouders kom, hoe meer ik beducht ben oude bekenden tegen te komen. Iedereen met een kinderwagen kan een oude klasgenoot zijn, iedere senior een van hun ouders die mij nog herkent van het schoolplein. Ik weet niet precies waarom ik nou zo beducht voor ze ben.

Veldhoven: Alles en Niets

Veldhoven heeft alles maar is niks, zegt mijn moeder altijd. Het heeft een bibliotheek, een zwembad, een winkelcentrum, eigenlijk alles behalve een treinstation. Maar het is niet echt een dorp, het zijn meerdere aan elkaar gegroeide dorpen, een agglomeratie zonder duidelijk centrum. Het is geen stad en geen platteland, het ligt er letterlijk tussenin. Eindhoven deed ooit pogingen het in te lijven maar dat is nooit gebeurd. Maar ook Veldhoven verandert. Het is inmiddels wereldtoneel, nu chipsfabrikant ASML een middelpunt is in de strijd tussen Amerika, China en de EU. Groeit ASML dan groeit de gemeente.

Toen mijn vader in 1995 ging werken bij ASML waren wij een van de voorlopers van die gentrificatie. Omdat ik de jongste ben en toen drie was had die verhuizing voor mij het makkelijkst moeten zijn. Van Amsterdam wist ik niets, mijn brein ging in Veldhoven pas herinneringen opbouwen. Toch speelde Amsterdam een grote rol in mijn leven. Als klasgenoten op de basisschool vroegen waar ik vandaan kwam dan zei ik Amsterdam, als ze vroegen voor welke club ik was dan zei ik Ajax. Een bijzonder slechte keuze, mijn jeugd viel samen met de glorietijd van PSV. Maar blijkbaar zat het diep. Niet lang na de verhuizing wilde ik ons nieuwe huis graag een naam geven.

Waarschijnlijk had ik het op vakantie gezien, gevels met namen als Villa Zeezicht of De Oude Dame. Het mocht van mijn ouders, al zou de gevel leeg blijven. Soms hoefde ik niet eens te vertellen dat ik geen Veldhovenaar was, ze hoorden het aan me. Hoewel ik pas in Veldhoven echt leerde praten nam ik de zachte ‘g’ nooit over, en soms was dat al genoeg voor een achterdochtige blik. Mijn moeder vertelt dat er ouders op het schoolplein waren die zeiden dat wij ‘nog wel meevielen voor Amsterdammers’.

Soms had ik het gevoel dat mensen konden ruiken dat ik niet uit Brabant kwam. Als mijn vrienden en ik toch eens naar de kermis van een naburig dorp gingen, kregen we ruzie. Een keer stond ik toe te kijken hoe mijn vrienden in de botsautootjes expres hoge gilletjes slaakten iedere keer als de lokale jeugd tegen ze aan botste. Niet veel later moesten we rennen naar onze fietsen en werden we door brommers het dorp uitgejaagd.

De Helderheid der Dingen en een Cultuurmens

Ik las De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst toen ik zestien was. De roman over het fictieve Vlaamse gehucht Reetveerdegem maakte indruk, met name een hoofdstuk waarin de verteller er na lange tijd weer terugkomt. Waar zijn nonkels zich net als in zijn kindertijd nog wekelijks volgieten in dezelfde cafés is hijzelf, zoals een van die nonkels stelt, een ‘cultuurmens’ geworden die overal het podium opkruipt en waarvan ze in de gazetten maar moeten lezen hoe het met hem gaat. Dat ben ik, dacht ik als zestienjarige, en dat sloeg natuurlijk nergens op. Ik was amper een cultuurmens, de roman was pas een van de eerste die ik écht las. Toch zit er met terugwerkende kracht een kern van waarheid in. Inmiddels ben ik wel een schrijver. De vraag is: voorvoelde ik destijds dat het zo met mij zou lopen?

Als iemand mij vraagt waar ik vandaan kom, vertel ik al gauw dat ik me niet thuis voelde in Veldhoven, dat de kleinste afwijking van de norm daar al absurd werd gevonden, een aanval op de gezelligheid. Ik vertel dat ik achterdocht voelde als ik zei dat ik wilde schrijven, dat ik raar gevonden werd omdat ik deelnam aan een poëziewedstrijd. Ik vertel hoezeer ik de carnavalsmuziek haatte, hoe zo’n beetje mijn hele middelbare-schoolklas economie ging studeren in Tilburg. Ik vertel hoe ik tijdens mijn studie in Amsterdam vaak vervelende opmerkingen kreeg als ik nog eens terugkwam, alsof ik iedereen had verraden. Een vriend merkte laatst op dat ik vaak een Brabants accent opzet als ik voor de grap domme dingen zeg. Het is zo deterministisch. Alsof Amsterdam altijd al mijn enige bestemming was en Veldhoven slechts een omweg.

Ik las in The New Yorker een stuk over alternate selves, de even onzinnige als aantrekkelijke gedachte dat je ooit geboren wordt met de mogelijkheid duizenden soorten levens te leiden en dat het er uiteindelijk toch maar één zal worden. Joshua Rothman, de auteur van het stuk, beschrijft hoe hijzelf aan het begin van de eeuw op het punt stond naar Silicon Valley te verhuizen om in de toen nog nakende techindustrie te werken, maar door een speling van het lot terechtkwam in een lift met de vrouw met wie hij inmiddels getrouwd is. Ik stel me weleens voor wat er van me geworden zou zijn als we in Amsterdam waren blijven wonen. De kans bestaat dat ik juist door Veldhoven ben gaan schrijven, omdat ik het stiekem heerlijk vond me onbegrepen te voelen, omdat ik me van jongs af aan graag afzette tegen mijn omgeving.

Terug naar Reetveerdegem

Ik heb De helaasheid der dingen maar eens herlezen en wat me onmiddellijk opviel is dat de verteller die als cultuurmens terugkeert naar Reetveerdegem eigenlijk maar een klein onderdeel is van het boek. In de eerste honderd bladzijden gaat het voornamelijk over het Wereldkampioenschap Zuipen en over de nonkel die een alternatieve Ronde van Frankrijk organiseert, waarin fietsen vervangen is door drinken, sterke drank voor de bergetappes, een ad fundum voor de tijdrit. Terwijl ik het lees komen andere herinneringen terug. Een andere passage die me nu opvalt is die over Franky, een knullige ‘inwijkeling’ die de hoofdpersoon mededeelt dat hij niet met hem mag spelen omdat zijn familie uit zuiplappen bestaat.

Over Franky en zijn ouders schrijft de verteller: ‘Het waren ontwortelde families, ergens geboren en nergens getogen. Met Reetveerdegem hadden zij geen enkele binding, wensten zij overigens geen enkele binding; dat zij hier komen wonen waren had uitsluitend te maken met de nog beschikbare gronden die in de steden schaarser en duurder waren geworden. Zij hebben zich geen enkele maal aan ons voorgesteld als zijnde onze nieuwe buren, bezochten onze feesten noch onze kroegen, namen nergens aan deel.’ In de ogen van de Veldhovenaar was ik dan toch meer een Franky, denk ik nu ik dat lees.

Plaza Futura en Pand P: Een Terugblik

Ik had bedacht dat ik mijn ouders mee zou nemen naar Plaza Futura, een Eindhovense filmhuisbioscoop. Kort na onze verhuizing in 1995 waren mijn ouders blij dat ze die plek vonden. We schijnen daar Het zakmes te hebben gezien, een film waarin de beste vriend van de hoofdpersoon verhuist en een plan verzint om zijn zakmes terug te geven. En Tsatsiki, een Zweedse film over een jongen die bij zijn alleenstaande moeder woont en fantaseert over zijn vader, een octopusvisser in Griekenland. Die bioscoop was eigenlijk het stukje Amsterdam waarnaar ik dacht te verlangen, ik had mezelf kunnen herkennen in de verhalen over verhuizen en fantasieën over je afkomst, maar wat ik me vooral herinner is dat ik Plaza Futura een enge plek vond.

Plaza Futura is inmiddels alleen geen bioscoop meer. De eigenaren vertrokken in 2013 naar Natlab, een theater en bioscoop in het oude Natuurkundig Laboratorium van Philips, in de ‘dynamische en creatieve stadswijk’. In het oude pand huist nu Pand P, een grotendeels door vrijwilligers gerund buurttheater met allerlei voorstellingen, van amateurtoneel tot professionele dans. Als we binnenlopen staat Joy Division aan, hier en daar zit iemand aan een tafeltje met een kop koffie en een krant. Ik herken de ruimte nog vaag, de lange bar en de brede trap naar boven, maar volgens mij was het vroeger stoffiger, met tapijt en roodfluwelen gordijnen en werd er binnen nog gerookt.

Omdat Pand P bijna met zomerstop gaat houden we het bij een broodje. Boven het terras hangen zwarte rotsblokken aan koorden. Kunst, zo lezen we op een informatiebordje. De vliegende stenen van Pand P. Op het bordje staat ook dat dit een van de 25 ‘officiële geluksplekken’ van Eindhoven is. Het is ‘een thuiskamer met vele deuren: voor de buurtbewoners, kunstenaars, kinderen, creatievelingen, nieuwsgierigen, theatermakers, rustzoekers en dromers.

Een Persoonlijke Spiegel: Jeugd en Herinneringen

Deze zomer vraagt De Groene Amsterdammer een serie dichters en schrijvers terug te keren naar een plek uit hun jeugd - en te ontdekken hoe hun herinnering standhoudt, of wordt vertekend door hun latere leven. Ik had bedacht dat ik mijn verhaal wilde spiegelen aan dat van hen. Mijn ouders waren halverwege de dertig toen ze naar Veldhoven kwamen. Nu ik zelf dichter bij die leeftijd kom vraag ik me vaker af hoe het voor hen geweest moet zijn. Net als ik kwamen ze op hun achttiende naar Amsterdam om te studeren. Ze woonden op Uilenstede, op een zolder in de Jordaan en uiteindelijk bij het Oosterpark, waar mijn zus en ik geboren werden. Ik vraag me weleens af of mijn ouders toen, net als ik nu, dachten dat ze voor altijd in Amsterdam zouden blijven.

Pas een paar jaar geleden vertelde mijn moeder me dat ze het moeilijk had gevonden. Als we na de verhuizing nog eens over de ring van Amsterdam reden, wezen mijn zus en ik op de achterbank juichend naar het lampje boven op de Rembrandttoren, vanuit het keukenraam bij het Oosterpark hadden we het ook kunnen zien. Mijn moeder miste de dagelijkse markten, de stofzaken op de Albert Cuyp. Mijn vader miste het om naar Scheltema te gaan, de verdiepingen vol boeken. Mijn vader vertelt over de verschillende bedrijven waar hij solliciteerde, over onze alternate selves in Noordwijk, Delft en Limburg. Mijn moeder vertelt dat het vooral moeilijk was om nieuwe vrienden te maken, zo halverwege de dertig met kinderen.

Alle ouders wensen hun kind niets minder dan het allerbeste toe. Je wenst je kind toe dat het stevig in eigen schoenen komt te staan, het beste uit zichzelf leert te halen en van zichzelf leert houden. Onderzoek toont aan dat het je kind kan helpen om aandacht te schenken aan het aanleren van een groei mindset. Je leert je kind hiermee dat succes niet zomaar op je af komt, maar dat je er hard voor moet werken, veel voor moet oefenen en flink voor moet doorzetten. Je kind kan hier een leven lang profijt van hebben en een grote liefde voor leren ontwikkelen.

Vaste Mindset vs. Groei Mindset

Je mindset is de wijze waarop je denkt over je intelligentie en je mogelijkheden en over de veranderbaarheid daarvan. Carol Dweck, de grondlegster van de mindset-theorie, onderscheidt twee soorten mindsets:

  • De vaste mindset: deze mensen denken dat hun intelligentie vanaf hun geboorte vaststaat en dat ze deze niet kunnen laten groeien.
  • De groei mindset: deze mensen denken dat ze slimmer kunnen worden en hun brein kunnen laten groeien door uitdagingen aan te gaan.

In onderstaande tabel zijn de verschillen weergegeven tussen een vaste mindset en een groei mindset:

Vaste Mindset Groei Mindset
Denken dat intelligentie vaststaat Geloven dat men slimmer kan worden
Vermijden uitdagingen Gaan uitdagingen aan
Geven snel op Zetten door bij tegenslagen
Voelen zich bedreigd door succes van anderen Leren van het succes van anderen

Iemand met een groei mindset gelooft erin dat het brein elke dag kan groeien. Uit onderzoek blijkt ook dat het brein veranderbaar is. Door het aangaan van nieuwe uitdagingen en het leren van nieuwe dingen legt je brein telkens nieuwe en sterke verbindingen.

labels: #Brood

Zie ook: