Zoet of zout? Door klimaatverandering stijgt de zeespiegel en nemen kweldruk en extreem droge periodes toe. In lage delen van Nederland is verzilting onontkoombaar. Wanneer zorgt het inlaten van zout water voor onherstelbare schade aan een aardappelperceel of een prachtig veengebied? Wat is wijsheid?

Om de juiste keuze te kunnen maken, is er nu een afwegingskader zoet-zout dynamiek. STOWA heeft een consortium van adviesbureaus (Witteveen+Bos, Acacia Water, The Salt Doctors, B-WARE, Van Geest Ecologie en Deltares, red.) een studie uit laten voeren naar de huidige beheerpraktijk bij de waterschappen, waar het gaat om het inlaten van zout water in droge perioden.

En welke kennis er is over zoutschade aan landbouw, droge en natte natuur. In de samenvattende rapportage is alle beschikbare kennis gebundeld, maar werd ook duidelijk dat er nog veel onbekend is. Denk bijvoorbeeld aan de effecten van zout op verschillende landbouwgewassen en natuurtypen.

Om deze kennisleemten in te vullen, start de komende jaren het programma ‘Omgaan met zout in landbouw, natuur en waterbeheer’. In de tussentijd kunnen de waterbeheerders gebruikmaken van een door STOWA ontwikkeld afwegingskader. Hierin hebben de ontwikkelaars alle kennis van nu gebundeld en praktisch toepasbaar gemaakt.

“Zo kun je globaal bepalen wat de risico’s van verzilting en verzoeting zijn voor de natuur, de landbouw en de aquatische natuur. Het leidt tot een beter begrip van het watersysteem. In een instructievideo die zo’n 25 minuten duurt, vertelt Weisscher hoe waterbeheerders de vragen die in het afwegingskader worden gesteld, kunnen beantwoorden.

Die vragen gaan onder meer over de ontstaansgeschiedenis, het zoutgehalte van het in te laten water en de functie van het gebied. In de instructievideo adviseert Weisscher de waterschappen om het kader samen met betrokken beheerders in het gebied in te vullen. Juist omdat alle partijen een deel van de antwoorden op de gestelde vragen hebben.

Weisscher: “Het afwegingskader geeft houvast als redeneerlijn. Je krijgt meer kennis van het watersysteem. Als je de tool gebruikt, krijg je als uitkomst een laag, middel of hoog risico op schade bij verzilting of verzoeting. Die indeling hebben we bewust zo ruim gehouden, omdat we veel nog niet weten.

In de risicolegger bij het afwegingskader krijg je meer uitleg over de risico’s. Zodra we meer kennis hebben, kunnen we de tool aanpassen. Het afwegingskader blijft dus in ontwikkeling. Heel belangrijk voor het maken van keuzes is de ontstaansgeschiedenis van een gebied.

Op basis daarvan kun je de reactie op verzilting en verzoeting redelijk voorspellen. De tool geeft overigens geen sluitend advies. “Sinds 2023 hebben we een expertteam zoetwatervoorziening. Elk jaar brengen we in kaart welke maatregelen we tegen droogte kunnen nemen.

Daarbij gaan we uit van de verdringingsreeks, waarin waterveiligheid en het voorkomen van verdroging van natuur- en veengebieden een hoge prioriteit hebben”, vertelt Julia van der Leer, adviseur waterkwaliteit bij het Hoogheemraadschap van Rijnland. Zij is lid van het expertteam en maakte ook deel uit van de begeleidingsgroep die heeft geholpen bij de ontwikkeling van het afwegingskader.

“Dankzij het afwegingskader kunnen we nu beter onderbouwen waarom we bepaalde keuzes maken. Dat moet je zowel intern als extern doen. Het is belangrijk een advies klaar te hebben voordat de droogte begint.” Rijnland heeft zoetwater nodig om peilen te handhaven en keringen veilig te houden.

“Het zoete water nemen we vanuit de Hollandsche IJssel bij Gouda in. Maar in droge periodes met een lage Rijnafvoer wordt het water in de Hollandse IJssel steeds zouter en willen we via het boezemgemaal bij Gouda liever geen water meer innemen. Dat zijn lastige keuzes.

Door klimaatverandering zal de natuur steeds vaker gaan verzilten. Op dit moment heeft Rijnland, op een paar polders na, een zoet systeem. Ook strategisch adviseur waterbeheer Ilya Musters van waterschap Hollandse Delta maakte deel uit van de begeleidingsgroep.

Hij deelde zijn ervaringen op 13 mei tijdens de Workshop ‘Zoet Zout Dynamiek: zelf werken met een beslisboom’, waar zo’n dertig mogelijke gebruikers bij aanwezig waren. “Mijn collega’s hebben het afwegingskader gebruikt om het systeem te testen. Zij willen de tool nu ook gaan gebruiken om verschillende scenario’s uit te werken.

Persoonlijk weet ik dankzij dit project wat de kennisleemten zijn en kan ik met zekerheid zeggen dat er nog veel onduidelijk is. Zo moeten we ook in stedelijk gebied de waterpeilen op niveau houden in verband met de keringen en gewenste grondwaterstanden.

Weet dat in de zomer het water bij de Erasmusbrug al zout is en in de winter hartstikke zoet. We proberen zoveel mogelijk zoet water in te laten, maar soms is dat niet beschikbaar en laten we wat zouter water in. Welke effecten dat heeft voor bijvoorbeeld houten en betonnen funderingen weten we niet. Die kennis is niet beschikbaar.”

Volgens Musters geldt dat ook voor de landbouw. “Er wordt vaak gezegd: als je zouter water krijgt, dan ga je toch over op zoutminnende teelt?! Heb je wel eens zeekraal gegeten? Dat is best lekker, maar dat wil je niet elke dag. Daar is geen markt voor.

Als voorbeeld: Schouwen-Duiveland heeft alleen zoet water uit neerslag, maar Goeree-Overflakkee heeft ook aanvoer van zoetwater via het Haringvliet en Volkerak-Zoommeer. Dat zie je terug in de opbrengst van de landbouw. We moeten ons ook verplaatsen in ondernemers. Die zijn best bereid te veranderen en hun teeltplannen voor 20 tot 30 procent aan te passen.

Het afwegingskader is ook voor natuurbeheerders zinvol. Hydroloog Eise Harkema van Staatsbosbeheer maakte deel uit van de begeleidingscommissie. Hij helpt provincies en waterschappen bij het maken van keuzes met betrekking tot droogte.

“Dankzij het afwegingskader kunnen water- en terreinbeheerders nu samen makkelijker beslissingen nemen. Als het waterschap onze beheerder belt, of hij water zal inlaten, kunnen we beter inschatten wat de gevolgen daarvan zijn. In veel gebieden kun je beter geen zout water inlaten.

Maar in brakke natuurgebieden, zoals de Houtrakpolder, kan het wel. Daar willen we juist weer geen verzoeting. Daar ligt een plas (de Westhoffplas) naast met garnaaltjes, waar ook weer lepelaars op af komen. Dat willen we zeker behouden.” Volgens Harkema is natuur niet per definitie gevoeliger voor verzilting dan landbouw.

“Er zijn natuurgebieden waar de waterkwaliteit minder belangrijk is. Denk aan bossen of weidevogelgebeieden. Tienduizenden hectares natuur zijn minder gevoelig voor verzilting. Maar als je een gebied met kwetsbare natuur zomaar zout maakt, loop je het risico dat een soort het loodje legt.

Dan is er niet altijd herstel meer mogelijk. Zout is ook zomaar niet weg. Dat zie je bijvoorbeeld in laag Holland. Daar is het water in de ondergrond nog altijd brak. Het gaat om decennia of eeuwen. Voorkomen is beter dan genezen.

Het is grotendeels onduidelijk bij welke mate van verzilting of verzoeting schade aan natuur en landbouw optreedt en wat de hersteltijd is na schade. In een kennisrapportage is een overzicht van de effecten gepresenteerd. Verzilting en verzoeting spelen een grote rol in Laag-Nederland.

Deze invloed zal in de toekomst verder toenemen door een toenemende vraag naar zoet water, zeespiegelstijging en een toename in weersextremen. Tijdens droogte neemt de beschikbaarheid van zoet water af, wat vraagt om zorgvuldige keuzes in het waterbeheer.

Zoet-Zoutdynamiek: Hydrologische, Biogeochemische en Biologische Processen

Zoet-zoutdynamiek verwijst hier naar de wisselwerking tussen hydrologische, biogeochemische en biologische processen die optreden als water met verschillende zoutgehaltes met elkaar in contact komt over ruimte en tijd. Over de zoet-zoutdynamiek in relatie tot landbouw en natuur zijn reeds tal van samenwerkingen en onderzoeksprogramma’s gestart.

Voorbeelden zijn het kennisprogramma DROOGTE! (STOWA), kennisimpuls waterkwaliteit - Brakke wateren en het kenniscluster verzilting (SALTA). Desondanks zijn de effecten van verzilting en verzoeting op landbouw en natuur nog onvoldoende in beeld gebracht, waardoor het moeilijk is de gevolgen van keuzes in het waterbeheer te voorzien.

Het afwegingskader ‘Hoe om te gaan met zoet-zoutdynamiek’ heeft als doel om een eerste onderbouwde inschatting te geven van risico’s ten aanzien van schade aan doelgewassen (landbouw), KRW-watertypen (aquatische natuur) of beheer- en habitattypen (veelal terrestrische natuur) door verzilting of verzoeting. Deze afweging wordt gemaakt voor de huidige situatie en een toekomstige situatie.

Het afwegingskader helpt bij het formuleren van waterbeleid en het vergroten van begrip van de effecten van verzilting en verzoeting. Om zoet-zoutdynamiek te begrijpen, is inzicht nodig in de werking van het landschap, met specifiek aandacht voor de hydrologische, biogeochemische en biologische processen.

Zoet-zoutdynamiek is een eigenschap van Laag-Nederland, waar brak/zout grond- en oppervlaktewater van nature in contact komt met zoet water (neerslag, rivierafvoer). Er zijn twee methoden gangbaar om ‘het zoutgehalte’ te bepalen, namelijk het chloridegehalte (mg Cl/l) en het elektrisch geleidend vermogen (EGV) (deciSiemens per meter, dS/m) (zie kader 2).

De geleidbaarheid is een goede indicatie voor de som van de concentraties positief geladen ionen (bijv.: natrium, kalium, calcium, magnesium) en negatief geladen ionen (bijv.: chloride, sulfaat, bicarbonaat) en brengt in onze opinie de situatie van het vraagstuk beter in beeld.

Met name bij lage zoutgehaltes zijn het EGV en het chloridegehalte moeilijk naar elkaar om te rekenen. Dit komt doordat chloride bij een laag zoutgehalte niet per se het dominante negatieve ion is, waardoor er geen goed verband is tussen het chloridegehalte en het EGV. Pas bij een hoog zoutgehalte (> 2 dS/m) zijn natrium en chloride de dominante ionen en is de correlatie tussen het EGV en chloridegehalte sterk.

Op basis van verschillende studies [6], [7], [8], [9], [10] is de volgende correlatie tussen chloride en het EGV opgesteld: chloridegehalte (mg Cl/l) = 165*EGV (dS/m)^1.3438. Om grip te krijgen op het vraagstuk is het belangrijk te weten waar zoet en zout water vandaan komt.

Hierbij is onderscheid te maken tussen interne bronnen, zoals oud marien grondwater, en externe bronnen, zoals zout zeewater dat via de kust of rivieren binnendringt. Veranderingen in het zoutgehalte kunnen grote invloed hebben op biogeochemische processen in het water en in de bodem.

Door een hoger zoutgehalte kunnen positief geladen ionen uit de bodem vrijkomen [11] en kunnen kleine deeltjes samenklonteren en bezinken [12], [13]. Welke biogeochemische effecten beïnvloed worden, hangt nauw samen met de ontstaansgeschiedenis van een gebied.

Gebieden die onder brakke condities zijn ontstaan en naderhand zijn verzoet, zijn veelal minder gevoelig voor de effecten van verzilting dan gebieden met een zoete ontstaansgeschiedenis. Brakke waterbodems bevatten bijvoorbeeld veel ijzergebonden zwavel en weinig ijzergebonden fosfor, waardoor bij verzilting weinig fosfor wordt nageleverd.

In zoete waterbodems is het aandeel ijzergebonden fosfor hoger en kan er door zwavelreductie meer nalevering plaatsvinden. Een organische sliblaag of een veenbodem versterkt deze effecten vaak. Ook op terrestrische bodems maakt de bodemsamenstelling uit voor hoe een gebied reageert op verzilting of verzoeting.

Kleibodems kunnen bij verzilting structuurschade oplopen door natriumionen, wat leidt tot verminderde doorlaatbaarheid en bewerkbaarheid. Bij bodems met een laag waterbergend vermogen, weinig infiltratie en een kleine veldcapaciteit is de verziltingsschade groter.

Invloed op Biologie: Stress bij Soorten en Gewassen

Hydrologische en biogeochemische veranderingen beïnvloeden biologische processen en kunnen stress veroorzaken bij soorten en gewassen. Bij verzilting vermindert op korte termijn de blad- en wortelgroei, terwijl op lange termijn zoutophoping kan leiden tot toxische effecten en sterfte.

De tolerantie voor veranderingen van het zoutgehalte (en andere aan verzilting gerelateerde toxische stoffen, zoals sulfide) is soortspecifiek en kan ook (sterk) verschillen per levensstadium.

Effecten van Zoet-Zoutdynamiek op Natuur en Landbouw

Aquatische natuur komt vaak als eerste in aanraking met verzilting of verzoeting, bijvoorbeeld via inlaatwater of kwel. Zout oppervlaktewater kan vervolgens via infiltratie uit watergangen of na inundatie de bodem binnendringen en daar (semi-) terrestrische vegetatie beïnvloeden.

In de landbouw spelen verziltingseffecten vooral bij irrigatie met zouter water of toenemende brakke of zoute kwel.

Door, al dan niet gereguleerde, inlaat en kwel kan het oppervlaktewater verzilten (of verzoeten). Daarbij spelen factoren als duur, zoutgehalte en frequentie van de zout- of zoetpuls een rol, in combinatie met bodemkenmerken.

Dit kan leiden tot eutrofiëring of sulfide- en ammoniumtoxiciteit. Organisch rijke bodems, zoals sliblagen en veenbodems, zijn hier het meest gevoelig voor. Ook het seizoen is belangrijk: in het voorjaar, wanneer waterplanten kiemen en opkomen, is het risico op schade door verzilting het grootst (tabel 1).

Vissen reageren over het algemeen pas op verzilting vanaf circa 1 g Cl/l en kunnen wegzwemmen als ze uitwijkmogelijkheden hebben; effecten zijn dus sterker in geïsoleerde wateren. Belangrijke factoren voor het inschatten van effecten op aquatische natuur zijn het bodemtype, de ontstaansgeschiedenis, de eigenschappen van de zout- of zoetpuls en de verbinding met omliggende wateren.

Tabel 1. Risico-inschatting van het type ‘zoet water (<300 mg Cl/l)’ voor verschillende maten van verzilting op verschillende momenten in het jaar.
VerziltingMoment in het jaarRisico
ZoutpulsVoorjaarGrootst
Overige gevallenZoet water (<300 mg Cl/l)Klein

Door gereguleerde of natuurlijke inlaat en kwel kan geleidelijke of acute verzilting of verzoeting optreden. Bij terrestrische natuur gebeurt dit vaak via het oppervlaktewater, waarbij factoren als slootdichtheid, bodemweerstand en verblijftijd bepalend zijn voor de impact.

Sommige gevoelige natuurtypen, zoals H6410 Blauwgraslanden (tabel 2), zijn afhankelijk van bevloeiing. De gevoeligheid van terrestrische natuur hangt af van de kwaliteit van het natuurtype. Hoogwaardige typen met veel zeldzame soorten zijn gevoeliger, maar herstel is vaak beter mogelijk; bij lage kwaliteit is het omgekeerde het geval.

Tabel 2. Voorbeelden van grenswaarden voor zoutgehalte in mg Cl/l bij verzoeting en verzilting van N2000 habitattypen.
HabitattypenGrenswaarden
H6410 BlauwgraslandenAfhankelijk van bevloeiing

Irrigatie met verzilt oppervlaktewater is een belangrijke bron van verzilting, maar verzilting van de bodem kan ook optreden door hoge kweldruk en capillaire opstijging. Brakke kwel speelt vooral een rol tijdens droogte, wanneer beregening beperkt is en verzilting van water en bodem kan optreden.

Door verzilting van de wortelzone of irrigatie op het blad, kan blad- en vruchtschade optreden. Effecten zijn het kleinst bij goed doorlatende bodems met een laag kleipercentage (tabel 3) of een sterk klei-humuscomplex en veel organische stof, en bij beperkt gebruik van zouter irrigatiewater.

Tabel 3. Maximale EC-waardes (en bijpassende Cl-gehaltes) voor irrigatiewater op basis van bodemtextuur.
BodemtextuurMaximale EC-waardes
Goed doorlatende bodems met laag kleipercentageLaagste effecten

Kennisleemtes over Effecten van Zoet-Zout Dynamiek

Ondanks de beschikbare kennis en praktijkervaring, is er nog veel onbekend over hoe en vanaf welke zoutgehaltes stress en schade kan optreden aan soorten en gewassen door verzilting of verzoeting.

  • Onbekende milieuranges van soorten en gewassen: Het is grotendeels onbekend hoe soorten en gewassen - zowel in natuur als landbouw - reageren op verzilting, verzoeting en fluctuaties van het zoutgehalte in verschillende levensstadia.
  • Gebrek aan goede metingen: Er zijn nauwelijks kwantitatieve gegevens beschikbaar over de afzonderlijke bijdragen van het zoutgehalte en de omgevingscondities (zoals bodemtype, zwavelgehalte) aan effecten.
  • Onvoldoende inzicht in hersteltijd: Zowel abiotische hersteltijd (zoals herstel van zout- en nutriëntenbalans) als biotische hersteltijd (terugkeer van soorten) na verzilting of verzoeting zijn nog grotendeels onbekend.
  • Effecten van verzilting versus verdroging nog onduidelijk: Het is vaak onduidelijk of verzilting of juist verdroging schadelijker is voor natuur en landbouw.

Afwegingskader ‘Hoe Om te Gaan Met Zoet-Zoutdynamiek’

Bij afwegingen rond de zoet-zoutdynamiek is het belangrijk om zowel de impact op landbouw als die op natuur mee te nemen. Hiervoor is een afwegingskader ontwikkeld (afbeelding 2), gebaseerd op beschikbare kennis, met oog voor de bestaande kennislacunes (kader 3).

Het afwegingskader richt zich op de risico’s van verzilting en verzoeting, afhankelijk van onderscheidende parameters zoals ontstaansgeschiedenis, abiotische en biotische kenmerken, en de kwaliteit van inlaat- en irrigatiewater.

Via stroomschema’s (bijv. voor landbouw zoals in afbeelding 3) worden risico’s in kaart gebracht voor onder andere doelgewassen, KRW-doeltypen, NNN-beheertypen en Natura2000-habitattypen. Het afwegingskader probeert om ook met minimale invoer risico’s te bepalen, maar hoe meer gegevens worden ingevoerd, hoe vollediger de resultaten zijn.

De invoer en interpretatie van de risicobepalingen vereist specialistische kennis, van bijvoorbeeld agrariërs en ecologen. Het afwegingskader maakt het mogelijk om scenario’s te verkennen (bijvoorbeeld een huidige en een toekomstige situatie of een vergelijking tussen waterbeleid en werkelijke situatie).

Daarnaast biedt het kader aanknopingspunten voor een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA), waarin zowel economische als intrinsieke waarden van landbouw en natuur worden meegewogen.

Samenvatting

De droogte van de afgelopen jaren en de gevolgen van klimaatverandering zorgen voor een groeiende vraag onder waterbeheerders, natuurbeheerders en agrariërs hoe om te gaan met zoet en zout water. Zo is onduidelijk bij welke mate van verzilting of verzoeting schade aan natuur en landbouw optreedt en wat de hersteltijd is na schade.

Dit artikel beschrijft het afwegingskader zoet-zoutdynamiek. Dit kader kwantificeert de effecten van verzilting en verzoeting op de natuur en landbouw systeemspecifiek en dient hiermee als hulpmiddel voor het maken van beheer- en beleidskeuzes.

Referenties

  1. Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (2025). Rapport 2025-11: Kennisrapportage beschikbare kennis inclusief beschrijving huidig functioneren.
  2. STOWA (2025). Rapport 2025-12: Huidige beheerpraktijk.
  3. STOWA (2025). Afwegingskader zoet-zout.
  4. STOWA (2025). Beslisboom STOWA afwegingskader zoet-zout in relatie tot inlaat en droogte.
  5. STOWA (2025). Tutorial afwegingskader zoet-zout (2025).
  6. Deltares (2025). Conversion EC to Chloride.
  7. De Vos, A.C. et al. (2016). Crop salt tolerance under controlled field conditions in The Netherlands, based on field trials conducted by Salt Farm Texel. 39 pp.
  8. Boeren Meten Water (2025).
  9. et al. (2007). Deelrapport leven met zout water. PPO nr 3234019400.
  10. Cultuurtechnisch Vademecum (1988).
  11. Seitzinger, S.P., Gardner, W.S. & Spratt, A.K. (1991). ‘The effect of salinity on ammonium sorption in aquatic sediments: implications for benthic nutrient recycling’. Estuaries, 14, pp.167-174.
  12. Hoag, R.S. & Price, J.S. (1997). ‘The effects of matrix diffusion on solute transport and retardation in undisturbed peat in laboratory columns’. Journal of Contaminant Hydrology, 28(3), pp.193-205.
  13. Van Dijk, G. et al. (2015). ‘Salinization of coastal freshwater wetlands; effects of constant versus fluctuating salinity on sediment biogeochemistry’. Biogeochemistry.
  14. Herbert, E.R. et al. (2015). ‘A global perspective on wetland salinization: ecological consequences of a growing threat to freshwater wetlands’. Ecosphere, 6(10), pp.1-43.
  15. Van Dijk, G. et al. (2019). ‘Salinization lowers nutrient availability in formerly brackish freshwater wetlands; unexpected results from a long-term field experiment’. Biogeochemistry.
  16. Van Geest, G.J. et al. (2022). Systeemkennis brakke wateren (No. 2022-39). STOWA.
  17. Van Geest, G., Smolders, F., Roelofs, J. (2025). Waterplanten en waterkwaliteit. STOWA , Uitgeverij Noordboek Natuur, Gorredijk Nederland.
  18. STOWA (2024). Afwegingskader inlaat gebiedsvreemd water voor de natuur plus inhoudelijke onderbouwing.

labels: #Ei

Zie ook: