Famotidine is een competitieve H2-receptorantagonist. Het remt zowel de basale als de gestimuleerde maagzuursecretie en reduceert de pepsineproductie. Dit medicijn wordt vaak voorgeschreven bij maagklachten.
Werking en Effectiviteit
De werking van famotidine begint snel en is maximaal na 1-3 uur. De biologische beschikbaarheid is 40-45%. Famotidine wordt in de lever omgezet in een inactieve metaboliet en voornamelijk via de nieren uitgescheiden, deels onveranderd (25-30% van de totale dosis). De halfwaardetijd is ongeveer 3 uur, maar aanzienlijk langer bij een gestoorde nierfunctie.
Gebruik van Famotidine
Bij een (eerste) episode van maagklachten wordt vaak empirisch gestart met medicatie, waarbij de mate van maagzuurremming stapsgewijs wordt opgehoogd. Achtereenvolgens is dit: een antacidum (bij voorkeur algeldraat/magnesiumhydroxide) of mucosaprotectivum (sucralfaat), een H2-antagonist (bij voorkeur famotidine), een protonpompremmer (bij voorkeur omeprazol op basis van kosten). Het is belangrijk om de protonpompremmer of H2-antagonist na 4 weken gebruik af te bouwen.
Bij maagklachten bij NSAID-gebruik zonder indicatie voor preventie van maagklachten, probeer het NSAID te staken of te vervangen; overweeg een lokale toedieningsvorm. Als dit niet mogelijk is, geef dan bij maagklachten zonder een indicatie voor maagbescherming een H2-antagonist (bij voorkeur famotidine). Geef bij onvoldoende effect of bij een indicatie voor maagbescherming een protonpompremmer (bij voorkeur omeprazol op basis van kosten).
Bij endoscopisch aangetoonde oesofagitis graad A en B wordt een protonpompremmer (bij voorkeur omeprazol op basis van kosten) gedurende 8 weken gegeven, waarna deze wordt afgebouwd. Bij H. pylori-negatieve ulcera en H. pylori-negatieve erosieve gastritis of bulbitis is de behandelduur 4 weken. Bij oesofagitis graad C en D is het gebruik van een protonpompremmer levenslang.
Afbouwen van Famotidine
Halveer de dosis van de protonpompremmer of H2-antagonist wekelijks tot de halve standaarddosis, en staak vervolgens na één week helemaal. Dus bij gebruik van de standaarddosis 1 week de dosering halveren en daarna stoppen. Adviseer bij klachten tijdens of na afbouwen zo nodig gedurende max. drie weken een antacidum of mucosaprotectivum.
Dosering en Toediening
De tablet moet heel worden doorgeslikt met vloeistof.
- Preventie van recidivering van ulcera duodeni: Volwassenen (incl. 40 mg 's avonds gedurende 4-8 weken (óf korter indien door endoscopische controle genezing blijkt, óf nog 4 weken langer als uit endoscopie geen genezing blijkt).
- Volwassenen (incl. begindosering: 20 mg elke 6 uur, afhankelijk van zuursecretie en klinische respons zo nodig verhogen tot max. 800 mg per dag.
Aanpassing van de dosering
Bij een ernstige nierfunctiestoornis (creatinineklaring < 30 ml/min): de gebruikelijke dagelijkse dosering halveren. Bij dialysepatiënten famotidine aan het einde van, of na de dialyse laten innemen. Bij een verminderde leverfunctie is een dosisaanpassing niet nodig.
Bijwerkingen
Zoals elk medicijn kan ook famotidine bijwerkingen veroorzaken. De meest voorkomende bijwerkingen zijn:
- Vaak (1-10%): hoofdpijn, duizeligheid, obstipatie, diarree.
- Soms (0,1-1%): smaakstoornis, droge mond, misselijkheid, braken, buikpijn, opgezette buik, anorexie, flatulentie, urticaria, huiduitslag, jeuk, vermoeidheid.
- Zelden (0,01-0,1%): aritmieën, AV-blok en palpitaties, overgevoeligheidsreacties (zoals anafylaxie, angio-oedeem, bronchospasmen), reversibele stijging van leverenzymwaarden, artralgie.
- Zeer zelden (< 0,01%): trombocytopenie, leukopenie, pancytopenie, neutropenie, agranulocytose, reversibele psychische stoornissen, paresthesieën, slapeloosheid, slaperigheid, convulsies (bij verminderde nierfunctie), verminderd libido, erectiestoornis, soms fatale interstitiële pneumonie, hepatitis, Stevens-Johnsonsyndroom/toxische epidermale necrolyse (soms fataal), alopecia, beklemd gevoel op de borst, spierkramp, verlengd QT-interval.
Interacties met andere geneesmiddelen
Doordat H2-receptorantagonisten de pH in de maag verhogen, kan de absorptie van andere geneesmiddelen afnemen (bv. ketoconazol, itraconazol, posaconazol). Ketoconazol 2 uur voor famotidine innemen. Vermijd gelijktijdig gebruik van posaconazol. Antacida remmen de absorptie van famotidine, de famotidine daarom 1-2 uur voor deze geneesmiddelen innemen. Sucralfaat niet binnen 2 uur voor of na famotidine innemen. Probenecide vertraagt de eliminatie van famotidine. Gelijktijdig gebruik met calciumcarbonaat kan leiden tot verminderde werkzaamheid van calciumcarbonaat, gebruikt als fosfaatbinder bij hemodialysepatiënten. Gelijktijdig gebruik met atazanavir vermindert de biologische beschikbaarheid van atazanavir op dosisafhankelijke wijze, zie ook atazanavir#doseringen.
Contra-indicaties en waarschuwingen
Famotidine mag niet worden gebruikt bij bekende overgevoeligheid voor H2-antagonisten en bij lichte gastro-intestinale klachten.
Bij langdurig gebruik van hoge doses dienen het algemeen bloedbeeld en de leverfunctie regelmatig te worden gecontroleerd. Bij een langer bestaand ulcus niet abrupt staken na symptoomverbetering. Famotidine kan de symptomen van een maligniteit maskeren. Stel de Helicobacter pylori-status vast en start zo nodig een eradicatietherapie.
Gebruik tijdens zwangerschap en borstvoeding
- Teratogenese: Bij de mens, onvoldoende gegevens. Bij dieren geen aanwijzingen voor schadelijkheid.
- Overgang in de moedermelk: Ja, in kleine hoeveelheden.
Incidentie van Ulcus Pepticum
De incidentie van nieuwe gevallen van ulcus ventriculi daalde in de periode 1985-2006 bij mannen van 0,6 naar 0,2 en bij vrouwen van 0,5 naar 0,3 per 1000 patiënten per jaar. Bij vrouwen daalde de incidentie van 1,5 naar < 0,5 per 1000 per jaar. De leeftijdsklasse waarin de incidentie het hoogst is, is bij mannen verschoven van > 25 jaar naar > 65 jaar en bij vrouwen is de hoogste incidentie > 75 jaar.
Blijkens cijfers van de Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn was de prevalentie van ulcus duodeni 0,9 per 1000 patiënten per jaar in 2010 en 0,8 in 2018; de prevalentie van ander ulcus pepticum was 0,8 in 2010 en 1,6 in 2018 (NIVEL, november 2020).
De werkgroep schat dat van door huisartsen verwezen patiënten 20-25% gastro-oesofageale refluxziekte heeft, 5% een ulcus, 60-70% functionele maagklachten en 2-3% een carcinoom van maag of slokdarm.
| Aandoening | Percentage |
|---|---|
| Gastro-oesofageale refluxziekte | 20-25% |
| Ulcus | 5% |
| Functionele maagklachten | 60-70% |
| Carcinoom van maag of slokdarm | 2-3% |
labels:




