In de negentiende eeuw onderging de Nederlandse boekcultuur een transformatie, mede dankzij de opkomst van geïllustreerde tijdschriften. Rond 1840 verschenen de eerste geïllustreerde tijdschriften in Nederland. Echter, ‘vanwege de bijzondere rol die ze als voorlopers vervulden’ zijn er ook drie tijdschriften opgenomen die al vanaf 1834-1835 verschenen. In 1823 opende Wilhelmus Petrus van Stockum, een 23-jarige ondernemer, zijn eigen boekwinkel in Den Haag. Hij schreef later dat zijn handelsbetrekkingen zeer werden bevorderd, want er verrees in deze tijd een nieuw product: de geïllustreerde magazijnen.
Zo'n tien jaar later waren geïllustreerde tijdschriften een bekende verschijning geworden in de Nederlandse boekwinkels. Er was veel drukte met week- en maandgoedjes. Uitgever H.M. schreef dit. In 1993 verscheen "Het geïllustreerde tijdschrift in Nederland. Bron van kennis en vermaak, lust voor het oog. Bibliografie. Deel 1: 1840-1945" van Hemels en Renée Vegt, waarin 200 tijdschriften worden besproken. Het is echter niet helemaal duidelijk op welke gronden zij hebben geselecteerd. Als beginjaar is 1840 gekozen, ‘omdat rond deze tijd in Nederland de eerste geïllustreerde tijdschriften verschijnen’.
De Opkomst van Penningmagazijnen
Naast duurdere maandschriften, van 10 à 12 gulden per jaargang en maandelijks met lithografische platen geïllustreerd, kwamen er in de jaren dertig ook geïllustreerde tijdschriften die aanzienlijk goedkoper waren. Het meest in het oog springend waren de ‘penningmagazijnen’. Deze periodieken, die wekelijks verschenen in afleveringen van acht pagina's, op groter formaat dan de maandschriften en met houtgravure-illustraties tussen de tekst, waren gericht op het minder ervaren nieuwe lezerspubliek. en in het volgend jaar 1834 hadden letterlijk alle landen van Europa, van Rusland tot Italië, hun Penningmagazijnen.
Hoewel niet zo massaal, verschenen ook in Nederland verscheidene penningmagazijnen: vanaf 1834 het in dit artikel onderzochte Nederlandsch Magazijn, gevolgd door het Hollandsch penning-magazijn voor de jeugd (1835) en De Aardbol. Magazijn voor hedendaagsche land- en volkenkunde (1837). In het algemeen gaan Hemels en Vegt ervan uit dat er vóór het midden van de negentiende eeuw nauwelijks geïllustreerde tijdschriften verschenen.
Het Nederlandsch Magazijn: Een Pionier
Het Nederlandsch Magazijn (1834-1885) was het eerste zogeheten penningmagazijn van Nederland en een van de bekendste tijdschriften van zijn tijd. Het blad was bedoeld voor mensen met een brede belangstelling. Er stond veel in over verre landen, vreemde diersoorten en planten. Over geschiedenis werd vaak op een populaire toon geschreven. Er waren huishoudelijke tips en ‘populair-wetenschappelijke’ natuurkundige verhandelingen, bijvoorbeeld ‘Iets over de vuurspugende bergen’ of ‘De Maan’.
Daarnaast waren allerlei weetjes te lezen als ‘Bevolking der aarde’ (met statistische gegevens) of ‘Over het verkleinen van koperplaten en lithographische prenten’. Een kleine maar opvallende categorie werd gevormd door moraliserende artikelen over maatschappelijke verhoudingen. Het waren vaak korte stukjes, zelden langer dan een kolom. Deze stukjes bepleitten de instandhouding van de bestaande verhoudingen, zoals in artikelen over ‘De arbeid’, ‘De eigendom’ en ‘Rijk en arm’.
Het Nederlandsch Museum werd door onder anderen Kruseman als belangrijkste tegenhanger van het Nederlandsch Magazijn (1836-1870) beschouwd. Het verscheen óók wekelijks en op hetzelfde formaat, maar de inhoud en illustraties waren geheel verschillend. De Honigbij (1842-1861) was een poging tot een goedkope versie van duurdere tijdschriften. Kruseman beschrijft het als ‘een maandwerk van gemengden inhoud, even als zoo menig ander, zonder zich te onderscheiden door iets bijzonders’. Toch is het interessant, als we, zoals Luger heeft geschreven, niet willen blijven stilstaan bij enkele vertrouwde ‘meesterwerken’, maar het hele brede veld in kaart willen brengen van de teksten waaruit die historische lezer zijn keuze maakte.
Deze drie tijdschriften richtten zich op een nieuw lezerspubliek, dat het lezen nog maar beperkt machtig was. Voor deze groep speelden rijk geïllustreerde werken in goedkope afleveringen een belangrijk rol. Dergelijke uitgaven waren zeer toegankelijk voor mensen die niet gewend waren veel te lezen. Voor arbeiders waren boeken en tijdschriften nog te duur. Uitgevers probeerden met verschillende tactieken deze groep te bereiken, onder meer met illustraties en een relatief lage prijs. lezers: de ambachtslieden en winkeliers.
Technische Innovaties en Prijs
De traditionele technieken om illustraties te drukken voor boeken, tijdschriften en kranten werden in de eerste helft van de negentiende eeuw verdrongen door twee nieuwe vindingen: de houtgravure en de lithografie. Met name dankzij de houtgravure, een verbeterde versie van de houtsnede, werd het minder duur om illustraties te drukken. Omdat de houtgravure een vorm van hoogdruk is, kan deze namelijk tegelijk met de tekst worden gedrukt en is maar één drukgang nodig.
Hoewel soortgelijke bladen in het buitenland een groot succes zijn, is er in Nederland nog geen publiek voor een tijdschrift als het Nederlandsch Magazijn, dat door de illustraties bovendien nog erg duur is. 5 à 6 gulden was natuurlijk veel geld. In het midden van de negentiende eeuw verdiende een arbeider gemiddeld ‘ƒ 1, - per werkdag’: een jaargang van het Nederlandsch Magazijn kostte dus een compleet weekloon. En dat terwijl het loon vaak niet eens genoeg was om in de primaire behoeften te voorzien.
Inhoud en Vormgeving van het Nederlandsch Magazijn
Een wekelijkse aflevering (‘blad’) telde acht pagina's en had gemiddeld vier houtgravure-illustraties tussen de tekst, over één kolom of over de hele breedte van de pagina. 18,5 × 28,5 cm en de tekst werd gedrukt in twee kolommen. De eerste jaargang had een rubriek die de meeste tijdschriften nog niet hadden: een brievenrubriek. De ingezonden brieven werden niet geplaatst, alleen het antwoord van de redactie.
Met houtgravure geïllustreerd artikel over de walvisvangst in de eerste jaargang van het Nederlandsch Magazijn 1 (1834) nr. 18, 137. In Amsterdam kostte een jaargang 5 gulden en daar buiten 6. Losse nummers werden volgens het intekenbiljet niet verkocht. Intekenaars konden kiezen of ze het tijdschrift in wekelijkse of maandelijkse afleveringen wilden ontvangen. Het betrof meestal commentaar op artikelen die lezers opstuurden om in het Nederlandsch Magazijn te laten plaatsen; kritiek op het tijdschrift werd althans niet zo vaak besproken.
Populariteit en Oplage
Natuurlijk gaven de uitgevers hoog op over hun tijdschrift in prospectussen en inleidingen bij nieuwe jaargangen. Het Nederlandsch Magazijn genoot een onverwachte populariteit, uniek voor Nederland. Het werd gelezen door ‘alle klassen van lezers’ en de oplage bleef maar stijgen. Gedurende een bestaan van nagenoeg twintig jaren heeft het Nederlandsch Magazijn [...] eenen bijval verworven die in ons vaderland tot de zeldzaamheden behoort, zoodat van den aanvang af, niettegenstaande eene oplage van 8000 exemplaren, geene compleete exemplaren meer geleverd kunnen worden. Een jaarlijkse oplage van 8000 exemplaren zoals het tijdschrift - volgens de uitgevers althans - in het begin haalde, is in de Nederlandse context een erg hoog aantal.
Almanakken bijvoorbeeld, een zeer populair genre, werden in oplagen van 3000 tot 6000 gedrukt. Maar uit hetzelfde prospectus valt op te maken dat de oplage van het Nederlandsch Magazijn gemiddeld ruim 5200 bedroeg. Het aanvankelijke succes van de uitgave wordt wel gestaafd door een opmerkingen van uitgever K. Het is alleen jammer dat deze claims niet zijn te controleren: zoals gezegd is de boekhouding van de Gebroeders Diederichs niet bewaard gebleven.
In 1859, na 25 jaargangen, ging het recht van uitgave van het Nederlandsch Magazijn over aan de Gebroeders Van Es. Daarna is het nog 27 jaar blijven verschijnen hoewel het regelmatig wisselde van eigenaar. De verschijningsperiode van 52 jaar was uitzonderlijk lang. In het begin van de negentiende eeuw hielden de meeste tijdschriften er na een paar jaar weer mee op. Slechts 13% hield het langer dan 20 jaar vol. De voorzichtige conclusie is dan ook dat het Nederlandsch Magazijn, hoewel het later minder succes had, aanvankelijk wel degelijk een groot publiek aansprak.
Concurrentie en Alternatieven
Vanaf 1836 verscheen het Nederlandsch Museum. Geschied- en letterkundige merkwaardigheden, natuurbeschrijvingen, aardrijkskundige bijzonderheden, historische en romantische verhalen. Bijeenverzameld uit de pennevruchten van verschillende bekende en anonyme oorspronkelijke schrijvers, alsmede van geleerde en kundige vertalers van de beste stukken uit buitenlandsche periodieke en andere werken. In het prospectus voor de eerste jaargang schreef uitgever L. van der Vinne op het goede voorbeeld af te gaan van het Nederlandsch Magazijn en het Hollandsch Penningmagazijn voor de Jeugd, ‘de met het best gevolg bekroonde pogingen in ons Vaderland’.
Het Nederlandsch Museum was goedkoop vergeleken met andere geïllustreerde tijdschriften: 3 gulden per jaargang. ‘Franco per post voor de buitensteden’ was de prijs 4 gulden. Het formaat was 18,5 × 29 cm. Een van de vier lithografische uitklapplaten in de eerste jaargang van het Nederlandsch Museum, getiteld ‘Overtocht van het groote leger over de Berezina in 1812’. Nederlandsch Museum 1 (1836) nr. 1, tussen 4 en 5.
| Titel | Verschijningsperiode | Prijs per Jaargang |
|---|---|---|
| Nederlandsch Magazijn | 1834-1885 | 5-6 gulden |
| Nederlandsch Museum | 1836-1870 | 3-4 gulden |
| De Honigbij | 1842-1861 | Onbekend |
Het Nederlandsch Museum had slechts vier illustraties per jaar, veel minder dan de penningmagazijnen die als voorbeeld dienden. Zo werd natuurlijk flink op de productiekosten bespaard, waardoor het tijdschrift goedkoper kon zijn. De paar illustraties díe het had, waren geen houtsneeplaten maar lithografische ‘krijtplaten’ die volgens de latere uitgever J.H. Laarman de aandacht ‘van meer beschaafden trokken’. Over houtgravures werd nogal eens neerbuigend gedaan. Vervolgartikelen komen geregeld in het tijdschrift voor. Zulke artikelen worden abrupt afgebroken-gewoon midden in de zin-en voortgezet in het volgende nummer. Museum.
Net als bij het Nederlandsch Magazijn hebben we over de oplage van het Nederlandsch Museum alleen gegevens uit prospectussen. In het prospectus voor de tweede jaargang betuigt de uitgever zijn dankbaarheid voor ‘den algemeenen bijval, welken zijne onderneming reeds het eerste jaar ondervonden heeft, daar het Nederlandsch Museum zich thans reeds in een getal van ongeveer 4000 intekenaren verheugen mag’. En in het prospectus voor de derde jaargang: ‘thans is dit getal nog aanmerkelijk vermeerderd, en bedraagt ongeveer 5000’. Nadat uitgever L. van der Vinne om onbekende redenen in 1839 failliet ging, werd het blad dertien jaar lang door C.L. Schleijer en Zoon uitgegeven. Daarna wisselde het tijdschrift nog enkele malen van eigenaar; in de 35 jaar dat het bestond hebben vijf uitgevers het in hun fonds gehad.
De Honigbij: Een Bloemlezing
Vanaf 1842 verscheen De Honigbij, of Bloemlezing op het gebied van Wetenschap, Kunst en Smaak. Zoals vermeld was het volgens Kruseman een tijdschrift dat zich niet onderscheidde door iets bijzonders. Daar zou de uitgever, Joh. Noman en Zoon, het terecht niet mee eens geweest zijn; zijn uitgave onderscheidde zich op een bepaalde manier wél van de meeste andere bladen. Maandelijks verschijnend op het formaat van 16 × 26 cm en in een gekleurd omslagje, probeerde het de stijl van duurdere maandwerken te combineren met dezelfde eenvoudige illustraties tussen de tekst als de penningmagazijnen. Begin december 1841 stuurde de uitgever de Nederlandse boekhandels proefnummers vergezeld van intekenlijsten voor geïnteresseerden.
In dit vakblad, uitsluitend bedoeld voor boekhandelaren, konden abonnees gratis advertenties plaatsen voor nieuwe uitgaven. Volgens de uitgever was de intekencampagne een succes, want al een week na de eerste advertentie van 9 december 1841 kon hij melden dat ‘Door de algemeene belangrijke deelneming op het Tijdschrift De Honigbij [...] deze onderneming doorgaat.’ Een maand later wilde hij graag de proefnummers terug: men werd ‘dringend uitgenoodigd, de overhebbende of vuil geworden Ex.
In de eerste twee jaargangen staan de illustraties tussen de tekst, zo'n tien per nummer. De meeste illustraties zijn, soms tamelijk slordige, lijntekeningen, die op het eerste gezicht meer op houtgravures lijken. Toch zijn het lithografische illustraties, waarvoor een aparte drukgang nodig was. De extra mogelijkheden van de steendruk werden in De Honigbij aanvankelijk nauwelijks uitgebuit: slechts twee afleveringen per jaar kregen een mooie ‘krijtplaat’ op apart papier. Maar vanaf de derde jaargang kwamen er per aflevering gemiddeld drie steendrukplaten op apart papier van betere kwaliteit. De Honigbij was een bloemlezing: er stonden zeer veel verschillende onderwerpen in. De wetenschap e...
labels:




