In het christendom is het begrip "Brood des Levens" een centrale metafoor om Jezus Christus te beschrijven. Het vertegenwoordigt de geestelijke voeding die Hij aanbiedt aan de gelovigen, en is essentieel voor het verkrijgen van eeuwig leven. Jezus gebruikt deze term om Zichzelf te omschrijven als de bron van spirituele levensonderhoud, die de diepste behoeften van de mensheid vervult.

Brood is leven. Psalm 104 (vers 15) spreekt over ‘brood dat het mensenhart versterkt’, en daarnaast over ‘wijn die het mensenhart verheugt’: samen de grondstoffen van het leven. Het delen van die grondstoffen ter herinnering aan een dierbare, dat is niet zo vreemd. Maar zeggen dat je hem eet, de dierbare, en er daarbij aan herinneren dat hij zelf gezegd heeft dat het te eten brood zijn lichaam is en de te drinken wijn zijn bloed, dat is nog wel even iets anders. Het gebeurt echter dagelijks, overal ter wereld.

Het is dus welbeschouwd geen wonder dat over de betekenis van deze woorden een felle strijd uitbrak die nog altijd niet beslecht is. Wat bedoelde Jezus nu precies? En wat doen gemeenschappen, als zij proberen te gehoorzamen aan het ‘Doe dit tot mijn gedachtenis’ waarmee hij het vergezeld deed gaan? Het is beeldspraak, zeggen sommigen. Maar daar worden de woorden niet zoveel minder vreemd van.

Het zesde hoofdstuk van het Johannesevangelie suggereert een weg naar een antwoord. Daar noemt Jezus niet het brood dat hij bij het laatste avondmaal met zijn leerlingen deelt ‘mijn lichaam’, maar noemt hij zichzelf ‘brood dat uit de hemel is neergedaald’ (Johannes 6,41). Hij vergelijkt zich hiermee met Mozes, op wiens gebed het volk Israël in de woestijn manna ontvangt, brood uit de hemel, dat in Psalm 78 (vers 25) ‘brood van engelen’ wordt genoemd.

Jezus wijst er in het Johannesevangelie op dat niet Mozes, maar God het manna neer laat regenen. Hij voegt daaraan toe dat het God is aan wie het alleen toekomt brood uit de hemel te geven (Johannes 6,52). Dat kan een mens niet. Brood zijn betekent dus zorgen dat mensen niet van honger sterven en in deze zin leven geven. Dat bedoelt Jezus in het Johannesevangelie echter volstrekt niet als beeldspraak.

Je kunt zeggen dat het geven van manna door Mozes voor hem beeld-spraak was. Wat hierover in het boek Exodus verteld wordt, legt hij uit als beeldtaal. Dat brood kwam als ‘het ware’ uit de hemel en gaf ‘als het ware’ leven. Jezus stelt daar tegenover dat hij echt uit de hemel komt en echt leven geeft. Hij is daarin heel stellig: ‘Mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed echte drank’ (vers 55).

Het leven dat via hem gegeven wordt, is bovendien echt leven: leven zoals God leeft, die de Levende is. Goddelijk leven is onvervreemdbaar en onverwoestbaar en Jezus noemt het bij Johannes dan ook ‘eeuwig leven’. Het is het ware leven, leven vanuit God. ‘Zoals ik leef uit de Vader, de Levende die mij gezonden heeft, zo zal ook degene die zichzelf met mij voedt, leven uit mij’ (vers 57).

Kort daarvoor in het Johannesevangelie had Jezus al gezegd dat het zijn voedsel is om de wil te doen van degene die hem gezonden heeft: God die hij ‘de Vader’ noemt. Meer voedsel heeft hij niet nodig, laat hij op het eerste gehoor nogal pedant aan zijn leerlingen weten als zij hem eten komen brengen (Johannes 4,34). De wil van God is zijn dagelijks brood en geeft hem leven en zo is hij brood dat leven geeft.

Jezus voedt met het voedsel dat hem voedt. Hem als brood eten wil zeggen net als hij en door hem gevoed de wil doen van de Vader. Thomas van Aquino schrijft in zijn commentaar op het Johannesevangelie dat Jezus de belichaming is van de leer van God de Vader: doctrina Patris ipse Filius, de leer van de Vader is de Zoon zelf. Blijkbaar geldt iets vergelijkbaars voor de wil van God: voluntas Patris ipse Filius zou je kunnen zeggen, de wil van de Vader is de Zoon zelf.

Zelf de wil doen van de Vader is daarom zijn vlees eten en zijn bloed drinken en zo jezelf omvormen tot deel van hem. Zijn vlees eten betekent van zijn vlees worden, zijn bloed drinken betekent met zijn bloed worden doorbloed. De uiteindelijke vraag van degenen tegen wie Jezus spreekt, luidt: ‘Hoe kan hij ons zijn vlees te eten geven?’ (Johannes 6,52).

Hoe wordt je één met zijn lichaam en hoe gaat zijn bloed je doorstromen? Waar ligt de verbinding? Zoals vaker bij Johannes lijkt Jezus’ antwoord niet alleen niet op deze vraag in te gaan, maar het maakt het raadsel nog groter: ‘Als jullie het vlees van de Mensenzoon niet eten, als jullie zijn bloed niet drinken, dan is er geen leven in jullie’ en omgekeerd, ‘Wie mijn vlees en bloed eet en drinkt, bezit eeuwig leven (vers 53v).

Jaha, maar hoe?! Jezus herinnert er daarbij aan dat ‘er… geschreven [staat] bij de profeten: Allen zullen onderricht ontvangen van God’ (vers 45). In algemene zin is de claim van het Johannesevangelie dat dit in Jezus werkelijkheid geworden is. De toegang tot deze werkelijkheid is wat Johannes ‘geloof’ noemt: geloof dat in Jezus Gods Woord vlees geworden is en dat wie in zijn vlees en bloed delen op hun beurt kinderen van God zijn (vgl. Johannes 1,14 en 12).

Maar in Johannes 6 is de verwijzing specifieker. Het zesde hoofdstuk van het Johannesevangelie begint met het verhaal dat protestanten doorgaans aanduiden als ‘de wonderbare spijziging’ en katholieken als ‘de wonderbare broodvermenigvuldiging’. Wat Jezus betreft slaan beide aanduidingen de plank mis. Het springende punt van de gebeurtenis is niet dat er genoeg eten is om iedereen te voeden en dat er zelfs nog ruimschoots overblijft.

Dat is de fout die door velen die het meemaakten wordt gemaakt. ‘Werk niet voor het voedsel dat vergaat, maar voor het voedsel dat blijft om eeuwig te leven en dat de Mensenzoon u zal geven’, zegt Jezus tegen degenen die hem zoeken omdat zij onder de indruk zijn van de hoeveelheid brood waarvoor hij gezorgd heeft. Zij zien alleen de overvloed aan brood, maar zij zien niet dat deze overvloed een teken is (Johannes 6,26v).

Volgens het bijbelboek Deuteronomium (8,3) is het manna een teken van God dat de mens niet van brood alleen leeft, maar van alles dat de mond van de Ene voortbrengt. Dat is alles wat er is, want ‘Hij sprak en het was er, hij gebood en daar stond het’ (Psalm 33,9). In de woestijn, dankzij het manna dat veertig jaar lang elke ochtend in precies de juiste hoeveelheid neerdaalt om de honger van die dag te stillen, dankzij Gods dagelijkse trouw en nabijheid die daaruit spreekt, overleeft het volk Israël de reis (Exodus 16).

Als op Jezus’ gebed de armzalige vijf gerstebroodjes en twee gedroogde visjes, waarvan Petrus’ broer Andreas zich retorisch afvraagt wat dat nu voorstelt voor het grote aantal mensen dat Jezus gevolgd is de bergen in, een overvloed blijken te zijn, is hij de belichaming van God zoals die in de woestijn bleek. In Jezus’ gezelschap valt er van schaarste te leven. Maar degenen die hem willen grijpen en hem met alle geweld tot koning willen uitroepen (Johannes 6,15), willen niet te midden van de schaarste leven van Gods trouw.

Zij willen hun eigen voedseltoevoer veiligstellen. Zoals het manna niet bewaard kan worden tot de volgende dag - ‘de volgende ochtend zat het vol wormen en stonk het’ (Exodus 16,20) - zo laat Gods trouw zich niet vasthouden door deze af te dwingen.

De Frans-Joodse filosofe en mystica Simone Weil (1909-1943) heeft geschreven dat het er niet om gaat onze honger op het beschikbare voedsel af te stemmen. We moeten, zo stelt zij, zijn als een kind dat huilt als het honger heeft, of er nu voedsel is of niet. Zo zullen wij Gods medelijden opwekken en zal hij ons uiteindelijk het benodigde voedsel geven.

Onze inzet nooit meer honger te krijgen bedreigt volgens Weil onze verbondenheid met God, die wij niet kunnen bewerken, maar die van zijn kant tot stand komt als antwoord op onze vraag. Het moderne gevoel van godverlatenheid komt niet voort uit het feit dat God zich niet meer toont, maar uit onze fantasie wel voor onszelf te kunnen zorgen en niets of niemand nodig te hebben.

Behalve degenen die wij in onze macht hebben en kunnen dwingen te doen wat wij willen. In al onze beleden moderne onzekerheid zijn we van één ding zeker: we leven niet van genade, maar van onze macht onze wil door te zetten. Dit is het tegenovergestelde van het leven in navolging van de Mensenzoon die zichzelf het levende brood noemt dat uit de hemel is neergedaald.

Weil verwijst graag naar de zinnen in de Hebreeënbrief (5,7-9) dat Gods Zoon in de school van het lijden gehoorzaamheid heeft geleerd en onder tranen smeekbeden heeft opgedragen aan hem die hem van de dood kon redden. Zo, in zijn wanhopige verlangen te leven werd hij ‘bron van eeuwige redding’. Hij maakt het mogelijk dat wij ons eigen wanhopige verlangen werkelijk en ten volle tot ons door laten dringen en zo in zijn verlangen delen.

De coronacrisis heeft ons gedwongen uitvoerig in de spiegel te kijken. Maar het lijkt er niet op dat wij onszelf op een nieuwe manier zijn gaan zien. Wij zijn afhankelijk van krachten die ons ver te boven gaan en waartegen we niet zijn opgewassen. Door over vrijwel niets anders te praten dan over onze maatregelen, onze inspanningen om vaccins te ontwikkelen en te doen alsof wat er gebeurde daarvan afhing, kwamen we er niet op om met Andreas te zeggen: ‘Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroodjes en twee gedroogde vissen, maar wat hebben we daaraan voor zoveel mensen (Johannes 6,9).

Alle aandacht ging naar de broodjes en de visjes uit, alsof wij daarvan zouden kunnen leven. We smeekten niet om brood, wij werden elkaars brood niet en we kregen dus ook geen brood. Maar, zoals Weil ook schrijft: ‘liefde ziet het onzichtbare’. Hoezeer wij ook onze honger verbergen, deze honger is er stiekem toch en wordt gezien. Sinds de eerste Johannesbrief weten we immers: ‘God is liefde’ (1 Johannes 4,8.16). Daarom is er ondanks alles steeds weer brood dat het hart versterkt en zelfs geregeld wijn die het hart verheugt. Wij zijn nog altijd niet in de steek gelaten en de Mensenzoon is nog altijd in ons midden.

Het is een zin die ik vaak gebeden heb: geef ons heden ons dagelijks brood. In het Onze Vader leert Jezus Zijn discipelen hoe ze moeten bidden. Eén van de dingen waar Hij ze voor leert bidden is het vragen om dagelijks brood. Maar wat wordt hier precies mee bedoeld?

Brood in de woestijn

Brood, het is broodnodig om te kunnen overleven. Zonder eten ga je dood. Ook de Israëlieten wisten dit. Na de uittocht uit Egypte zwierven ze rond in de woestijn. Hun meegenomen voedsel raakte op, er was niet eens een kruimel over om op te eten. De Israëlieten kregen honger en begonnen te klagen. Waren ze maar in Egypte gebleven, dan hadden ze tenminste voedsel gehad!

Toen zei de HEERE tegen Mozes: Zie, Ik zal voor u brood uit de hemel laten regenen. Het volk moet eropuit gaan en de per dag benodigde hoeveelheid verzamelen, zodat Ik het op de proef kan stellen of het naar Mijn wet wandelt of niet.- Exodus 16:4 (HSV)

God reageert op de klacht van de Israëlieten en geeft ze te eten: manna (brood) en kwartels. Precies genoeg voor iedere dag. Ieder die veel had verzameld, hield niets over en ieder die weinig had verzameld, ontbrak het aan niets.

God voorzag de Israëlieten van hun dagelijks brood. Hij wist wat ze nodig hadden en voorzag. Maar dat is niet de enige reden dat God het manna en de kwartels gaf. God gaf de Israëlieten ook te eten om te laten zien dat Hij God is en om ze op de proef te stellen, zodat ze op God zouden gaan vertrouwen. Ze mochten immers alleen maar eten verzamelen voor diezelfde dag. Alles wat ze meer verzamelden, bedierf. Ze moesten erop vertrouwen dat God zou voorzien en dat hetgeen Hij gaf genoeg was.

En zo is het ook met jou en mij. We mogen bidden dat God ons ons dagelijks brood geeft. We mogen geloven en vertrouwen dat Hij zal voorzien en ons zal geven wat we nodig hebben, dag na dag.

Jezus als Brood des levens

Toch is brood - is voedsel - niet het allerbelangrijkste, want een mens leeft niet van brood alleen.

Jezus dan zei tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar Mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel. Want het brood van God is Hij Die uit de hemel neerdaalt en aan de wereld het leven geeft. Zij zeiden dan tegen Hem: Heere, geef ons altijd dat brood. En Jezus zei tegen hen: Ik ben het Brood des levens; wie tot Mij komt, zal beslist geen honger hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst hebben.- Johannes 6:32-35 (HSV)

Ik ben het Brood des levens. Uw vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn en zij zijn gestorven. Dit is het brood dat uit de hemel neerdaalt, opdat de mens daarvan eet en niet sterft. Ik ben het levende brood, dat uit de hemel neergedaald is; als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. En het brood dat Ik geven zal, is Mijn vlees, dat Ik geven zal voor het leven van de wereld.- Johannes 6:48-51 (HSV)

Jezus is het Brood des levens. Zoals de Israëlieten het manna nodig hadden om te leven in de woestijn, zo hebben wij Jezus nodig als brood voor onze ziel. Hij is het die ons leven geeft en onze honger stilt. Hij is het die we nodig hebben, elke dag opnieuw. Net zoals we iedere dag ons dagelijks brood mogen eten, mogen we ook iedere dag eten van het Brood des levens.

Onze Vader, geef ons heden ons dagelijks brood. Geef ons het dagelijks brood waar ons lichaam zo naar verlangt en Jezus, het Brood des levens, het dagelijks brood waar onze ziel zo naar verlangt en niet zonder kan. In Jezus’ naam, amen.

Als de Heere Jezus de uitspraak doet: “Ik ben het Brood des Levens”, vergelijkt Hij Zichzelf met brood. Je moet brood eten om in leven te blijven. Brood verzadigt en stilt de honger. Maar elke dag sterven mensen die wel brood gegeten hebben. Brood redt je niet van de dood. Iedereen weet dat er een einde aan dit leven komt. Toch is dat onnatuurlijk.

De dood was er bij de schepping niet. De dood is gekomen door de zondeval, de opstand tegen de eeuwige God. Daarom heet het ook levend Brood. Jezus zegt: “Ik ben het Brood des levens” (Johannes 6:48). De Heere Jezus is geen brood om je lichaam te voeden Maar Hij is Brood voor de ziel.

Waarom vergelijkt Jezus Zichzelf met Brood?

Brood heb je nodig om in leven te blijven. Zo is Jezus ook een eerste levensbehoefte. Iedereen zonder Hem zal eeuwig sterven. In ieder mensenhart leeft een soort hongergevoel. Het is honger naar gerechtigheid, het is honger naar vrede met God. Tijdelijke pleziertjes kunnen die honger niet stillen. Zonder God blijft de knagende honger naar geluk bestaan. Alleen Jezus Christus verzadigt met vrede en geluk.

Zoals het eten van gewoon brood je maag vult, zo verzadigt Jezus het verlangen van je hart. Jezus zegt: “Mijn Vader geeft u het ware Brood uit de hemel” (vers 32). Dit Brood komt van God. Het daalde uit de hemel neer (vers 33). God geeft geen stenen in plaats van brood te eten. God geeft het Allerbeste. Hij geeft het Liefste, Zijn Kind.

Jezus geeft vervolgens ook Zichzelf. Aan het kruis op Golgotha. In Jezus Christus geloven, is Hem vertrouwen. Instemmen dat je dit Brood nodig hebt. Vertrouwen dat Hij waarmaakt wat Hij belooft: Eeuwig leven voor ieder die in Hem gelooft. Door het offer van Zijn leven. Het Brood echter dat “Jezus Christus” heet, zorgt er voor dat je eeuwig leven hebt, en dat je de dood niet zult zien (Johannes 8:51). Voor eens en voor altijd.

Het geloof in de Heere Jezus zorgt dat voor een eeuwige verzadiging en vreugde. Een diepe blijdschap zal dan het hart vervullen. Dat is een blijdschap die dieper is dan al het geluk van deze aarde. Het is een blijvende verzadiging.

Betekenis in Bijbelse tijden

In het Midden-Oosten werd reeds in bijbelse tijden op grote schaal graan verbouwd. Brood was derhalve het hoofdvoedsel voor het gehele gebied dat zich uitstrekte rondom de Middellandse Zee. Zo functioneerde Egypte, samen met andere streken in Noord-Afrika, als korenschuur voor de metropool die Rome in het begin van de jaartelling was geworden.

Het gewone, alledaagse brood heet in het Hebreeuws lèchèm en in het Grieks artos. Beide woorden komen veelvuldig voor: lèchèm 297x (o.a. Gen. 14:18; 18:5; Ex. 29:23; 1 Kon. 18:4,13; 2 Kon. 6:22) en artos ruim 90x, vooral in de vier evangeliën (o.a. Mat. 6:11; 14:17; 15:33-34; 26:26; Mar. 2:26; 14:22; Luc. 4:3; 14:1; Joh. 6:1-15, 22-59; Hand. 2:42,47; 1 Kor.

In de oudtestamentisch-joodse traditie dient de volgende onderscheiding te worden gemaakt: chameets (gezuurd brood) dat niet gegeten mocht/mag worden ten tijde van Pesach (Ex. 12:15; 13:3,7; Deut. 16:3); op sommige plaatsen wordt verteld dat het geofferd werd (Lev. 7:13,23,17; Am. 4:5), terwijl andere teksten dat verbieden (Ex. 23:18; 34:25; Lev. 2:11); se’orbetekent eveneens ‘gezuurd brood’ (Ex. 12:15,19; 13:7; Lev. 2:11; Deut. 16:4).

In de periode van Pesach werd/wordt matstsach (in onze tijd nog steeds als matze bekend) gegeten, ongezuurde broden, gebakken zonder zuurdeeg (of zuurdesem/gist) (o.a. Ex. 12:8,39; Num. 9:11; Joz.

Eerdergenoemde bede uit het Onze Vader (Mat. 6:11) laat zien dat het brood zo’n belangrijk voedingsmiddel was dat het woord ook gebruikt kon worden als aanduiding voor alle voedsel dat een mens dagelijks nodig heeft (1 Sam. 20:34). Het volgende onderstreept dat nog. In de vroeg-joodse traditie ontwikkelde zich het ritueel bij maaltijden - vooral die maaltijden die een feestelijk karakter droegen en waaraan gas ten deelnamen - te beginnen met een dankzegging uitgesproken door de gastheer, of door een belangrijke gast, die vervolgens het brood brak en het ronddeelde onder degenen die aan tafel gezeten waren.

In de beschrijving van het leven van de vroeg-christelijke gemeente vertelt Lucas: ‘zij braken het brood bij iemand aan huis, gebruikten samen hun maaltijden in blijdschap en eenvoud van hart, loofden God en stonden in de gunst bij heel het volk’ (Hand.

Het gewone, dagelijkse brood had een ronde vorm. Tijdens de maaltijd werd het niet met een mes gesneden, maar met de hand in stukken gescheurd of gebroken. Over de samenstelling van het meel is weinig met zekerheid te zeggen. Het verschilde waarschijnlijk van plaats tot plaats. Gerstebrood was het goedkoopst en zal dus het brood voor de armen zijn geweest (vgl. 2 Kon. 4:44; Joh. 6:9).

Voor het gebruik om eenmaal per jaar gedurende een periode van een week ongezuurd brood te eten, moeten we ver teruggaan in de geschiedenis. Het bestond vermoedelijk al voor de exodus uit Egypte en werd vanaf die tijd in het oude Israël verbonden met de viering van Pesach/Pascha (Ex. 12:14-15; 13:3,7; vgl. Mar. 14:12). Het gebeuren doet denken aan zoiets als een voorjaarsschoonmaak. Een ritueel dat jaarlijks terugkeert en samenhangt met de wisseling der seizoenen. Na de winter is het voorjaar teken van een nieuw begin.

In dit verband mag tenslotte het ‘manna’ niet onvermeld blijven. Het is het voedsel dat het volk Israël na de exodus uit Egypte in de woestijn aantrof (Ex. 16; Num. 11:4-9). Veertig jaar lang lag het op de grond en kon het gegeten worden. Het verdween toen het volk het beloofde land in bezit had genomen (Joz. 5:12). In de strikte zin van het woord was het manna geen brood, maar zoete korrels die door bepaalde schildluizen in grote hoeveelheden werden afgescheiden. In de herinnering van Israël leefde dit manna voort als ‘het brood der engelen’ of ‘het brood uit de hemel’ (Ps.

Symbolische betekenis

Het gegeven dat het brood een zo belangrijke plaats innam in het voedingspatroon van de mens in het gehele Midden-Oosten, leidt als vanzelf tot de eerste symbolische betekenis. Het ‘dagelijks brood’ (Mat. 6:11) is al het voedsel dat de mens nodig heeft om ‘vandaag’ te leven.

Vooral in het evangelie van Johannes wordt bovengenoemde symboliek christologisch nader uitgewerkt. In aansluiting op het verhaal over de spijziging van de vijfduizend (Joh. 6:1-15) wordt, met een verwijzing naar de traditionele voorstelling van het manna als ‘het brood uit de hemel’ (Joh. 6:31), Jezus zowel ‘het ware brood uit de hemel’ als ‘het brood Gods’ genoemd (Joh. 6:32-33). Hij kan dan ook zeggen: ‘Ik ben het brood des levens’ (Joh. 6:35,48). De zin van de metafoor is evident: zoals brood noodzakelijk is om te leven, zo is geloof in Jezus van beslissende betekenis voor het ‘eeuwige leven’ (Joh.

In de woorden die volgens de drie synoptische evangeliën werden gesproken tijdens de laatste maaltijd van Jezus met zijn leerlingen - de sedermaaltijd die het begin vormt van Pesach -krijgt het traditionele ritueel, bestaande uit dankzegging en het breken en ronddelen van het ongezuurde brood (de matzes), een nieuwe inhoud. De herinnering aan de exodus uit Egypte wordt verbonden met het lijden en sterven van Jezus: ‘Neemt, (eet), dit is mijn lichaam’ (Mar. 14:22; Mat. 26:26). Lucas en Paulus geven een iets andere formulering: ‘Dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt’ (Luc. 22:19; 1 Kor. 11:24).

In de oudtestamentische tempelcultus moet het brood dat in de tempel dienst doet, altijd ongezuurd brood zijn (Ex. 23:18; Lev. 2:4-14). Blijkbaar wordt zuurdesem/gist niet rein genoeg geacht om in de tempel te functioneren. In het Nieuwe Testament kan het zuurdesem in symbolische zin op verschillende manieren worden gebruikt. In een korte gelijkenis van Jezus is het positief bedoeld: een klein stukje zuurdeeg is voldoende om een grote hoeveelheid deeg te doen gisten (Mat. 13:33; vgl. 1 Kor. 5:6). Het kan echter ook een negatieve betekenis krijgen. Het zuurdeeg wordt dan het beeld van de opvattingen van Farizeeën en Herodianen (Mar. 8:15; Mat. 16:6,11). Paulus grijpt terug naar de oorspronkelijke betekenis wanneer hij de gemeente opwekt het oude zuurdeeg weg te doen - dat wil zeggen: de oude, zondige gebruiken en opvattingen (1 Kor.

labels: #Brood

Zie ook: