Angst voelen in situaties die mogelijk bedreigend zijn, is noodzakelijk voor ons overleven. Maar er is een grote variatie in hoe gevoelig dat alarm is afgesteld. De een blijft heel lang doodkalm, de ander is een zenuwpees.

Bij een zenuwpees zijn de zenuwen zó strak gespannen (als een pees) dat het minste of geringste het alarm al doet afgaan. Voortdurend gealarmeerd (angstig) zijn kan je welbevinden en/of functioneren verstoren.

Dan noemen we het een stoornis, een angststoornis of een dwangstoornis. Het is net als met allergie. Reacties van het lichaam op binnendringende stoffen is goed, maar kan doorslaan. Zo kunnen ook reacties op mogelijk bedreigende situaties doorslaan. Dan reageer je te heftig/ allergisch op elk risico.

Mensen met een angststoornis, zoals paniekaanvallen, angst voor spinnen, angst om over te geven, en ook allerlei vormen van de dwangstoornis weten verstandelijk wel dat hun angst overdreven is. Maar aan dat weten heb je niet zoveel. Want het vóelt anders.

We denken niet in risico’s, maar we beleven risico’s. En als we een risico op een ramp beleven, dan zijn we angstig, ook al wéten we dat de kans klein is. Gevoel gaat zijn eigen gang en laat zich maar heel moeilijk sturen door het verstand. Je minder zorgen maken lukt maar moeilijk. Meer zorgen maken overigens ook niet. Het lukt mijn vriendin niet zich zorgen te maken in situaties waarin dat heel verstandig zou zijn. Hoe het kan dat ze nog steeds leeft is me een raadsel. Een hyperactieve beschermengel, denk ik. Of de wereld is toch veiliger dan ik hem ervaar.

Mensen verontschuldigen zich heel vaak voor hun gevoelens. ‘Ik weet wel dat het niet logisch is, maar ik voel het nu eenmaal zo.’ Maar gevoel is per definitie niet logisch. Het is een heel andersoortige reactie. Gevoelsmatige reacties kunnen overeenstemmen met verstandelijke/logische reacties, maar er even vrolijk dwars tegenin gaan.

Hiermee zeg ik zeker niet dat het gevoel altijd de laatste stem zou moeten krijgen, ook al is dat wel vaak het geval. Waar bijsturing door het verstand nodig en mogelijk is, moeten we dat zeker niet laten. Maar weten met je hoofd is iets anders dan weten met je hart. Weten met je hart is beleven en dat heeft vaak een veel grotere invloed op ons gedrag dan verstandelijk weten. Kennis stuurt ons gedrag pas als het ook beleving is.

De geest is gewillig, maar het vlees is zwak’, zeggen we om aan te geven dat van onze verstandelijke voornemens (van de geest) vaak weinig terechtkomt, omdat gevoelens (het vlees) sterker zijn. Je zou ook kunnen zeggen: de geest is gewillig, maar het vlees is sterk. "De cortex wikt, het limbische systeem beschikt."

Deze uitdrukking is ontleend aan Matth. 26:41, waar Jezus zegt: ‘Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees (d.i.: het lichaam, het stoffelijk omhulsel van de onstoffelijke geest) is zwak’.

Ze heeft ongeveer gelijke betekenis als de bekentenis van Paulus in één van zijn brieven: ‘Wanneer ik het goede wil doen, staat het kwade mij bij’. Zie ook Gal. 5:17: ‘Want het vlees begeert tegen de geest en de geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander, alzo dat gij niet doet, hetgeen gij wildet’.

Enkele bekende gezegden en uitdrukkingen die in de Statenvertaling worden gebruikt:

  • als een dief in de nacht: uit o.a.
  • als een zoutpilaar staan: uit Genesis 19:26, En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar. Tijdens de vlucht uit Sodom en Gomorra was het Lot en de zijnen verboden achterom te kijken. Lots vrouw doet het toch, verandert hierop in een zoutpilaar en kan zo niet ontkomen aan het zwavel en vuur dat over de verdorven steden wordt uitgestort.
  • Ben ik mijn broeders hoeder? uit Genesis 4:9, En de HEERE zeide tot Kaïn: Waar is Habel, uw broeder? En hij zeide: Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder? Kaïn heeft Abel zojuist gedood en zegt dat hij wel wat beters te doen heeft dan op zijn broer passen.
  • bij de pakken neerzitten: in Genesis 49:14 omschrijft Jakob zijn zoon Issaschar als […] een sterk gebeende ezel, nederliggende tussen twee pakken.
  • door het oog van de naald kruipen: vrij naar Mattheüs 19:24, Marcus 10:25 en Lukas 18:25, Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods inga. Een kemel is een kameel. In de oorspronkelijke betekenis geeft de uitdrukking aan dat het voor rijke mensen bijzonder moeilijk is om in het koninkrijk van God te komen.
  • doorn in het oog: o.a.
  • iemand vragen de eerste steen te werpen: uit Johannes 8:7, Die van ulieden zonder zonde is, werpe eerst den steen op haar. Een vrouw wordt beschuldigd van overspel, een feit dat in die tijd met steniging bestraft werd.
  • de geest is gewillig maar het vlees zwak: gebruikt in Mattheüs 26:40-41, En Hij kwam tot de discipelen en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Kunt gij dan niet een uur met Mij waken? Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak. In zijn laatste nacht vraagt Jezus zijn volgelingen wakker te blijven, maar zij kunnen de verleiding van de slaap niet weerstaan.
  • in het duister tasten: gebruikt in Job 12:25, Zij tasten in de duisternis, waar geen licht is; en Hij doet hen dwalen, als een dronkaard. Job probeert de wijsheid en de macht te illustreren van God, die alle mensen in totale verwarring kan brengen. 'Duisternis' betekent hier 'duisternis des verstands'. Mensen worden verblind en radeloos, zodat zij geen weg weten in te gaan om aan het verderf te ontkomen.
  • de inwendige mens: o.a. gebruikt in Efeziërs 3:16, Opdat Hij u geve [..] met kracht versterkt te worden door Zijn Geest in den inwendigen mens. Daar ging het nog om het versterken van de geest.
  • de lier aan de wilgen hangen: naar Psalm 137:2, Wij hebben onze harpen gehangen aan de wilgen, die daarin zijn.. Het verbannen volk is gestopt met dichten. De psalm zegt dus 'harp', een instrument dat je niet makkelijk in een wilg hangt. Een tweede reden dat lier een beter woord zou zijn geweest, is de symbolische betekenis van het instrument als attribuut van een dichter. Oorspronkelijke betekenis: ophouden met dichten.
  • een lust voor het oog: o.a. De moraal van het vers is dat zoals je anderen behandelt, zo zul je zelf behandeld worden. Iets veranderd: als je over iemand oordeelt, doe dat dan met dezelfde maatstaven als waarmee je jezelf beoordeelt.
  • met zijn talenten woekeren: komt uit Mattheüs 25, waarin het verhaal verteld wordt van een heer die op reis gaat en zijn geld verdeelt onder zijn knechten. Twee knechten besteden het geld goed; de derde doet er echter niets mee en ontvangt de toorn van de heer wanneer deze terugkomt.
  • muggeziften: naar Mattheüs 23:24, Gij blinde leidslieden, die de mug uitzijgt, en den kemel doorzwelgt. Jezus foetert de schriftgeleerden uit die zich enkel bezighouden met details, terwijl ze de grote zaken uit het oog verliezen. Betekenis: vitten op kleinigheden.
  • niets nieuws onder de zon: uit Prediker 1:9, Hetgeen er geweest is, hetzelve zal er zijn, en hetgeen er gedaan is, hetzelve zal er gedaan worden; zodat er niets nieuws is onder de zon. Het is zoals het altijd geweest is, en alles is al eens eerder gebeurd.
  • op handen dragen: o.a. gebruikt in Psalm 91:12, Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot.
  • op twee gedachten hinken: uit 1 Koningen 18:21, Hoe lang hinkt gij op twee gedachten? Betekenis: op het laatste moment.
  • teken aan de wand: in Daniël 5 verschijnt tijdens een feestmaal van de koning plotseling een hand die een paar woorden op de wand schrijft.
  • wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard vergaan: uit Mattheüs 26:52, Keer uw zwaard weder in zijn plaats; want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan. Als Jezus gevangen wordt genomen, hakt een van zijn metgezellen het oor af van een aanvaller.
  • wie wind zaait, zal storm oogsten: uit Hosea 8:7, Want zij hebben wind gezaaid, en zullen een wervelwind maaien.
  • zijn handen in onschuld wassen: komt van een joods ritueel, beschreven in Deuteronomium 21:1-9. Als iemand vermoord was en de dader was niet bekend, dan moesten de oudsten van de dichtstbijgelegen stad boven een geofferde koe hun handen wassen. De uitdrukking komt diverse keren voor in de Bijbel, o.a. in Psalmen 26:6 en Psalmen 73:13. Het bekendst is het gebruik in Mattheüs 27:24: Als nu Pilatus zag, dat hij niet vorderde, maar veel meer dat er oproer werd, nam hij water en wies de handen voor de schare, zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed dezes Rechtvaardigen; gijlieden moogt toezien.

Betekenis: commentaar leveren op andermans foutjes en de eigen fouten negeren.

Het is al weer 30 jaar geleden dat de Heere Jezus in Bethlehems stal geboren is als we Hem zien wandelen langs het meer van Galilea. Zojuist is Hij veertig dagen en veertig nachten in de woestijn geweest waar Hij verzocht werd van de duivel.

Jezus, Gods Zoon, was gedoopt door Johannes waarbij de hemel geopend werd en een stem uit de hemelen klonk: ‘Deze is Mijn Zoon, Mijn geliefde, in denwelken ik mijn welbehagen heb.’(Matth. 3:17) Hij moest direct daarna in de eenzaamheid van de woestijn verzocht worden. ‘Indien Gij Gods Zoon zijt.’ (Matth. 4:2) Zo klonk de satanische stem. God had gesproken, ‘Deze is Mijn Zoon’ en satan probeert alles in twijfel te trekken. Wat een les voor ons. Als wij de voetstappen van de Heere Jezus mogen drukken, dan kunnen we er zeker van zijn, dat satan ons zal verzoeken.

Hij zal alles in het werk stellen om ons aan het twijfelen te maken. Hij weet dat als wij vol twijfel zijn, wij niet vol vreugde kunnen zijn en dus niet kunnen roemen in God. Hij weet dat als wij ongelovig zijn, er van ons niets uit gaat.(Matth. 5:13) En daarom heeft hij juist met hen die Jezus willen volgen zijn handen vol.

In het paradijs kwam hij tot Eva en sprak ‘Is het ook zo, dat God gezegd heeft’ (Gen. 3:1). Hoor hoe hij de waarheid Gods in twijfel trekt. En zo kwam hij ook tot Jezus. Satan de mensenmoorder de leugenaar van de beginne is niet veranderd. Hij is nu veel listiger geworden, hij heeft nu ruim 6000 jaar ervaring in het aanvallen van mensen, hij weet precies waar de zwakke plekken zitten. In alles om ons heen ervaren we zijn aanwezigheid, ongewild kom je in aanraking met satanische beelden en geluiden. We worden iedere dag verzocht. Maar wat een troost om te mogen weten dat zelfs Jezus, de Zoon van God, verzocht is geweest. Hij is staande gebleven, Hij kon niet vallen, Jezus, God en mens, volmaakt, heilig, zonder zonden, vol van genade en liefde moest deze weg gaan om hen die in duisternis zaten te brengen tot het Licht. (Matth. 4:16)

En als Jezus dan wandelt langs het meer van Galilea dan ziet Hij twee vissers aan het werk en zegt tot hen: ‘Volgt Mij na, en Ik zal u vissers der mensen maken.‘ Wat een boodschap, ben je aan het werk en dan komt daar een man die je weg roept bij je werk, je werk wat je lust en je leven is. Wat doen zij? Zij verlaten direct hun netten en volgen Hem. We zien hier hoe Jezus spreekt als machthebbende. Deze mannen zijn Petrus en Andreas, twee broers. De eerste discipelen van de Heere Jezus.

Even verderop zien we nog twee mannen aan het werk op het schip van hun vader. Het zijn Jakobus en Johannes twee vissers. Ook zij worden geroepen en volgen direct de Heere Jezus. En zo heeft Jezus in Zijn omwandelingen 12 discipelen om Zich heen verzameld die Hem volgden en onderwijs van Hem ontvingen. Zij werden aangesteld als Apostelen om te prediken dat het koninkrijk der hemelen nabij is gekomen. (Matth. 10)

Als we zo de geschiedenis van Jezus omwandelingen bekijken dan is er met name één discipel die ons opvalt, het is Petrus. Of we nu willen of niet soms moeten we glimlachen als we hem zien in het heetst van de strijd, wat een vuur, een enthousiasme en een impulsiviteit. Maar tegelijk zien we hoe lief hij Jezus heeft. Hoe kan dit toch? Omdat Jezus hem eerst heeft liefgehad. Hij trok Petrus achter zijn netten vandaan en liet hem Zijn Goddelijke liefde ervaren.

Op een gegeven moment hebben zij de hele nacht gevist en niets gevangen, Jezus zegt tot Petrus: ‘steek af naar de diepte, en werp uwe netten uit om te vangen.’ Petrus zegt: ‘Meester, wij hebben de hele nacht gearbeid en niets gevangen; maar op Uw woord zal ik het net uitwerpen.’ En dan gebeurt het wonder, het net zit zo vol dat het scheurt, er moet een schip bij komen om te helpen en dan zitten de beide schepen zo vol met vis dat zij bijna zinken. Als Petrus dat ziet, valt hij aan de knieën van Jezus en zegt: ‘Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens.’(Matth. 5:8) Petrus werd vervuld met heilige eerbied als hij ziet wie God is.

Wat een majesteit en macht, wat een heerlijkheid wordt er geopenbaard in de Zoon van God. Petrus voelt zijn eigen nietigheid, zijn zonde en zijn zwakheid. Hoe is het mogelijk dat Jezus met Petrus om kan gaan? Petrus begrijpt het niet. Maar, Petrus wat zeg je nu toch, moet Jezus weg gaan? Je hebt Hem zo nodig, je zult nog leren dat je zonder Hem niets doen kan. (Joh. 15:5) Toch is het zo in het leven van hen die Jezus hebben lief gekregen, zij kunnen niet zonder Hem, en tegelijk begrijpen ze niet dat zo’n Heilig God met hen gemeenschap wil hebben.

De liefde versmelt het hart en maakt dat we kleine gedachten van onszelf krijgen. Tegelijk maakt die onuitsprekelijke liefde een verlangen in ons hart naar nog meer liefde. We willen niet meer zonder Hem leven. We verlangen ieder ogenblik naar meer gemeenschap. Petrus moest leren te sterven aan zichzelf, hij moest leren leven in het gelovig vertrouwen dat wat God doet goed is.

‘Vreest niet, van nu aan zult gij mensen vangen.’ De hele nacht had hij niets gevangen maar op Jezus woord hadden ze twee schepen vol. En zo moest Petrus leren dat ook het mensenvangen alleen kon op Jezus bevel en door Zijn wonderbare kracht. Als we Jezus in het oog hebben dan hebben we niet in de gaten dat we leven, dan beseffen we niet of we fietsen, lopen of in de auto rijden, ons hart is in de hemel en Hij draagt ons.

We denken aan het schip wat in nood was, de discipelen pijnigden zich in de nacht om het schip vooruit te krijgen. (Mark 6:45) En dan, zo tegen de morgen, zien we Jezus wandelen op het water. De discipelen denken dat het een spook is, ze worden ontroerd en schreeuwen van bangheid. Maar dan spreekt Jezus : ‘Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet.’ Als Petrus dat hoort zegt hij, ‘Heere als Gij het bent, zo gebied mij tot U te komen op het water.’ (Matth. 14:28)

Wat een geloof heeft Petrus hier, hij gelooft dat Jezus hem de kracht zal kunnen geven om op het water te lopen. En dan horen we Jezus zeggen: ‘Kom’ en Petrus klimt van het schip en wandelt op het water om tot Jezus te komen. Hier wordt hij gedragen op arendsvleugelen. In Zijn kracht kunnen we bergen verzetten. We hebben niet in de gaten dat we op het water lopen, want Hij draagt ons. Maar, als we maar even onze Jezus uit het oog verliezen en zien op de omstandigheden dan kan bange vrees ons hart vervullen.

Petrus verliest zijn Meester uit het oog, doordat hij ziet op de wind en dan kan het niet langer goed gaan. Hij wordt bevreesd en zinkt in het water, terwijl hij roept: ‘Heere behoud mij!’ En Jezus strekt Zijn hand uit, grijpt hem en zegt: ‘Gij kleingelovige, waarom hebt gij gewankeld?’ Wat een les voor ons. Als we Jezus in het oog hebben, dan is ons hart bevrijd van alle vrees, dan kunnen wij staande blijven omdat we wandelen in Zijn licht met het schild van het geloof(Ef. 6:16).

Maar één blik op de omstandigheden en ons schild zakt weg, dan zijn we niet bestand tegen de pijlen die op ons afvliegen. In het geloof kunnen we bergen verzetten, maar in ons ongeloof struikelen we over een zandkorrel. En toch, wordt niet moedeloos als het ongeloof ons aanvecht, waak op, grijp uw schild van het geloof en zie op Jezus uw Zaligmaker.

Wij moeten soms vallen, zodat we leren dat er in ons geen kracht is en dat daardoor ons oog op God gericht mag zijn. God wil alle eer ontvangen. En in Hem zijn wij meer dan overwinnaars. We horen Petrus zeggen ‘Heere tot wie zullen wij anders heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwige levens, Joh. 6:68.’ Petrus was er van overtuigd dat Jezus, de Zoon van de levende God is.

En als hij dit getuigt dan zegt Jezus: ‘Zalig zijt gij, Simon Bar-Jona want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard maar Mijn Vader, die in de hemelen is. En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus , en op deze Petra zal Ik mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen, Matth. 16:17,18’ De gemeente zal gegrond zijn op deze belijdenis. Alle leden van deze zalige gemeente hebben de belijdenis in hun hart en op hun tong, dat Jezus is de Christus de Zoon van de levende God. De Messias die komen zou. De Redder van de mensen.

Zij kennen de kracht van Zijn bloed, de kracht van Zijn liefde. De Apostelen zouden uitgaan en prediken dat Jezus Christus het enige fundament van onze behoudenis is. ‘Want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus, 1 Kor. 3:11.’ De gemeente wordt samengevoegd tot een heilige tempel in de Heere en zij steunen op de uiterste hoeksteen, Jezus Christus. (Ef. 2:21) De Enige grond van onze redding is Jezus Christus, de Apostelen hebben ook niets anders gepredikt dan de behoudenis in Hem alleen.

‘Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing, 1 Kor. 1:30.’ ‘Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u dan Jezus Christus en dien gekruisigd 1 Kor. 2:2’

De Heere Jezus gaat, nadat Hij gezegd heeft dat de gemeente op deze belijdenis zal gegrond worden verder met Zijn discipelen te vertellen dat Hij veel zal moeten lijden van de ouderlingen, overpriesters en schriftgeleerden, dan zal Hij gedood en ten derde dage weer opgewekt worden. (Matth. 16:21) En wat doet Petrus? Hij begint de Heere Jezus te bestraffen en zegt: ‘God zij u genadig; dit zal u geenszins geschieden.’ Petrus zegt eigenlijk, God zal er voor zorgen dat dat niet zal gebeuren. Wat begreep Petrus toch weinig van de werkelijke inhoud van Christus werk. Wat kunnen we in onze ijver toch dwaze dingen zeggen.

Als Christus niet zou lijden en sterven en niet zou opstaan, dan zou Petrus geen zaligheid kennen. Dan zou Petrus nooit verlost zijn geworden uit de helse klauwen satan, maar voor eeuwig zijn omgekomen. Petrus zat zo vol goede bedoelingen, hij had zijn Meester zo lief maar in werkelijkheid deed hij zijn Meester pijn. Jezus keert zich om en zegt tot Petrus, ‘Ga weg achter Mij, satanas, gij zijt mij een aanstoot; want gij verzint niet de dingen die Gods zijn, maar die der mensen zijn, Matth. 16:23.’

Door verkeerde liefde stond hij Jezus in de weg en daarom noemt Jezus hem een satan, op dit moment was Petrus een verzoeker een tegenpartij. Petrus en wij met hem willen van geen verdrukking horen. Maar Jezus zegt: ‘Zo iemand achter Mij wil komen, die verlochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij. Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal om Mijnentwil die zal het vinden, Matth. 16:24,25.’

Het leven met Christus is een kruisdragend leven, een leven waarin alles ons lijkt te ontvallen en juist dat is nodig om met Hem te overwinnen. Zonder kruisdragen, zijn we geen volgelingen van onze Heere Jezus. Dit kruis kan zich op vele manieren voordoen, maar ten alle tijden betekent het een kruisigen van het vlees en een zien op Jezus onze Overwinnaar en dan alleen kunnen wij dit kruis dragen. Wat een strijd kan het zijn om kruisdrager te zijn. Vandaag hebben we moed en zijn we gewillig om het te dragen maar morgen willen we het in stukken slaan. Maar weet dat Hij ons in alles is gelijk geworden, zonder de zonden, Hij kent onze pijnen, ons verdriet en ons uitzien.

Hij kent onze zwakheden en, hoe groot! Hij weet precies hoe zwaar ons kruis moet zijn. Hij heeft eerst onze schouders gemeten voordat Hij het kruis er op legde. Hij heeft ons een kruis gegeven opdat wij niet in onszelf zouden roemen maar in Hem die al onze liefde waardig is. Hij die zichzelf vrijwillig aan het kruis liet nagelen om onze zonden. Hij heeft de helse angsten willen lijden om ons er van te bevrijden, zouden wij dan dat lichte kruis niet willen dragen?

Maar laten wij bedenken, dat wij nu weten wat het werkelijke werk van Christus was, Petrus kon dit nog niet weten. Petrus wist nog niet hoe Jezus daar straks als een vloek zou hangen, om zijn en onze vloek weg te nemen. Petrus, Jacobus en Johannes, de drie discipelen die Jezus het meest bij Zich had, mochten met Hem mee de berg op. Jezus zocht de eenzaamheid op om te bidden. Hij wilde stil zijn, dichtbij Zijn Vader zijn met heel Zijn hart. Teruggetrokken uit het rumoer van alle dag. Wat heerlijk dat ook wij 7 dagen per week 24 uur per dag mogen schuilen bij God, God die al onze gedachten kent, bij Hem die al de schuilhoeken van ons hart ziet, voor Hem hoeven we geen geheimen, geen schaamte en geen terughoudendheid te hebben.

Hij zal ons nooit ledig wegsturen, nooit zeggen, nu even niet. Nee Hij verwijt ons nooit iets. Al roepen we duizendmaal om kracht tegen de zonde en moeten we steeds weer ervaren dat we zo krachteloos zijn. Hij wil ons leren, dat we zonder Hem niet kunnen doen. Maar Jezus ging om te bidden, Hij kende geen zonde, Hij was in alles oprecht en had niet te vechten tegen de zonden, toch is Hij verzocht geworden en kwam Hij dagelijks in aanraking met de onreinheid van onze zonden.

De drie intimi, mochten met hem mee. Zojuist heeft hun Meester hen verteld van het lijden wat aanstaande is, we zouden denken dat ze nu wel met hun Meester mee zullen zuchten en voor Hem bidden, maar wat gebeurd? Ze vallen in slaap, (Luk9:32). Ondertussen gebeurt er een wonder, het aangezicht van Jezus wordt veranderd in heerlijkheid, Zijn gezicht blinkt als de zon en Zijn kleren werden wit als het licht. En dan verschijnen Mozes en Elia en spreken met Jezus over het lijden en sterven wat Hem te wachten staat (Luk. 9:31).

En dan worden de discipelen wakker, zij zien Jezus in Zijn heerlijkheid en Mozes en Elia. Weer is het Petrus die naar voren komt, ‘Heere, het is goed dat wij hier zijn; zo Gij wilt, laat ons hier drie tabernakelen maken, voor U één en voor Mozes één en één voor Elia, Matth. 17:4’ Petrus wilde wel altijd in dit heerlijke gezelschap zijn. Als wij persoonlijk wel eens een Godsontmoeting hebben, dan willen we dit wel altijd vasthouden. Op zulke momenten dan hebben we de hemel in ons hart, we beseffen niet dat we nog op aarde zijn en willen wel altijd in deze toestand blijven.

Maar God weet het beste wat goed voor ons is. Hij neemt de zoetheid weer weg om ons te leren staan in het geloof. Het leven uit het gevoel is niet het vruchtbaarste leven. En toch geeft Hij ons zulke momenten waarin we als het ware opgetrokken worden in de hemel, onszelf mogen verliezen en iets van Zijn heerlijkheid mogen zien. Dit maakt ons des te meer begeriger om voor altijd bij hem te zijn. Wat een schoonheid in onze Jezus! Dit maakt ons bedorven voor de wereld. Alles van de wereld is vergeleken bij die heerlijkheid als roest. Dit maakt dat we ons niet meer hechten aan aardse dingen omdat we weten dat we een beter huis hebben niet met handen gemaakt maar eeuwig in de hemelen. (2 Kor. 5:1).

En dan terwijl Mozes en Elia van Jezus afscheiden komt er een wolk die hen overschaduwd. En dan horen zij een stem uit de wolk. ‘Deze is Mijn geliefde Zoon, in dewelke Ik Mijn welbehagen heb, hoort Hem.’ Onder deze majesteit vallen de discipelen op de grond en zijn bevreesd. Ze zijn getuigen van zulk een onbeschrijfelijke heerlijkheid en...

labels: #Vlees

Zie ook: