In het HCO-archief in Zwolle bevinden zich interessante stukken uit 1556 over de visserij in de Zuidoosthoek van de Zuiderzee in de eerste helft van de 16e eeuw. Het zijn de persoonlijke verhalen van Hollandse waterschippers die daar visten, en vertelden waar, wanneer en hoe ze er visten. Die zijn des te interessanter omdat in de literatuur over de Zuiderzeevisserij van hen niet veel bekend is.
Conflicten tussen Hollandse en Overijsselse Vissers
Ze vertellen in processen verbaal met name over de conflicten met de lokale vissers en de bestuurders in Overijssel, die het als hun oude exclusieve recht beschouwden om dit gedeelte van de zee op de geliefde zoetwatervis te mogen vissen. Op 13 september 1555 klaagde Johan Sloet, drost - rechterlijk ambtenaar - van Vollenhove, dat Hollandse waterschippers nog dagelijks binnen het afgebakende viswater van Overijssel kwamen drijven en vissen, en zelfs het voornemen hadden om de Overijsselse schepen bij nacht te overrompelen en in de grond te zeilen; ja, zij waren zelfs met geschut en andere wapenen voorzien.
En dit terwijl de buiten grenzen of limieten van dit zoete viswater nog in 1534 met Holland waren overeengekomen op basis van een kaart van de limieten van Overijssel in de zuidwesthoek van Overijssel. Met advies van kanselier en raden stelde Sloet daarom aan Kampen voor, om enkele schepen met geschut in te zetten, wat men ook in Vollenhove en Kuinre doen wilde.
De Zaak van Tyman Jacobszoon
In het begin van het jaar 1556 liet hij het waterschip van de 42 jarige Amsterdamse visser Tyman Jacobszoon opbrengen naar de Swarte Sluijs en daar aan de ketting leggen. Al vanaf 1526, als jongen van twaalf, had Tyman als knecht gevaren op de waterschuit van zijn vader. Die viste toen met een kuilnet nabij Urk, Ens, Enkhuizen en onder Friesland. Soms ook voor Vollenhove en omgeving, maar dat zelden.
Toen vader Jacob in 1537 de nering had verlaten had Tyman als zelfstandig schipper met zijn broers het bedrijf voortgezet en was meer onder de kusten van Overijssel gaan vissen waaronder de laatste veertien jaar ook in het Zwartewater, net evenals veel andere Hollandse waterschippers overigens. En nooit waren ze daarbij gehinderd. Behalve een jaar of vier vijf geleden. Toen waren er Overijsselaars aan boord geklommen en hadden een deel van zijn vis in beslag genomen omdat die binnen ‘een quartier myls tlandt‘ - d.i. 154 meter - vanaf de kust Overijssel was gevangen.
Daarbinnen als niet gerechtigde te vissen zou in strijd zijn met een eerder besluit van keizer Karel V van 18 januari 1545, wat nog eens bevestigd was in Brussel op 4 februari 1547. En nu lag zijn schip nog steeds in Zwartsluis, en moest Tyman wachten op een rechterlijke uitspraak, want de vertegenwoordiger van de steden en dorpen van Holland had de problematiek rond dit en vergelijkbare visserijconflicten voorgelegd aan de Geheime Raad.
Het Proces van 1556
Toen begon het ‘processe tusschen die ridderschap ende steden slandts van Overijssel contra die steden ende vlecken van Hollant, gelegen op de Zuyderzee’. Dertig getuigen, waarvan achtentwintig waterschippers, waaronder Tyman zelf, werden in de ‘enquêste’ gehoord. Deze waterschipper-eigenaars vertelden in de opgestelde proces verbalen over hun werkwijze en belevenissen als visser.
Ze kwamen van de west- en zuidwal: in Bunschoten (7x), Uitdam - tussen Monikkendam en Ransdorp - (5x), Amsterdam (6x), Marken (2x), Spaarndam en Spaarnwoude (2x + 1x), Naarden (2x), Muiden (1x) en in Katwoude buiten Monnikendam (1x). ‘t Waren al wat oudere mannen, tussen de 40 en 79 jaar en gemiddeld rond de 60. De oudste, Jan Dircxzoon uit Marken, voer al sinds 1489 op een waterschip, in ‘t begin - net zoals de meesten - nog als knecht.
Visserijpraktijken en Gebieden
In de tijd van George Schenck van Toutenburg, van 1502 tot 1521 drost van Vollenhove, visten de Hollandse waterschippers ongehinderd aan de Overijsselse kust, behalve ten tijde van de Vollenhoofse steurvangst van 1 mei tot 25 juli. Ze waren, zo blijkt uit de verhoren, ook na 1534 onverstoorbaar de limieten blijven overschrijden.
In Holland was de bevolking in de 16e eeuw snel gestegen en daarmee was - mede door de voortgaande verzilting van de Zuiderzee en de aanliggende Hollandse wateren - ook de locale beschikbaarheid van zoetwatervis snel afgenomen. Uit de verklaringen van de waterschippers in 1556 blijkt dat ze al in de tweede helft van de 15e eeuw in dit zoete gedeelte van de zee actief waren.
Ze visten zo dicht mogelijk onder de kusten tussen Elburg, de Kamperzanden, het Zwartewater (sommige visers visten daarin echter niet), Vollenhove tot ‘Noorderlant’ - aangegeven op de kaart van sGrooten - en de klif bij Staveren aan de Friese kust bij ‘Marderlant’ [soms is ook sprake van Marderlant of Noorderlant: de kuststrook tussen Sloten en Balk], ‘Tahezyle’ (Tacozijl) en rond de eilanden ‘Hornesse’ - gelegen voor de kust van Lemmer en in 1520 verzwolgen -, Urk en Ens (tot aan de Kamper zanden) en Emmeloord.
De locale vissers die door de Hollandse visserij benadeeld werden en al eeuwenlang hun vaste netten langs de kusten en de eilanden zetten beriepen zich op territoriale visrechten. Daarom waagde waterschipper Jacob Gerritszoon (66 jr) uit Uitdam zich - net als vroeger zijn vader - niet tussen Kuinre en Vollenhove omdat ze meenden dat men hen dat op de een of andere manier zou beletten. Jacob was in 1473 al als twaalfjarige jongen op zijn vader’s schip gekomen.
Ze zeilden in ‘de wateren … van ‘Emeloirt’ af naar Kuinre en zo verder langs de kusten van Friesland naar Noorderlant en de klif bij Staveren en verder tussen Urk en Ens, omdat ze dachten daar de beste en meeste vis te zullen vinden.’ Deze hoek van de Zuiderzee was zoals gezegd relatief zoet. Nog tot 1560 werd in het gebied van de latere Noordoostpolder geen Zuiderzeesediment op de bodem afgezet.
Spieringvisserij in de IJssel
De rivierendelta was ook een geschikte plek om optrekkende scholen spiering te verschalken. Spiering kwam in vrijwel de hele Zuiderzee voor, maar plantte zich voort in de minst zoute gedeelten en trok daartoe in het voorjaar de IJssel op om te paaien. Het vrouwtje legde tussen 8.000 en 50.000 eitjes die vastgezet werden op de bodem en waterplanten.
De paaitijd was in maart, afhankelijk van de watertemperatuur en voor oudere spieringen wat vroeger. Daarvóór, van oktober tot januari was de spiering op z’n dikst en best. Ze moesten levend gevangen en gehouden worden omdat ze snel konden bederven.
Veranderingen in de Visserij
De 70-jarige Jacob Willems uit Purmerend, alias Oude Henneken, wist dat - toen hij in 1500 als knecht op een waterschip aanmonsterde - men in Bunschoten en Harderwyck nog geen waterschip had, terwijl er nu in Bunschoten wel 18 à 19 en in Harderwijk wel 8 of 9 waren. Ze zeilden daar met ‘tocheners’, tochtschuiten die geen waterruim in ’t schip hadden, waarmee ze met sleepnetten veel nabij Elburg, Ens en Urk visten en ook soms binnen ‘d’eylant van Ens ende Emeloirt’, maar daar niet vaak omdat ze om hun vissen te conserveren ‘begeirden altyt des avonts thuys te wesen’.
Helmich Janszoon (44 jr) uit Bunschoten viste ‘overal in de Zuiderzee waar hij het best meende te vangen, in het bijzonder in de herfst en de winter tussen Ens en de Kamperzanden, en zo dicht bij het land als ze konden ‘drijven’, om de meeste vissen te vangen. Ook in ‘t Zwartewater tot bij de uiterste ton, het baken op de grens van het water waar het verboden was te vissen met sleepnetten. Ook ving hij overdag voor Vollenhove, Blokzijl, Blankenham, Kuinre en Veenhuysen. Zijn plaatsgenoot Peeter Janszoon (66 jr) dreef ten zuiden van Ens soms eveneens wel eens ’s nachts.
Peeter Machielszoon (70 jr) uit Amsterdam voer meestal ‘s winters, wanneer er de meeste vis was. Peeter Janszoon Cloever (63 jr) uit Uitdam had het hele jaar door overal in de Zuiderzee gevist waar hij het best meende te vangen te weten: ‘s zomers aan ‘dese zyde’ [westzijde] van ‘Orck’ om de aal, en ‘s winters onder de kusten van Friesland en Overijssel.
Pieter Simonszoon Zaet (64 jr), eveneens uit Uitdam, voer daar ‘des winterdaechs’ ook altijd onder de kust. Plaatsgenoot Claes Hem (54 jr) had daar omstreeks 1536 voor ‘t eerst ook enige waterschepen uit Harderwijk zien vissen. Vóór die tijd had men in die stad alleen maar ‘tocheners’, kuilers zonder bun.
De Waterschepen
De fors gebouwde waterschepen hadden een gebogen voorsteven en een rechte achtersteven en voeren zonder zwaarden. In de ingebouwde bun kon gevangen vis in leven blijven. De zeegaande waterschepen waren 10,2 tot 21,5 meter lang en van 4,5 tot 6,5 meter breed. De kiellengte van 16 - 21,5 meter lange schepen was 12 - 17 meter.
Jacob Gerritszoon (66 jr) uit Uitdam vertelde dat de waterschepen omstreeks 1500 nog maar 10,20 meter lang en 4,50 meter breed waren, maar dat ze groter geworden waren, zodat er al van 16,99 meter bij 6,20 meter zeilden, die bovendien karveelgebouwd waren - d.w.z. met glad aaneensluitende huidplanken - en met een dieper stekende kiel. Jacob Willems (70 jr) uit Purmerend schatte de kiellengte tegenwoordig wel op vier tot zes voet meer.
Aantallen Waterschepen
Alle waterschippers stelden dat het totaal aantal waterschepen in de loop der tijd was toegenomen en Dirck Wouterszoon uit Amsterdam (43 jr) schatte het totale aantal nu op 130. Overijssel raamde de vloot in 1555 op 150. Jaren later worden er ook waterschepen vermeld in Edam, Hoorn, en Enkhuizen.
Molhuysen schreef over de kuilen gebruikt op de waterschepen: ,,kuilen of netten gebruiken, waarvan de mazen nu nauwer zijn dan men over een ganzeveer zou kunnen maken en [die] zijn bevestigd aan twee drijfbomen of sprieten op elk boord van het schip met grote ijzeren ringen en banden stijfstaand vastgemaakt.” De kuilen van zwaar hennep gaal waren aan het ondersim met stenen verzwaard. Daar de mazen van de kuil bij het slepen dichttrekken, werkt die bijna als een dichte zak, die alles - groot en klein - meevangt.
In 1958 vond men een wrak van een 16e eeuws waterschip, een middenmoter van bijna 15 meter lang, op een kleine 100 meter vanaf de rede van de Schokker Middelbuurt.
Die waterschippers die ‘s nachts niet visten, gingen voordat het donker werd onder Ens of Emmeloord voor anker, en dat deden ook de overige waterschippers op zondagen en kerkelijke feestdagen. Een schipper zag er dikwijls dertig of veertig liggen!
Interactie met de Lokale Bevolking
Adriaen Gerryts (48 jr) poorter van Amsterdam die sedert 1528 voer, viste soms een hele winter lang in de zuidoosthoek. De vis ging naar vismarkt van Amsterdam. Als hij of andere waterschepen in de buurt van Kuinre, Blankenham, Blokzijl en Vollenhove visten, kwam er vaak wel iedere dag van de een of andere plaats volk in schuiten naastzij de waterschepen om spiering van te kopen, die ze hen gratis gaven, voor geld verkochten, of voor turf ruilden, zonder dat het vissen hen verhinderd werd of hen daarbij letsel werd aangedaan.
Doorgaans trad de locale bevolking de waterschippers inderdaad soepel tegemoet. Zo was de 64 jaar oude Lenaert Janszoon, wonend in Amsterdam, rond 1536 begonnen ook in ’t Zwartewater te vissen, wat hem was ingegeven door de schout van Emmeloord, Jacob Tymanszoon, ‘die hem den wech wees ende de contreyen [omgeving wys maeckte’, zonder dat de Overijselaars hem in die tijd van de bisschop - toen “’t huys in de Cuynre [er] noch stont” - ook maar het geringste in de weg hadden gelegd.
Claes Claeszoon Stappart (64 jr) uit Amsterdam zeilde in de herfst en winter elke dag, meest overdag, maar ook wel ‘s nachts als de wind uit het oosten kwam zo dicht mogelijk langs de kust als mogelijk was, en zo openlijk dat de ingezetenen daar hen wel konden zien en die kwamen dan ook dikwijls wel wat vis van hen kopen, vooral op zondag en kerkelijke feestdagen als ze bij Emmeloord voor anker lagen. Wanneer de waterschippers daar zo stil lagen kwamen ook dikwijls de knechten van ’t huys in de Cuynre en Vollenhove aan boord om een zootje vis te krijgen. Ze zeiden dan dat zij ’t betalen zouden als ze er een goede buit voor kregen.
De Bunschoter Wouter Eygbertszoon (61 jr) durfde ’s nachts niet te vissen vanwege de hardheid van de bodem. De groeiende vloot waterschepen snoepte uit de Zuidoosthoek van de Zuiderzee steeds meer zoetwatervis weg, en vernielde soms staande netten van de lokale vissers, want sommigen sleepten met de ‘cuijl’ ook ’s nachts.
Bij andere gelegenheden bleek dat de staand want vissers de maaswijdtes van de kuilen veel te klein vonden; ze zouden met hun loodzware gesleep veel broed en jonge vis wegvangen en vernielen. Dat leverde af en toe conflicten op, die omstreeks 1545 een climax zouden hebben bereikt. Toch hadden de waterschippers over het algemeen weinig te duchten.
Zo had Lenaert Janszoon (64 jr) uit Amsterdam, die sedert 1513 voer, vroeger wel eens “wisselgeld” moeten betalen voor de toegang tot het viswater: ,,Als vroeger de dienaren van de drossaert van het huis van Kuinre soms aan boord kwamen zeiden ze dat hun heer of vrouwe de een of andere vis hebben moest. Ze namen dan soms een halve ton vis zonder betalen, en als de vissers daar wat tegenin wilden brengen, werden ze geslagen, zonder dat de knechten hen overigens zeiden, dat ze niet mochten vissen in het water van de bisschop.
Dirck Wouterszoon (63 jr) uit Amsterdam vertelde wat hem bij Emmeloord was overkomen. Hij was in 1525 voor het eerst op een waterschip uitgezeild. Hij had nooit hinder ondervonden van de Overijsselaars, behalve toen hij nog jong was en nog met zijn stiefvader voer. De dienaars van de kastelein - de kasteelheer, baljuw, drossaard of drost - van Kuinre hadden toen een tonnetje vis van hen afgenomen.
Tabel 1. Het aantal door de getuigen in 1556 genoemde aantallen waterschepen.
| Jaar | Plaats | Aantal waterschepen |
|---|---|---|
| 1514 | De zeven dorpen van waterland (w.o. Uitdam) | 22 |
| 1556 | Amsterdam | 36-40 (18-20 in 1525, 22 in 1514, 4 à 5 in 1508) |
| 1556 | Uitdam | > 17 (14-15 in 1525, 10-12 in 1508) |
| 1556 | Naarden | ? (3-4 in 1525) |
| 1556 | Bunschoten | Vermeerderd tot 18-19 (omtrent 20 in 1525, 0 in 1500) |
| 1556 | Harderwijk | 8-9 (4-5 in 1525, 0 in 1500) |
| 1556 | Muiden | > 1 (2 in 1514 voor het transport van paling) |
| 1556 | Marken | Minder dan in 1508: toen 25 (nog omtrent 30 in 1525) |
| 1556 | Spaarndam | Minder dan in 1508 (8-9 in 1525) |
| 1556 | Ambt Vollenhove | De monniken van het convent op de Sint Janskamp (St. Janskamp) |
labels:
Zie ook:
- Courgette Zoete Aardappel Soep: Gezond & Smaakvol!
- Vegetarisch Recept met Zoete Aardappel: Gezond & Heerlijk!
- Vegetarisch Recept met Pompoen & Zoete Aardappel: Heerlijk & gezond!
- Zoete Aardappel Koken: De Perfecte Tijd voor de Beste Smaak
- Zuid-Afrikaanse BBQ: De Beste Braai Recepten en Tips!
- Ontdek de Ultieme Flatbread Pizza met Pesto en Tomaat: Supersnel & Overheerlijk!




