Wanneer iemand een levensbeperkende ziekte of kwetsbaarheid heeft, wordt palliatieve zorg geboden. Deze zorg start vanaf het moment dat bekend is dat genezing niet meer mogelijk is. De periode waarin palliatieve zorg wordt gegeven, kan lang maar ook kort zijn. Dat hangt af van de onderliggende ziekte of kwetsbaarheid en de fase waarin de persoon zich bevindt. Kwaliteit van leven en de wensen en behoeften van de patiënt staan in deze fasen altijd voorop.

1. De Palliatieve Fases

Palliatieve zorg kent verschillende fases. Deze zijn niet afgebakend. Vaak lopen deze fasen tegelijkertijd naast elkaar en door elkaar heen. Toch zijn er grofweg fases te onderscheiden:

  • Ziektegerichte palliatieve fase: De ziekte wordt behandeld zonder dat genezing mogelijk is. Het doel is om de ziekte zo lang mogelijk te remmen, of stil te laten staan, en de gevolgen van de ziekte beperkt te houden.
  • Symptoomgerichte palliatieve fase: De ziekte gaat verder en er ontstaan mogelijk meer klachten. Er wordt geen behandeling meer gegeven om de ziekte te remmen maar wel om de gevolgen (de symptomen) van de ziekte zo veel mogelijk te beperken of te verlichten. Ook voeding en vocht krijgt dan een andere rol.
  • De terminale symptoomgerichte palliatieve fase: In deze fase, ongeveer de laatste 3 maanden voor het overlijden, wordt symptoomverlichting steeds belangrijker en verandert de focus van de zorg verder richting het naderende sterven. Soms moeten er belangrijke beslissingen genomen worden ten aanzien van voeding en vocht.
  • De stervensfase: Deze fase sluit de terminale fase af. Dan verschuift de aandacht van kwaliteit van leven naar kwaliteit van sterven. Deze fase duurt meestal slechts enkele uren tot dagen, tot het overlijden.

In deze brochure wordt vooral uitleg gegeven over de rol van voeding en vocht in de (terminale) symptoomgerichte palliatieve fase en de stervensfase. Voor informatie, ondersteuning en brochures over voeding en vocht in de ziektegerichte palliatieve fase wordt verwezen naar de afdeling diëtetiek.

De arts/Verpleegkundig Specialist (VS)/Physician Assistant (PA) kan een verwijzing naar een diëtist verzorgen.

Ziektegerichte Fase

In deze fase vindt er vaak behandeling plaats om de ziekte te remmen en de gevolgen van de ziekte te beperken. Dit kunnen onder andere operaties en chemotherapie behandelingen zijn. Voeding en vocht zijn een belangrijk onderdeel voor het behoud van conditie en kracht om deze behandelingen aan te kunnen en zoveel mogelijk energie te hebben voor het dagelijks leven. Naast eten en drinken is bewegen en voldoende rust net zo belangrijk.

Wanneer er problemen zijn op het gebied van voeding, denk hierbij aan misselijkheid, droge mond e.d., dan kan een arts/VS/PA dit mogelijk behandelen. Daarnaast kan een diëtist ingeschakeld worden om adviezen en begeleiding te geven. Het voorschrijven van drink- en/of sondevoeding kan hiervan een onderdeel zijn. De arts/VS/PA kan een verwijzing naar een diëtist verzorgen.

(terminale) Symptoomgerichte Fase

In de (terminale) symptoomgerichte fase wordt er geen behandeling gegeven om de ziekte te remmen, maar zijn er wel behandelingen om de gevolgen (de symptomen) van de ziekte zo veel mogelijk te beperken of te verlichten. Dit kunnen therapieën zijn, medicijnen of aanpassen van eet- en drinkgedrag. Omdat de focus van de behandeling verandert, krijgen voeding en vocht ook een andere betekenis. Dat is een verandering die voor iedereen wennen is. Voeding en vocht zijn niet meer van betekenis om de ziekte te bestrijden.

Eten en drinken staan nu in het teken van afstemmen wat iemand wil en kan, gericht op het behouden of verbeteren op de kwaliteit van leven en welbevinden. Hierbij is het sociale onderdeel van eten en drinken uiteraard belangrijk. Eten hoeft niet meer als ‘moeten’ te worden gezien, maar als iets waarvan genoten mag worden. In deze fase is het belangrijk naasten te betrekken en samen tot ideeën en plannen te komen.

Het gebruik van bijvoeding, zoals verrijkte drinkvoeding of andere voedingssupplementen, zijn mogelijk wanneer deze bijdragen aan het welbevinden. Wanneer het eten en drinken van deze producten tegen staat, is het prima ze niet meer te gebruiken. Zeker wanneer het in de weg staat van genieten van ander eten en drinken waar naar uit gekeken wordt of meer smaak en een fijne beleving geeft.

De zorg van de arts/VS/PA en de diëtist gaat uit naar de wensen en behoeften die er zijn. Belangrijker is dat de smaak, de frequentie van eten, de portiegrootte en de vorm van de voeding is afgestemd op de beleving en de tolerantie van de patiënt. Alleen maar eten en drinken wat en wanneer men wenst, niet omdat het moet. Er zal geen nadruk liggen op gewicht, spiermassa en of dat de juiste voedingsstoffen in het dieet aanwezig zijn.

De Stervensfase

De stervensfase sluit de terminale symptoomgerichte palliatieve fase af. In de stervensfase kondigt het overlijden zich onherroepelijk aan en sterft iemand binnen enkele uren tot dagen. In de stervensfase is inname van voeding en vocht geen prioriteit en zal dit geheel vanzelf stoppen of gestopt worden.

In de stervensfase moet eten, drinken en toedienen van vocht afgestemd worden op de afnemende lichaamsfuncties. Wanneer het lichaam aan het sterven is, gaan de organen steeds minder goed werken. De spijsvertering schakelt langzaam uit en het lichaam kan steeds minder goed voedsel verteren.

Het is belangrijk om te weten dat iemand in de stervensfase niet doodgaat omdat er niet gegeten of gedronken wordt. Diegene verliest geleidelijk aan zijn interesse in eten en drinken en houdt er op enig moment ook spontaan mee op. Dit is een natuurlijk proces.

Indien er nog gebruikt gemaakt wordt van kunstmatig toegediende voeding, zal dit gestopt worden. Het stoppen van deze kunstmatig toegediende voeding kan al in de terminale symptoomgerichte fase plaatsvinden. Dit zijn ongeveer de laatste 3 maanden voordat iemand komt te overlijden. Het kan zijn dat deze voeding gestopt wordt, maar dat iemand wel in staat is om te drinken. Daardoor kan het zijn dat iemand nog een periode in leven blijft door alleen elke dag wat vocht binnen te krijgen.

2. Algemene Symptomen en Veranderingen in de (terminale) Symptoomgerichte Palliatieve Fase

Veel voorkomende symptomen en veranderingen in de (terminale) symptoomgerichte palliatieve fase, die voor een deel te maken hebben met voeding en vocht, zijn; gewichtsverlies, spierzwakte, gewichtstoename, pijn, benauwdheid, vermoeidheid, gebruik van voedingssupplementen, omgang met voeding en vocht, verandering in de sociale beleving en de betekenis van eten en drinken.

Afhankelijk van de palliatieve fase waarin iemand zich bevindt kunnen symptomen en veranderingen beïnvloed of geaccepteerd worden. De arts/VS/PA of diëtist zal dit bespreekbaar maken. Het kan ook zelf bespreekbaar gemaakt worden. Blijf niet met vragen zitten, uitleg en/of behandeling kan de kwaliteit van leven verbeteren.

Gewichtsverlies

Gewichtsverlies komt vaker voor dan gewichtstoename. Gewichtsverlies kan door verschillende oorzaken komen, zoals door gebrek aan eetlust, problemen van de mond, keel, slokdarm of maag en darmen. Het komt ook door de ziekte zelf omdat er veranderingen in de stofwisseling optreden. Uiteraard kan het ook een gevolg zijn van de behandeling (zoals een operatie of chemotherapie) of door het gebruik van medicijnen.

Het lukt niet altijd om het afvallen te stoppen, of om zelfs weer aan te komen in gewicht. Het is dan van belang dat eten en drinken geen opgave is, of wordt. Vraag een verwijzing naar een diëtist voor hulp en begeleiding hierbij.

Spierzwakte

In combinatie met gewichtsverlies ontstaat er vaak ook spierzwakte. De spieren nemen in omvang en kracht af. Hiermee wordt ook verlies van conditie ervaren. De combinatie van gewichtsverlies en spierzwakte kan dagelijkse bezigheden moeilijker maken.

Wanneer er een fors gewichtsverlies met spierzwakte is wordt dat het ‘cachexie syndroom’ genoemd en dit is onomkeerbaar. Dan is er meestal ook een tekort aan vitamines en mineralen. Dit syndroom wordt regelmatig gezien in de terminale- en stervensfase.

Gewichtstoename

Gewichtstoename in de palliatieve fasen komt niet vaak voor. Wanneer het ontstaat kan dat komen door behandelingen van een ziekte (chemotherapie, hormoontherapie, operaties), door ziekte zelf (vochtophoping onder de huid of in de buik) en door minder lichaamsbeweging. Natuurlijk kan het ook ontstaan door teveel en te calorierijk eten, zeker wanneer er meer trek is of juist een verminderde verzadigingsprikkel, bijvoorbeeld bij het gebruik van bepaalde medicijnen.

Sommige behandelingen tegen kanker kunnen ‘sarcopene obesitas’ veroorzaken; een vorm van ondervoeding waarbij er verlies van spiermassa en spierkracht ontstaat en een toename van vetmassa zorgt voor overgewicht. Waardoor dit precies gebeurt is niet duidelijk. Het lijkt erop dat er verschillende factoren een rol spelen.

Wanneer de gewichtstoename onwenselijk is, bespreek dit dan met de arts/VS/PA of diëtist.

Pijn, Benauwdheid en Vermoeidheid

Door pijn, benauwdheid en vermoeidheid kan eten en drinken een opgave zijn. Bij deze klachten is er vaak minder zin in eten. In het geval van pijn en benauwdheid kan behandeling van die klacht helpen om daarna weer beter te kunnen eten en drinken. Vermoeidheid kan zorgen voor verminderde eetlust maar ook voor beperkingen in het voorbereiden van maaltijden en het halen van boodschappen. Bespreek de klachten die eten en drinken in de weg staan met de arts/VS/PA.

Omgang met Voeding en Vocht, Verandering in de Sociale Beleving en de Betekenis van Eten en Drinken

De last die zieke en kwetsbare mensen kunnen ervaren op lichamelijk, emotioneel, sociaal, praktisch en levensbeschouwelijk gebied, wordt samengevat in de term distress.

Voeding kan ook bijdragen aan distress. Dat komt vooral doordat over het algemeen voldoende, smakelijk en goed kunnen eten wordt gezien als een voorwaarde voor leven, gezondheid en beter worden en een eigen verantwoordelijkheid daarvoor. Onbedoeld gewichtsverlies maakt de ziekte meer zichtbaar en confronterend. Dat maakt dat zieke mensen, en de naaste die voor het eten zorgt, vaak gefixeerd zijn op voeding, zelf iets willen doen en met eten en drinken willen werken aan een mogelijk herstel van gezondheid. Als goed eten dan niet lukt, kan dat bij beiden voor onzekerheid, spanning, irritatie en angst zorgen.

Voeding is daarnaast niet alleen een bron van voedingsstoffen, maar heeft ook een belangrijke sociale functie: men eet en drinkt graag samen met anderen. Samen eten is voor veel mensen een van de hoogtepunten van de dag. Samen de dag beginnen, samen de dag doornemen. Als niet meer op de gebruikelijke manier gezamenlijk kan worden gegeten, omdat iemand bijvoorbeeld aangewezen is op sondevoeding, heeft dat gevolgen voor de gezinssituatie en sociale contacten.

Smaak en genieten van lekker eten en drinken leveren ook een belangrijke bijdrage aan de kwaliteit van leven. Als voedingsmiddelen en maaltijden voornamelijk tegenzin oproepen of helemaal niet meer kunnen worden gebruikt, kunnen momenten van genieten veranderen in stressvolle situaties.

Opknappen door voeding is alleen mogelijk als de ziekte en de levensfase dat toelaat. Wanneer de ziekte heel actief is, kan het lichaam niet opknappen door goede voeding. De ziekte is, of wordt, de baas en gaat overheersen, daar kan goede voeding niets aan veranderen. Dat klachten toenemen ligt niet aan de persoon die ziek is, ook niet aan de manier waarop anderen voor de zieke zorgen en ook niet aan de naasten.

Klachten en symptomen zijn uitingen van de ziekte die zich verder ontwikkeld. Het lichaam is zo bezig met de ziekte, dat eten en drinken en speciale voeding (bijvoeding en kunstmatig toegediende voeding) meer kwaad dan goed gaan doen, meer een last vormen dan dat het een positief effect kan hebben. De voedingstoestand is dan geen doel op zich, symptomen bestrijden en comfort worden het belangrijkste. Dit kan betekenen dat minder eten, anders eten en zelfs stoppen met eten (of stoppen met het toedienen van kunstmatige voeding), beter is dan doorgaan met eten.

"Vooral in de laatste levensfase is het goed om van elkaar te weten welke opvattingen en gedachten er zijn over voeding en vocht. Uit onderzoek blijkt dat diegene die ziek zijn zich geen tot weinig zorgen maken over minder eten en drinken. Zij hebben vrede met hun eigen verklaringen voor de verminderde inname, zoals gebrek aan eetlust, geen zin in eten, eten niet kunnen verdragen, geen energie hebben om te eten, geen of juist een vieze smaak, of misselijkheid/slikproblemen. Sommige geven ook aan dat zij eten en drinken als zinloos ervaren, aangezien de laatste levensfase en daarmee hun sterven nabij is.

Naasten laten weten eten en drinken juist wel belangrijk te vinden voor de zieke, omdat het routine geeft aan het leven, een sociaal samenzijn is en vanwege de voedingswaarde. Minder of niet meer eten en drinken is een grote verandering voor de naasten. Zij reageren dan ook verschillend op deze verandering. Sommigen accepteren de veranderingen en volgen de patiënt in wat voor diegene belangrijk is en kwaliteit van leven geeft. Anderen willen dat de zieke blijft eten en drinken en zien het als een onderdeel van ‘het gevecht’ tegen de ziekte en de dood.

Wat belangrijk lijkt te zijn, is dat de zieke en de naasten hun gedachten, wensen en angsten met elkaar bespreken. Dit kan rust geven en een dagelijkse strijd voorkomen. Het kan zelfs het gesprek over het naderende einde van het leven verbeteren."

(Raijmakers, N. Vocht en voeding in de laatste levensfase: verminderde orale inname is een belangrijke verandering voor naasten. Pallium: 2013, 15(5), 22-23)

3. Specifieke Symptomen en Veranderingen

In de palliatieve fasen kunnen veranderingen en symptomen optreden. Soms is het mogelijk specifieke veranderingen en symptomen te beïnvloeden met aanpassingen in het eten en drinken. Anders omgaan met het dagelijkse ritme, of andere voedingsmiddelen proberen, kan een positief effect hebben. Dit vraagt ook om anders denken over voeding en de doelen van eten en drinken. Niet alleen van diegene die ziek of kwetsbaar is maar ook van de naasten.

Eetlust

Een gebrek aan eetlust kan komen door behandelingen of het gebruik van medicijnen. Dit komt nogal eens voor in de ziektegerichte palliatieve fase. Het kan ook een gevolg zijn van mondproblemen, verandering van smaak en reuk, vermoeidheid, pijn of mentale spanning. Verminderde eetlust, snel een vol gevoel hebben en afkeer van eten en drinken komt ook voor wanneer de ziekte verder gaat en het lichaam steeds meer overneemt. Dit komt vooral voor in de (terminale) symptoomgerichte palliatieve fase. Het maagdarmkanaal kan het eten minder goed verwerken en opnemen. Eten en drinken vraagt dan meer energie om te verwerken dan dat het energie oplevert. Het lichaam geeft dan zelf aan dat het geen behoefte heeft aan eten en drinken. Tips over eten en drinken bij een verminderde eetlust staan in bijlage 1.

Het is vooral goed om uit te proberen wat helpt.

Bewust Afzien van Eten en Drinken

Steeds minder kunnen of willen eten is normaal in de laatste weken van het leven. Dit hoort bij het stervensproces. Vooral voor naasten kan het moeilijk zijn. Mijn dierbare eet of drinkt (bijna) niet meer. Mijn dierbare heeft misschien dorst. In de allerlaatste levensfase werken de organen steeds minder goed. Ze houden er langzaam mee op. Ook de maag en de darmen werken steeds minder, waardoor voedsel niet goed verteerd wordt. Dit hoort bij het stervensproces. De patiënt hoeft minder vaak naar de wc. Medische drinkvoeding, vitamine- of eiwitpreparaten en voedingssupplementen zijn niet geschikt in de allerlaatste levensfase. Als de patiënt deze toch krijgt, dan doen ze meer kwaad dan goed. Kreeg de patiënt eten en drinken via een sonde of infuus? Dan wordt dit in de allerlaatste levensfase verminderd en gestopt. Want ook voor kunstmatige voeding geldt: de organen kunnen de voeding niet meer verwerken.

Mijn dierbare eet of drinkt (bijna) niet meer. Je vindt het misschien moeilijk dat je dierbare weinig eet en drinkt, of helemaal niet meer eet of drinkt. Dat is begrijpelijk. Goed eten wordt gezien als normaal en gezond. Meestal is het nodig om beter te worden of op te knappen. Dat idee laat je niet zomaar los. Maar er is meer. Toch is het belangrijk om te beseffen dat het normaal is dat iemand niet meer eet en drinkt in de laatste weken van het leven. En dat er andere manieren zijn om je naaste nog liefdevol te verzorgen. Als je dierbare steeds minder gaat eten, terwijl jij of je familieleden vinden dat dat wel zou moeten, kan dat spanning geven. Je ziet dat alles achteruitgaat, zonder dat je daar iets aan kunt doen. Dat kan zorgen voor gevoelens of gedachten die lastig zijn. Tip: bespreek je zorgen en gevoelens over eten en drinken met de (huis)arts, palliatieve verpleegkundige of met een diëtist.

Eet je dierbare af en toe nog een beetje? Bedenk of vraag wat je dierbare lekker vindt. Of probeer samen iets uit. Weet dat iemand in de laatste levensfase het ene moment zin kan hebben in iets en het volgende moment is dat weer weg. Verwacht dus niet dat alles opgaat: het kan zijn dat er niets gegeten wordt of dat één hapje al genoeg is. Wil je dierbare niet meer eten en drinken? Dring je dierbare dan geen eten of drinken op. Je kunt ervoor kiezen om helemaal niet meer met eten en drinken bezig te zijn. Soms kan of wil iemand niet meer eten, maar bijvoorbeeld wel samen aan tafel zitten. Als eten niet meer kan, kun je ook op andere manieren zorgen voor je dierbare. Samen zijn is belangrijk. Je kunt samen foto’s bekijken, herinneringen ophalen of naar een tv-programma kijken. Zorg voor ontspanning.

Mijn dierbare heeft misschien dorst. In de laatste weken van het leven voelt de patiënt meestal geen honger meer. Bij een dorstgevoel helpt het om de mond vochtig te houden. Swabs gebruiken. Dit zijn kleine sponsjes op een stokje, vochtig gemaakt met water. Ze zijn te koop bij de apotheek. Met een verstuiver (gevuld met water) de mond vochtig sprayen. Om het moment van sterven te bespoedigen, kan een ernstig zieke er bewust voor kiezen met eten en drinken te stoppen. Door het lichaam vocht en voedsel te onthouden, gaat het lichaam de eigen reserves aanspreken.

Hoe Lang Zonder Eten?

Afhankelijk van de conditie, sterft iemand doorgaans binnen één à twee weken. Als hij af en toe nog wat water drinkt, kan het iets langer duren (meerdere weken). Veel mensen hebben een negatief idee over deze manier van sterven. Als dit proces echter gepaard gaat met goede begeleiding en verzorging, kan het tot een rustige en zachte dood leiden. Dat heeft het menselijk lichaam grotendeels aan zichzelf te danken: door te vasten maakt het endorfine aan. Dit zorgt voor een prettig gevoel. Op den duur komt daar een zekere sufheid bij.

Het besluit om het levenseinde te bespoedigen door te stoppen met eten en drinken, kan niet zomaar worden genomen. Het vraagt om een goede voorbereiding en ondersteuning van zorgverleners. Anders is de kans dat de zieke het doel - rustig sterven - haalt, niet zo groot. De voorbereiding kan bestaan uit een gesprek met de naasten en de huisarts of het invullen van een wilsverklaring. Als het sterven nabij is, kan de zieke onrustig of verward gedrag gaan vertonen. De situatie wordt, met name voor een naaste, erg moeilijk als de zieke juist in die periode om drinken vraagt. Geef je hem te drinken, dan slaagt zijn voornemen niet. Geef je hem geen drinken, dan is het risico op een schuldgevoel bij de naaste nogal groot. Begeleiding bij dit proces is daarom van belang.

Casus Emiel:

Emiel besloot het initiatief te nemen om zijn sterven te bespoedigen. Hij ging op bed liggen en weigerde alle hapjes en drankjes die werden langsgebracht. Dat gaf paniek in het verpleeghuis. Hij had zo goed toneel gespeeld en met niemand over zijn doodswens gesproken, zodat niemand er iets van had gemerkt. Huisarts en directie gingen opnieuw samen in gesprek. Een week later was het zo ver.

Voorbeeld van een dagboek tijdens het proces:

  • Dag 2: Vandaag in totaal nog anderhalve kop water gedronken.
  • Dag 3: Hij gebruikt elk uur een handvernevelaar (kleine plantenspuit) met water om de mond te bevochtigen: met 3 pufjes krijgt hij ± 2 cc water binnen. Verder drinkt hij niets.
  • Dag 4: Dorst is draaglijk.
  • Dag 5: Ligt nu steeds op bed, gaat nog wel naar toilet.
  • Dag 7: Afgelopen nacht is hij bij toiletbezoek gevallen en gemeen op zijn rug terechtgekomen. De huisarts dient een pijnstiller als zetpil toe (de verpleging weigert dit) maar de pijn blijft. Meneer kijkt helder uit zijn ogen maar is nog slechter verstaanbaar. Hij wil echter niets drinken en gebruikt de vernevelaar spaarzaam.
  • Dag 8: Als de huisarts langs komt vraagt Emiel om nu in slaap gebracht te worden: ‘Ik heb nu toch wel duidelijk gemaakt dat het mij menens is. dat ik niets meer zal drinken. Ik heb nog steeds pijn in de rug.’ De huisarts wilde nog geen Dormicum of morfine geven maar daarover eerst overleggen.
  • Dag 9: Emiel spreekt niet meer maar herkent de vertrouwde bezoeker.
  • Dag 10: Hij is niet meer wekbaar.

Tabel: Tijdsduur Zonder Eten en Drinken

Factor Tijdsduur Opmerkingen
Zonder eten, met drinken 46-73 dagen Afhankelijk van lichaamsvet
Zonder eten en drinken 1-2 weken Gemiddeld, afhankelijk van conditie
Zonder eten, af en toe water Meerdere weken Verlengt het proces

Belangrijke Overwegingen

  • Als u niet eet, verdwijnt uw hongergevoel na enkele dagen. Meestal heeft u geen dorst. Het is wel belangrijk om uw mond goed te verzorgen.
  • U wordt vermoeider en zwakker, en u gaat steeds meer tijd in bed doorbrengen. Omdat u steeds in bed ligt, kunt u soms pijnklachten krijgen. Ook kunt u verward raken (delier). Door uw verwardheid kunt u toch om eten en drinken vragen.
  • Voor het stoppen met drinken bestaat geen algemeen advies. Sommige mensen willen van de ene op de andere dag direct stoppen met drinken. Hoe lang het duurt voordat u overlijdt, hangt af van uw lichamelijke toestand en van de hoeveelheid die u mogelijk nog drinkt. U heeft zelf ook enige invloed op de tijdsduur. Als u besluit om toch iets te drinken (meer dan een half kopje per dag), dan kunt u hiermee het proces vertragen.
  • In overleg met uw arts stopt u met het innemen van uw medicijnen. U blijft wel de medicijnen gebruiken die bedoeld zijn om uw klachten te verlichten. U bent de enige die dit besluit kan nemen. Als uw besluit genomen is, mag u hier altijd op terugkomen. Dit gebeurt in de praktijk bij 1 op de 6 mensen.
  • Het is belangrijk dat u uw wensen bespreekt met uw naasten, de arts en de verpleegkundige, mocht u zelf niet meer in staat zijn om uw wensen te verwoorden. Ook kunt u deze wensen op papier zetten in een wilsverklaring. Als u aangeeft geen hulp te willen in de vorm van het toedienen van vocht of voeding, dan mag de verpleegkundige dit ook niet geven.
  • Bewust afzien van eten en drinken geeft een natuurlijke dood. Verder kan het voor uw familie een tijd zijn om met elkaar afscheid van u te nemen. Het versnellen van het levenseinde door te stoppen met eten en drinken raden we af voor mensen die jonger zijn dan 60 jaar en geen levensbedreigende ziekte hebben.

labels:

Zie ook: