De Groninger Meeuw is een krachtig ontwikkeld landhoenras, ontstaan in Groningen. De Groninger Meeuw kreeg de naam pas in het begin van de 20e eeuw.

Een Groningse fokker bracht toen Friese hoenders naar een tentoonstelling, die opvielen omdat ze een groter en zwaarder waren dan het oorspronkelijke Fries hoen. Door selectie is hier de Groninger meeuw ontstaan. Daarna is het ras een beetje vergeten. Pas in de jaren 70 en '80 zijn enkele fokkers het ras opnieuw op gaan bouwen.

Uiterlijke Kenmerken

De Groninger Meeuw heeft een aantal opvallende uiterlijke kenmerken:

  • Donker bruine ogen
  • Zware en krachtige bouw
  • Witte oorlellen
  • De staart wordt middelhoog en gespreid gedragen
  • De poten zijn leiblauw van kleur
  • Bij leggende hennen valt het achterste gedeelte van de kam om

Het ras heeft een opgerichte borst en een slechts weinig naar achteren afhellende rug, waardoor de lichaamshouding bijna horizontaal is.

Kleurslagen

De Groninger Meeuw kent verschillende kleurslagen:

  • De kleuren goudpel en zilverpel zijn erkend.
  • Er wordt gewerkt aan een derde kleurslag, namelijk citroenpel.
  • Bij de krielen wordt deze kleurslag ook al erkend.

De hen, zoals aangegeven onder nr. 77, 78 en 79 van de Alg. Zoals omschreven bij de genoemde kleurslagen in de Alg.

Eigenschappen

De Groninger Meeuw heeft specifieke eigenschappen:

  • Deze kippen zijn vitaal en actief, maar vaak wat afstandelijk naar hun verzorger(s).
  • Een goede en rustige verzorger die de tijd neemt kan deze kippen wel goed tam krijgen.
  • De kippen zijn zowel voor een ruime ren als loslopend op het erf geschikt.

Fokken

Bij het fokken van Groninger Meeuwen zijn er een aantal zaken waar op gelet moet worden.

Wel opletten, want er zijn stammen waarbij de hanen pikzwarte borsten hebben, zonder bruin in. Deze dieren hadden ook een groot Oud-Engelse vechtkriel-gehalte voor de rest, dus ik vermoed dat er in het verleden van deze stam een fokker geweest is die dit gedaan heeft, aangezien dat in veel boekjes geschreven staat en zelfs door sommige keurmeesters (foutief) aangeraden wordt.

De beste hanen zijn die met een borst waar een beetje bruin door komt, maar waar wel voldoende bruin aan de basis van de veer aanwezig is, zowel voor de fok als voor tentoonstelling. Compensatiefok (dus donker + licht = goed) is ook niet aan te raden, al moet je bij een Doornikse meestal toegevingen doen op bepaalde vlakken.

Een hen die wat wit voor een jong dier is, maar wel ZG grondkleur en borsttekening heeft kan ook bij in de foktoom. Iets wit in de oren of een lelijke kam is ondergeschikt aan type en vooral kleur en tekening.

Dat laatste is trouwens vanaf een zeer jonge leeftijd te selecteren (75% wordt hier uitgeselecteerd voor een leeftijd van 8 weken), dus als je er wat meer fokt, kan je al snel een deel wegdoen, waardoor de kans op een goed dier groter wordt.

Ze zeggen vaak dat je eerst op type en dan pas op kleur moet letten, maar als je een goede stam hebt, kan je ook opgekeerd werken: eerst selecteren op kleur en dan zitten er altijd wel dieren tussen met een goed tot zeer goed type.

Het allerbeste zou natuurlijk zijn om te fokken met koppels en dan via foto's na te gaan hoe de nakomelingen evolueren en dit voor meerdere combinaties en generaties. Voordeel is dat een duif maar een tweetal eieren legt en een hen (hopelijk) meer, waardoor je per combinatie meer dieren kan fokken en dus sneller bepaalde evoluties kan zien.

Wie er ooit zin in heeft, mag dit doen en zal zeker goede resultaten boeken, maar langzaam (en minder arbeidsintensief) gaat ook.

labels: #Kip

Zie ook: