Oezbekistan is een van de grootste katoenproducenten ter wereld, maar daar schuilt een lange geschiedenis van koloniale uitbuiting achter. 142 zogenaamde ‘katoentextielclusters’, die meer dan 600 duizend ton ruwe katoen verbouwen op ongeveer een miljoen hectare. Sindsdien lijden mens en natuur in het thuisland van fotograaf Kamila Rustambekova (26), die het werk van de katoenplukkers vastlegde. “Bijna iedereen in Oezbekistan heeft wel op een of andere manier met de katoenindustrie te maken”, vertelt Rustambekova. “Mijn moeder plukte als tiener katoen. Mijn vader werkte in een fabriek, maar reed als chauffeur seizoenarbeiders naar de velden.” Zelf heeft de fotograaf nooit katoen geplukt.
Katoen groeit goed in de droge en warme Centraal-Aziatische zomers. Dat zagen koloniale machten ook. In de negentiende eeuw lijfde het Russische Rijk de regio in en in de twintigste eeuw dwong Moskou Oezbekistan tot enorme opschaling van de katoenproductie, met desastreuze gevolgen voor zowel mens als natuur. Door irrigatie begonnen rivieren en meren bijvoorbeeld op te drogen. Het beroemde Aralmeer, op de grens tussen Kazakhstan en Oezbekistan, was ooit het op drie na grootste zoetwatermeer ter wereld, maar is sinds de jaren 60 met 90 procent geslonken, grotendeels als gevolg van irrigatie voor de katoenteelt. Het zoete water maakte plaats voor zout water en woestijnvlaktes. Voor mensen was de enorme Russische vraag naar katoen al even rampzalig. Miljoenen Oezbeken, onder wie kinderen, werkten onder dwang op de katoenvelden om aan de hoge quota’s te voldoen.
De koloniale geschiedenis klinkt volgens Rustambekova door in de bijnaam die Oezbeeks katoen in die tijd kreeg: ‘het witte goud’. “Dat ‘goud’ verrijkte de Russen, terwijl ons volk leed”, zegt de kunstenaar. In de jaren 70 en 80 leidde de uitbuiting tot een corruptieschandaal dat ook Rustambekova’s familie persoonlijk trof: het ‘Oezbeekse katoenschandaal’. In een poging het vertrouwen in de Sovjetregering te vergroten, werden ruim vierduizend mensen veroordeeld voor corruptie. Aan de dwang- en kinderarbeid kwam geen eind toen Oezbekistan in 1991 onafhankelijk werd van de Sovjet-Unie. Het leidde tot internationale kritiek en in 2010 zelfs tot een grote boycot van Oezbeeks katoen. Pas na een overheidscampagne en een officieel verbod op dwang- en kinderarbeid, verdween de boycot in 2022. Met haar fotoproject hoopt fotograaf Rustambekova aandacht te genereren voor de donkere kant van Oezbekistans hagelwitte katoen. Al is ze zich ervan bewust dat ze niet het hele verhaal kan vertellen.
De Zoete Verleiding van Suiker
Marco Polo kon zijn ogen niet geloven: het zoete goud was overal. De Italiaanse ontdekkingsreiziger trok aan het eind van de dertiende eeuw door China, waar suiker populair was. Chinese suikermakers gebruikten een techniek waarbij ze houtskool toevoegden aan uit suikerriet geperst sap om het zuiveren te verbeteren. De Chinezen produceerden niet alleen voor hun eigen markt, maar ook voor de export naar de rest van Azië. Suiker stond zo aan de basis van een wereldomspannend kapitalistisch systeem, zegt Ulbe Bosma. Hij is senior onderzoeker bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam en hoogleraar geschiedenis aan de Vrije Universiteit. Van Bosma’s hand verscheen deze maand The World of Sugar. How the Sweet Stuff Transformed Our Politics, Health, and Environment over 2,000 Years.
Het is een wereldgeschiedenis: Bosma neemt de lezer mee van paleizen in Bagdad waar sultans van sherbets slurpten, via de slaven die zich moesten doodwerken op Caribische plantages, naar de Europese arbeiders die suiker gevoed kregen zodat ze harder konden werken in de fabriek. Suiker is jong. Terwijl de mens bijvoorbeeld al tienduizend jaar weet hoe je uit graan bier kan maken, werd witte kristalsuiker - onze tafelsuiker - pas 1.500 jaar geleden ontdekt, waarschijnlijk in India, zegt Bosma. Het proces van het kappen van suikerriet, het hakken en uitpersen van de stengels, het koken en zeven van het sap totdat er een heldere vloeistof overbleef waarin kristallen ontstonden, was enorm arbeidsintensief. Dat betekende dat suiker aanvankelijk extreem duur was en dus alleen beschikbaar voor keizers, koningen en kaliefen.
Bosma: „Het bleek dat je met dit kristallijnen spul goed kon boetseren. Dus lieten ze er fantastische beeldhouwwerken van maken. Zo kon een vorst laten zien: zo machtig en rijk ben ik. Het was goud, wit goud. De kunst van het suiker maken verspreidde zich oostwaarts naar China en westwaarts naar Perzië en Egypte. Toen Europese kruisvaarders in de elfde eeuw het Heilige Land betraden, zagen ze overal suikerriet. De ridders begonnen zelf rietvelden te exploiteren en verfijnden de technologie van de raffinage. „Op die manier arriveerde de suikerteelt in Europa”, zegt Bosma. „Maar qua productie stelde het nog helemaal niks voor, 500 tot 1.000 ton per jaar. Egypte was in de Middeleeuwen een belangrijke suikerleverancier voor de rijkelui van Europa. (Voor gewone mensen bleef tot in de achttiende eeuw honing de belangrijkste zoetstof.)
Toen de Portugezen en Spanjaarden in het Caribisch gebied en Zuid-Amerika aankwamen, veroorzaakten meegebrachte nieuwe ziektes pandemieën die tot 90 procent van de lokale bevolking uitroeiden. De rest vluchtte het oerwoud in en weigerde te werken op de plantages die de Europeanen aanlegden. „Er was dus een enorme behoefte aan arbeidskrachten”, zegt Bosma. „Die werden gehaald in Afrika. De slaafgemaakten die op de suikerplantages terechtkwamen, hadden het het slechtst van allemaal. Jaarlijks stierf 4 tot 6 procent van de mensen daar, veel meer dan op de plantages voor katoen en tabak. Maar suiker was met afstand het meest winstgevende product, dus daarom bleef de vraag naar nieuwe slaafgemaakten groot. De kostbaarheid van suiker stimuleerde ondernemers ook om met nieuwe technieken het productieproces te verbeteren.
Bosma: „Zo werd al vroeg waterkracht ingezet om het malen efficiënter te laten verlopen. Het veldwerk was niet te mechaniseren. „Suikerriet bederft binnen 48 uur. Dus als het rijp was, moest iedereen vol aan de bak om het te kappen. Daarna moest het riet zo snel mogelijk naar de molen om verwerkt te worden. Dat betekende werkdagen van 18 uur, mensen werden totaal afgebeuld. Ze stonden in die rietvelden, tussen de ratten en slangen, op blote voeten tussen die harde, scherpe stengelstompen. De vraag naar suiker in Europa vervijfvoudigde tussen 1600 en 1800, dus werden er juist steeds meer mensen aangevoerd om in de tropische zon dit werk te doen.
Bosma: „Zij vonden dat alle mensen kinderen van God waren en dat het absoluut niet kon dat een deel van die kinderen op deze wijze behandeld werd. De Quakers hadden ook een antikapitalistische houding, zegt Bosma. „Ze vroegen zich af: waarom moeten we een luxeproduct als suiker consumeren? Dat hebben we eigenlijk helemaal niet nodig. En waarom moeten we kleren van door slaven geplukt katoen dragen? Er was namelijk wel degelijk suiker die niet door slaven werd gemaakt; die kwam uit Azië.
Bosma: „Hierdoor kreeg de discussie een extra component. Volgens de Schotse filosoof Adam Smith - bekend van het boek The Wealth of Nations - functioneerde de economie het beste als er sprake was van vrije arbeid en vrije handel. De Industriële Revolutie was inmiddels in volle gang en het groeiende proletariaat in de fabrieken moest van energie worden voorzien, zegt Bosma. „Daarvoor was suiker bijzonder geschikt, vonden de ondernemers: het waren goedkope calorieën.
Ondertussen hadden de rietsuikerplanters er een enorme concurrent bij gekregen: de Duitser Franz Carl Achard slaagde erin goede kristalsuiker uit bieten te maken. Nadat Napoleon verslagen was bij Waterloo bleven deze fabrieken bestaan, zegt Bosma. Suiker was nu geen luxeproduct meer. Mensen moesten suiker consumeren om de industrie aan de gang te houden. Suiker heeft zijn weg gevonden naar frisdrank en bijna al het voedsel. De gevolgen daarvan zijn dramatisch. In de Verenigde Staten is inmiddels 40 procent van de bevolking obees.
De Zoete Lekkernijen van de Islamitische Wereld
Laat je meenemen op een fascinerende ontdekkingsreis door de uitgebreide en smaakvolle geschiedenis van zoetigheden in de weelderige wereld van de Islam, waar ambachtelijke lekkernijen niet alleen voedsel zijn, maar ook intrinsieke culturele symbolen vertegenwoordigen. Eeuwen geleden begon de geschiedenis van zoetigheden in de Islamitische wereld met eenvoudige lekkernijen op basis van dadels en noten. Deze lekkernijen, doordrenkt met natuurlijke zoetheid, werden niet alleen gewaardeerd vanwege hun smaak, maar dienden ook als voedzame energiebron. Het gebruik van dadels als een primair ingrediënt voor zoetigheden weerspiegelt niet alleen de overvloed aan deze vrucht in de regio maar ook de diep verankerde symboliek die ermee verbonden is.
Dadels waren niet slechts een bron van voedingsstoffen, maar werden ook beschouwd als een goddelijke gave, een teken van zegeningen en welwillendheid. De symbolische waarde van dadels weerspiegelde zich in de dagelijkse levensstijl van mensen. Tijdens Ramadan, de heilige vastenmaand, werden dadels vaak geconsumeerd als een manier om het vasten te breken, niet alleen vanwege hun natuurlijke zoetheid maar ook als een traditioneel gebruik dat teruggaat tot de tijd van de Profeet Mohammed (Sallallahu alaihi wa sallam). Deze kleine vruchten dienden als een verkwikkende en voedzame start van de avondmaaltijd, symbool staand voor de dankbaarheid en zegeningen die de vastendag had gebracht. Het samenspel van dadels en noten vormde niet alleen een culinair genot, maar ook een uitdrukking van het belang van evenwichtige voeding.
Tijdens feestelijke gelegenheden zoals bruiloften, Eid, en andere sociale bijeenkomsten, werden dadels vaak gepresenteerd als een teken van gastvrijheid en goede wensen. Het aanbieden van dadels aan gasten werd beschouwd als een eervolle handeling, een gebaar dat diepgeworteld was in de culturele tradities van de Islamitische wereld. De rol van dadels in traditionele snoepjes ging verder dan slechts een culinaire toepassing. De keuze van ingrediënten in deze lekkernijen was doordrongen van betekenis en zorgvuldigheid. Dadels werden vaak gecombineerd met noten, gedroogd fruit en specerijen om heerlijke creaties te vormen. Op deze manier weerspiegelde het gebruik van dadels in traditionele snoepjes niet alleen de culinaire finesse van de samenleving, maar ook de verwevenheid van voedsel met emotionele en spirituele dimensies.
Honing, dat beschouwd wordt als een gouden geschenk van de natuur, heeft al vroeg zijn weg gevonden naar de rijke culinaire tradities van diverse samenlevingen, waar het diende als een veelzijdige zoetstof in uiteenlopende snoepcreaties. De rol van honing ging verder dan alleen het toevoegen van een smaakvolle dimensie aan culinaire creaties; het stond symbool voor overvloed, welvaart en de weelderige gaven van Moeder Natuur. Of het nu ging om de ambachtelijke bereiding van notenpasta’s doordrenkt met de rijke tonen van honing of de bedreven kunst van het bakken van zoete lekkernijen waarbij honing als het centrale element diende, deze natuurlijke zoetstof voegde niet alleen zoetheid toe aan de smaakpapillen maar ook een vleugje magie aan de culinaire tradities.
Binnen de weelderige Ottomaanse keuken kreeg honing een bijzondere en eerbiedige plek. Hier diende het niet alleen als eenvoudige zoetstof, maar ontving het ook een ereplaats als glazuur voor het heerlijke baklava en als verfijnde topping voor verse vruchten. Binnen de met zorg bereide recepten van de Ottomaanse banketbakkers werd honing beschouwd als een kostbaar ingrediënt dat niet alleen de zoetheid versterkte, maar ook een diepere symboliek toevoegde aan de culinaire creaties. Het glazuur van honing op baklava bracht niet alleen een glans van zoetheid, maar vertelde ook een verhaal van rijke tradities en culinair vakmanschap. Zo werd honing niet slechts beschouwd als een element in de Ottomaanse keuken; het was een wezenlijk onderdeel van de culinaire identiteit, een smaakmaker die niet alleen de tong streelde maar ook de ziel beroerde.
De Ottomaanse / Turkse keuken bracht een iconische zoetigheid voort: baklava. Gelaagde dunne deegvellen, gevuld met gehakte noten en besprenkeld met suikersiroop of honing, creëerden een verrukkelijke smaaksensatie. De creatie van baklava was meer dan alleen een culinair proces; het was een ambachtelijke traditie die teruggaat tot de hoogtijdagen van het Ottomaanse Rijk. Wat baklava zo uniek maakte, was niet alleen de combinatie van texturen en smaken, maar ook de kunstzinnige presentatie. De lagen van filodeeg werden met precisie geplaatst, waardoor een visueel indrukwekkend patroon ontstond. Het toevoegen van een rijkelijke dosis gehakte noten, tussen elke laag, gaf een aardse en nootachtige dimensie aan de zoetheid. Baklava ging verder dan slechts een zoete traktatie; het was een culinair meesterwerk dat een symbool werd van genot en gastvrijheid.
Een andere Ottomaanse / Turkse favoriet was Lokum, beter bekend als Turks fruit. Dit zachte, aromatische snoepje, vaak gearomatiseerd met rozenwater, oranjebloesem of andere smaakstoffen, bood een verfijnde zoetheid. Wat Lokum extra bijzonder maakte, was de toevoeging van aromatische smaakstoffen zoals rozenwater of oranjebloesem. Deze toegevoegde aroma’s gaven het snoep een bloemige en exotische dimensie, waardoor het niet alleen een genot voor de smaakpapillen was, maar ook voor de zintuigen. Lokum speelde ook een speciale rol in de gastvrijheidstradities van de Ottomaanse cultuur. Het werd vaak geserveerd aan gasten als een teken van welkom en vriendelijkheid.
De Geur van Heiligheid en Handel
Tot de uitvindingen van Pasteur, heeft men lange tijd gedacht dat ziektes zich via vieze geuren zouden verspreiden. ‘’Zoete lucht was gezond. Door steeds te zorgen dat het om je heen lekker ruikt, dacht men zich te kunnen beschermen tegen ziekte’’, legt Caro uit. Een interessante stelling, vindt Caro: ‘’Dan had je God niet kunnen ruiken, en ook de duivel niet. Je had je zelfs niet kunnen beschermen tegen ziektes’’, besluit ze.
Reuk en religie zijn in de Middeleeuwen nauw met elkaar verbonden omdat geur de taal van God zou zijn. Bovendien is het moeilijk om je op een gebed te concentreren wanneer je een vieze geur ruikt. ‘’Een begeurd gebed werd daarom als een hoger en krachtiger gebed gezien dan bidden in enkel woorden’’, stelt de geurkunsthistorica. Er zijn zelfs mensen in de geur der heiligheid gestorven. Veel paters en zusters deden in die tijd aan ascese, en aten en drinken daarbij niets omdat de ziel belangrijker was dan het lichaam. Hierdoor konden zij suikerziekte krijgen, waardoor hun adem zoet ging ruiken. De adem stond gelijk aan de ziel, dus wie een zoete adem had moest wel heilig zijn… Ook in het leven van Christus speelt geur een belangrijke rol. ‘’Het is bekend dat hij bij zijn geboorte geuren cadeau krijgt, maar veel minder mensen kennen de versie van het bijbelverhaal waarin Maria haar onbevlekte ontvangenis, verwekt wordt door de zoete geur die engel Gabriël verspreidt’’, legt Caro uit.
Tot slot is er het verhaal van Maria Magdalena die Jezus zijn voeten in nardusolie wast. ‘’Nardusolie was voorbestemd voor heiligen, koningen en farao’s. Maria Magdalena zag dus een groot leider in Christus. Daarnaast werden eigenlijk alleen de voeten van doden gezalfd. Zij voorzag dus zijn naderende dood.’’ Voor wie kan ruiken heeft Caro ook de geur van Nardusolie meegenomen. Het blijkt een misvatting dat het in de Middeleeuwen overal stonk. Riolen bestonden nog niet en alle dode dieren werden in de grachten gegooid. Om die reden deed Amsterdam aan stedelijke begeuring. Achter glas staat een grote, delfts-blauwe bloemenpiramide tentoongesteld. ‘’Die stond vroeger vol peperdure tulpen en de mooiste kamer, ver weg van de grachten en het toilet’’, vertelt ze.
Geheel onopvallend staat in een vitrine een bijzonder geurvoorwerp verborgen. ‘’Dit is een pomander, binnenin zitten verschillende vakjes met daarin verschillende geuren zoals kaneel, nootmuskaat en citrus. Het werd gedragen door hoogwaardigheidsbekleders zoals dokters, rechters en advocaten die vaak in stinkende ziekenhuizen en gevangenissen kwamen. Tijdens de rondleiding bespreekt Caro ook nog de geur boodschappen verborgen in kunst. In het schilderij Isaac zegent Jakob van Govert Flinck wordt de blinde vader Isaac om de tuin geleid door middel van geurbedrog.
De Geschiedenis van Peper
Uitdrukkingen als ‘peperduur’ en ‘een gepeperde rekening’ verwijzen naar een tijd waarin het gebruik van peper nog geen gemeengoed was. Inmiddels zijn de zwarte korrels voor iedereen betaalbaar en bestaat er geen keuken meer waar het peper- en zoutstel ontbreekt. De oudste peperbollen zijn op een erg onwaarschijnlijke plek teruggevonden: in de neus van de mummie van farao Ramses II, die zo’n duizend jaar voor Christus leefde. Hoogstwaarschijnlijk waren deze daar geplaatst om de neus intact te houden na het balsemen. De eerste opleving van het gebruik en de handel in peper was in de Romeinse tijd, toen Egypte onderdeel werd van de Romeinse Republiek in 30 voor Christus. Door de overname van belangrijke importhavens ging het Romeinse Rijk een rol spelen in de wereldhandel die in de Arabische wereld, delen van Oost-Afrika en het zuiden van Azië vrij levendig was.
De antieke auteur Plinius de Oudere (23-79 na Chr.) noemt peper maar liefst zo’n vijftig keer in zijn omvangrijke werk Natuurlijke Historie. De import van met name de zwarte peper was voor Romeinse begrippen erg groot. Recent onderzoek wijst uit dat waarschijnlijk ook Romeinen met een modaal inkomen zich dit specerij konden veroorloven. In Rome was niet ver van het amfitheater een horrea piperataria, oftewel een specerijendepot. Peperpot gevonden in Hoxne Village uit ca 410. Dat peper voor de elite een geliefd en veelgebruikt specerij in de keuken was, is duidelijke zichtbaar in het Romeinse kookboek De Re Coquinaria (Over de kookkunst) dat toegeschreven wordt aan Marcus Gavius Apicius (eerste eeuw na Chr.). In het overgrote deel van de recepten wordt peper gebruikt en wordt getipt om gerechten met peper te bestrooien bij het serveren. De zwarte variant is scherper dan de witte, prettiger in de mond, en aromatischer omdat het rijp is.
Na de val van het Romeinse Rijk lijkt peper, net als vele andere exotische kruiden en specerijen, enigszins in onbruik te raken. In de late oudheid hadden slechts de allerrijksten toegang tot specerijen. De Romeinen kenden drie soorten peper: zwarte, witte en lange peper. Plinius vertelt ons over de prijs van peper. Zwarte peper was verkrijgbaar voor 4 denarii per pond, witte peper voor 7 denarii per pond en lange peper voor 15 denarii per pond. Lange peper groeide oorspronkelijk vooral in bossen in het noorden van India, tot aan de voet van de Himalaya.
Al vrij vroeg werd deze piper longum ook in het zuiden van India gecultiveerd. Het groeit daar tegenwoordig nog steeds in het wild en is ook bekend als Bengaalse peper. De productie verspreidde zich onder andere naar Indonesië, waar de peper tegenwoordig ook nog groeit en bekend is als Javaanse peper. Lange peper werd ook in de middeleeuwen gebruikt in Europa, zoals te zien is in recepten uit diverse middeleeuwse kookboeken uit heel Europa. Toch was het ook in deze tijd eerder uitzondering dan regel dat lange peper in de voorraadkast lag. Het culinaire gebruik van lange peper nam na de middeleeuwen sterk af, vooral nadat de VOC zijn intrede deed in de wereldhandel. Met zwarte peper werd meer geld verdiend.
Zoals nagenoeg alle specerijen, kende lange peper zowel medische als culinaire toepassingen. Historische kookboeken bevatten vaak culinaire én medische receptuur. De lange peper heeft de typische pit van de zwarte peper, maar veel meer aroma. Een aroma van kaneel, anijs en zoethout maakt hem geschikt voor hartige gerechten, maar ook voor zoete gerechten. Het waren in de late oudheid en vroege middeleeuwen de Arabieren die de kostbare producten uit Azië haalden en afleverden bij handelsposten in de Levant (over zee) en aan de Zwarte Zee (over land). Bij deze handelsposten namen de Byzantijnen van de negende tot en met de twaalfde eeuw de specerijen aan van de Arabieren en beheersten de specerijenhandel in het Middellands Zeegebied. Deze rol werd in de dertiende eeuw overgenomen door Italiaanse steden, met als koplopers Venetië en Genua.
Paus en Europese wereldlijk leiders voerden, ondanks door hen zelf ingestelde handelsverboden, een gedoogbeleid voor handel met moslims. Gewin en toegang tot luxe producten zoals pepersoorten bleken belangrijker dan het religieus gelijk. Wanneer we kijken naar recepten uit de middeleeuwse keuken van de elite, zou je niet zeggen dat specerijen zo duur waren. De middeleeuwse Europese keuken staat bekend om overdadig gebruik van specerijen. In enkele adellijke huizen werd er per maand net zo veel aan peper uitgegeven als aan vers vlees. En nee, specerijen zoals peper werden niet gebruikt om de smaak van bedorven vlees te maskeren. En wel om de doodeenvoudige reden dat iemand die zich in de middeleeuwen specerijen kon veroorloven, zeer zeker de beschikbaarheid over vers vlees had.
Specerijen hebben wel een licht conserverende werking, maar dat was niet de belangrijkste reden dat ze zo veelvuldig gebruikt werden. Specerijen stonden voor stijl, welgemanierdheid en prestige. Ze waren een statussymbool waarmee je je van andere sociale klasse onderscheidde. Het overdreven gebruik ervan doet vermoeden dat dit de belangrijkste reden is voor het gebruik van specerijen. De plant van de staartpeper heeft witte bloemetjes en zwarte vruchtjes. De vruchtjes worden in de zomer geplukt en in de zon gedroogd. De staartpeper kende zijn hoogtijdagen vooral in de middeleeuwen.
De smaak van staartpeper is wat milder in pittigheid dan zwarte peper en heeft frisse citrustonen. De prijs van peper en andere specerijen fluctueerde sterk in de middeleeuwen. Het verlangen naar de kostbare specerijen was een belangrijke stimulans voor ontdekkingsreizen vanaf de vijftiende eeuw. De Portugezen wisten dat met specerijenhandel veel geld te verdienen was en zochten een manier om de Venetianen, die de handel domineerden in Europa, de pas af te snijden. In de vroege zestiende eeuw ontdekte Vasco da Gama de route naar India. De Portugezen baanden zich met geweld een weg naar eilanden en plaatsen waar de specerijen hun oorsprong hebben.
De VOC handelde nog maar mondjesmaat in lange peper en staartpeper. Een inventarisatie van scheepsladingen van de VOC geeft hier een goed beeld van. In de gehele achttiende eeuw werd er zo’n 135.000 pond lange peper ingevoerd en 119.000 pond staartpeper. In recepten uit de zeventiende en achttiende eeuw neemt de verscheidenheid aan specerijen duidelijk af. Zwarte peper krijgt een dominante plek in de keuken van zowel de elite als gegoede burgerij. Zwarte peper of piper nigrum is een plant die van oorsprong van de kustregio Malabar komt, in zuidwest India.
labels:
Zie ook:
- Courgette Zoete Aardappel Soep: Gezond & Smaakvol!
- Vegetarisch Recept met Zoete Aardappel: Gezond & Heerlijk!
- Vegetarisch Recept met Pompoen & Zoete Aardappel: Heerlijk & gezond!
- Ontdek de Leukste Lunchideeën voor Kinderen: Creatieve & Gezonde Recepten die Ze Willen Proeven!
- Ontdek Waarom Koffie bij Teun de Favoriete Koffiebar in Breda Is!




