Peter keek me aan vanuit de deuropening. Mijn beste vriend gaf me geen gelegenheid voor een gewone begroeting. Hij gaf me geen klap op mijn schouder, plofte niet neer op de bruine bank in mijn woonkamer, uitgeput van een lange dag in de filmfabriek waar we allebei werkten. Direct draaide ik het gas laag en volgde Peter naar mijn woonkamer. Hij liep met grote stappen naar mijn radio en zette hem aan. Een krakende zender vulde de tien vierkante meter van het vertrek.

De regering van de Deutsche Demokratische Republik voerde hoog overleg. Wat zich daar, op die ambassades en in die achterkamers, afspeelde was voor ons op dat moment een raadsel. En wat dacht men in het land waarvan we al 28 jaar hermetisch waren afgesloten - vier jaar langer dan mijn leven nu duurde. Zou er sprake zijn van toenadering?

Weer klonk de stem van Peter. Natuurlijk hadden we als beste vrienden wel eens gesproken over hoe het zou zijn om te leven in het Westen, hoe onrealistisch de Muur en het IJzeren Gordijn die optie ook maakten. Vluchten was levensgevaarlijk, alleen plannen maken al kon je een lange gevangenisstraf opleveren. Wij hadden al die jaren geen concrete plannen. Vrijheid kenden we niet, misten we ook niet. Maar alleen al de inwisselbaarheid van de dagen zorgde voor een sluimerende onvrede, die werd aangewakkerd door de onrust die de afgelopen maanden ook in onze stad Wolfen toe was genomen.

De DDR-censuur had niet kunnen voorkomen dat ons via illegaal ontvangen westerse tv-uitzendingen de berichten bereikten over ruim honderdduizend landgenoten die via Hongarije en Tsjecho-Slowakije het Westen hadden opgezocht. Over de boodschap die de Hongaarse regering uitzond op 19 augustus, dat DDR-burgers niet langer tegengehouden zouden worden wanneer ze wilden oversteken bij de grens met buurland Oostenrijk. Over de duizenden mensen die deze mededeling zagen als een vrijbrief om naar het Westen te reizen, misschien wel voor altijd. Over het sluiten van de grens naar die landen, om het lek in de natie te dichten. Over de volksdemonstraties die eind vorig jaar in Leipzig begonnen, veertig kilometer zuidwaarts van hier, en die de laatste weken overal opdoken. We liepen mee. We beseften dat het systeem wankelde, al hadden we geen idee welke kant het op zou vallen.

De Aankondiging van Reisvrijheid

Aankondiging reisvrijheid door Günter Schabowski, een van de hoogste partijleiders in de DDR. De stem die nu klonk vanuit de radio, die maakte het ineens concreet. Er was een kans dit leven te ontvluchten. Een kans die risico’s en gevaren met zich mee zou brengen. Peter leek ze niet te voelen, of kreeg er juist kracht van. Uit zijn felblauwe ogen sprak overtuiging. Zijn schouders leken nog breder dan normaal, alsof hij ze aanspande om de tocht te maken. Na al die jaren dat ik hem kende wist ik het zeker: dit was serieus. Ineens drong het tot me door hoe zat ik de uitzichtloosheid was, de leegte, en de eentonigheid, de sleur. Ik wilde weten hoe het daar was, aan die andere kant van de muur.

‘Maar, wat als ze ons oppakken? Of erachter komen dat we vertrokken zijn?’ Peter reikte me een pakje lucifers aan. ‘Hier, zorg dat ze niets kunnen vinden dat naar jou verwijst. Malende gedachten stuwden me richting mijn slaapkamer.

Een Terugblik op het Verleden

Ik dacht aan een jaar geleden, toen alles nog zo anders was. Hoe we langs de weg stonden, Peter en ik. Ik klapte, scandeerde de naam van onze Leider. Ik stond naast Peter en naast anderen, honderden anderen, die hetzelfde deden als wij. We wisten wat er van ons verwacht werd. Gaten in het asfalt waren voor de gelegenheid volgestort met cement en gecamoufleerd met fluweelrode kleden. Achter ons bedekte een enorme rood-geel-zwarte vlag een woonhuis, naast ons glommen de lantaarnpalen, pas geverfd, alleen aan de kant waar de stoet straks zou passeren, want voor de andere kant was niet genoeg verf voorradig. Tegenover ons lag de Kaufhalle, met waren uitgestald, aangerukt uit alle winkels in de wijde omtrek. Daar kwam de fanfare, ze speelden Frohlich sein und Singen, ik kende de tekst woord voor woord. Achter hen liepen de Pioniers, kinderen en tieners in blauwe en rode uniformen, ernstig kijkend. De opwinding nam toe, toen de leider dichter naderde. Ja, hij was er nu bijna. We zagen rijen soldaten voorbij marcheren in bruingroene uniformen, met glimmende kalasjnikovs op hun heupen. Ze waren bijna voorbij, maakten ruimte voor de man waar alles om draaide. Hij zette stevige stappen, keek ontspannen om zich heen door zijn dikke brillenglazen. Hij zwaaide en knikte naar de mensen, hij straalde. Hij keek naar ons, nu, heel even maar, maar lang genoeg.

Zoveel anders was de situatie nu. De Leider was onze leider niet meer, hij trad drie weken geleden af. Een week daarna was Peter voor het eerst begonnen over een vertrek. Hij had me overdonderd. Nu was mijn bedenktijd dus op, al had ik niet het gevoel dat ik het besluit met overtuiging kon nemen. Maar wat wilde ik anders?

Het Besluit en de Gevolgen

Terwijl mijn gedachten heen en weer schoten, liep ik met handen vol spullen op en neer tussen de twee kamers, tussen de kachel en het bed, steeds met in mijn armen een deel van mijn spullen. Nadat ik nog een keer naar mijn lege bed had omgekeken, overgoot ik mijn spullen met terpentine en stak ze aan. Binnen een paar tellen ontfermden de vlammen zich over mijn eigendommen. Het katoen dat ik jaren droeg smeulde, zwarte randen verteerden mijn op wit papier gekrabbelde woorden. Ik pakte mijn paspoort, klapte het open, las mijn naam. Heiko Heese, geboren 3 september 1965. Toen gooide ik het document in het vuur.

Een maand eerder vierden we nog veertig jaar DDR, uitbundig alsof er niets aan de hand was - maar iedereen wist beter. Winkels werden steeds slechter bevoorraad. Toiletten in de fabriek waar ik werkte werden letterlijk afgebroken, omdat mensen tegels, wc-brillen en toiletrolhouders voor eigen gebruik mee naar huis namen. Wilde ik na mijn werk douchen, dan moest ik de watertoevoer opendraaien met een tang, omdat de knoppen voor warm en koud inmiddels ontbraken. Intussen bleven de tv-journaals hetzelfde beeld tonen van ons land: weer was er overproductie, weer waren er meer schoenen gefabriceerd dan verwacht.

Prikkende rook trok me terug naar het hier en nu, naar het nu of nooit. Ik hoestte en keek om. Peter stond achter me. Hij wees met zijn hoofd richting de voordeur. De vloerbedekking veerde zachtjes onder mijn voetstappen. Ik griste mijn jas van de kapstok. Snel zette ik nog de televisie aan, om mogelijke bezoekers de indruk te geven dat ik zo weer terug zou zijn.

De Laatste Blik Achterom

Voor ik verder liep keek ik nog een keer naar binnen, naar het vuur. Heel even bleef ik staan. Ik riep naar Peter dat ik bijna kwam, snelde terug naar binnen, trok het kastje naast mijn bed open, griste er de fles schnaps uit en zette die aan mijn mond. Een, twee, drie slokken klokte ik naar binnen. Een warm gevoel trok van mijn slokdarm naar de rest van mijn lichaam en steeg naar mijn hoofd.

Van buiten klonk opnieuw de stem van Peter. ‘Kom op, Heiko!’ Hij stond al op de hoek van de straat. De vertrouwde straten vol grauwe, eenvormige flats en appartementen schoven langs ons, alsof ze werden opgevouwen en ophielden te bestaan. Overal waren woningen verlaten, deuren stonden nog open. Lampen nog brandend, schoorstenen rokend. Verlaten woningen, waarin zich vergelijkbare taferelen hadden afgespeeld als bij ons. Gesprekken over niet meer piekeren, over niets te verliezen. Gezinnen stonden samengeklonterd op straat of wurmden zich in ronkende Trabanten. Vaders gingen voorop, of ontbraken, waarschijnlijk omdat ze in de afgelopen maanden al een vlucht waagden via een van de ambassades. Daar gingen wij niet heen. Ook niet naar het chaotische Berlijn, waar de kans op Russisch ingrijpen het grootst zou zijn.

De Reis Begint

In de schemering schuifelden we met de massa mee naar het treinstation van Wolfen. Moeders met schreeuwende, jankende kinderen om hun armen geklemd. Een jongetje hield in zijn andere hand een afgesleten knuffel. Tientallen mensen wachtten en overlegden in de stationshal. Vaak genoeg pakte ik de trein vanaf een van de perrons waar ik nu naartoe liep. Het stond volgepakt met mensen, ze droegen tassen vol spullen, of helemaal niets zoals wij. Verheven stemgeluid verraadde de onderdrukte opwinding. Ieder deed zich voor te wachten op een reguliere trein, richting een dorp of stad even verderop.

Bij perron twee stond een rood-witte locomotief met erachter groene wagons; de trein richting Leipzig. Van daaruit reden er op gewone dagen treinen naar het Westen, voor bezoekers die terugkeerden naar hun eigen wereld. Peter wees ernaar en even later zat hij schuin tegenover me in de tweedeklas coupé waarvan alleen de zitplaatsen bezet waren, omdat een politieagent ons met strenge gebaren verbood te staan in het gangpad waar hij en zijn collega’s met klinkende laarzen doorheen moesten marcheren. Maar die collega’s bleven buiten, met diezelfde lege, norse blikken. De bagagerekken boven de rechte bruinrode zitbanken bleven leeg. Niemand in deze trein durfde zijn plannen te tonen. Mijn ogen vonden een klok. Half acht.

Peter zat naast een jonge moeder met een kind dat bladerde in een socialistisch prentenboek. Verderop dronken twee mannen pils uit grote bruine flessen en praatten luid en jolig over nietszeggende zaken. Wat had ik graag ook een slok genomen. Af en toe keek Peter me heel even aan en dacht ik ook bij hem twijfel te zien. Na ruim een uur reden we Leipzig binnen. De deuren gingen open, mensen stonden op. Zo soepel als dit ging, zo onzeker was onze nabije toekomst. Op het grauwe perron was het nog iets drukker dan in Wolfen. De menigte oogde iets opgewondener, maar nog altijd heerste de discipline.

Het Doorbreken van de Routine

Nu zouden we de routine moeten doorbreken. Nergens stonden borden die ons de weg wezen. We keken elkaar aan, wisten niet waarheen we konden. Agenten stonden in groepjes aan de randen van de perrons, gewapend met knuppels en kalasjnikovs, rokend, pratend. Treinen zagen we wel, maar niet naar die overkant. We zwierven over het perron, zoekend naar een doel dat er nog niet was. We vonden een plek met overzicht aan de rand van perron twee, waar we wachtten tot de onrust ons weer in de kraag vatte en in beweging bracht. Het eindeloos staren deed me een systeem ontdekken in de nummers op de rood-grijze diesellocomotieven van de Reichsbahn: drie cijfers, met een één voorop, dan nog drie, een streepje en een laatste cijfer. Het was gaan regenen. Fijne druppels. We zochten beschutting onder een afdakje, maar moesten steeds in beweging komen om alle perrons te kunnen overzien. Peter gebaarde me niet op te geven, het nu of nooit was nog niet verstreken. Hoe lang zou het ons respijt geven onze kans te grijpen?

Verschillende treinen vertrokken, maar alleen naar andere bestemmingen in de DDR. Mijn haar was zeiknat, mijn kleding doorweekt. Ineens was daar een locomotief met een zelfde soort cijfercode, waarschijnlijk stamde het systeem van voor de opsplitsing, maar een ander kleurenpatroon: wel rood van onderen maar vaalwit van boven en toelopend in een punt, gevolgd door treinstellen die ik nooit eerder zo open en bloot op het station tot stilstand zag komen. Op de wagons van deze trein blonken de letters DB. Deutsche Bundesbahn. ‘Hannover’ stond op het perronbordje. Hannover, ja het stond er echt. Het Westen. Mensen stapten in en wenkten anderen. Het waren geen westerlingen, dat zagen we direct aan hun bedompte kleding. Peter knikte. We liepen erheen, samen met tientallen anderen. Met mijn blik gefocust op de wagondeur legde ik de meters door de mensenstroom als vanzelf af. Dit kon niet kloppen, flitste het door mijn hoofd. Maar dat deed het wel. Peter stapte voor me het trapje op, hees zich omhoog en stak zijn arm naar me uit.

De Grens Over

De coupé stroomde langzaam vol. Peter zat twee rijen bij de raamplek vandaan die ik had bemachtigd. De beklede banken waren smetteloos, gestreken kleedjes sierden de ramen, glanzende bagagerekken waren boven ons aan de wanden bevestigd. Voorlopig leken ze te wachten op instructies. Niemand binnen trok zijn mond open, alsof ieder woord deze droom kon doorbreken. Kwam die trein maar gewoon in beweging. Peter staarde voor zich uit. Hij leek weg, ver weg van waar ik was. Bevonden zijn gedachten zich al aan de andere kant van die grens? Of durfde hij slechts te hopen op niets, zoals ik?

De volgende dag moest al ingegaan zijn. Zeker een uur waren er geen andere treinen meer aangekomen of vertrokken. Toen, een fluittoon die mijn oren deed suizen. Piepend kwam de locomotief in beweging. Onderdrukte zuchten losten op in dat bevrijdende geluid. Naast me begon een jongetje van een jaar of vijf heel zachtjes te snikken. Met moeite onderdrukte ik de impuls zijn keel dicht te drukken met mijn handen, om de door angst afgedwongen stilte in stand te houden. De moeder probeerde haar zoontje met haar hand te sussen. Haar vingers raakten zijn neus, het kind verstijfde, hield even zijn adem in en begon te huilen. Niemand stond op. Het was als iedere minuut opnieuw zwetend ontwaken uit een droom, maar dan was het geen droom, het was echt en het zweten werd erger.

De Controle

Van buiten klonk het geluid van klinkende laarzen op het zandpad. Mijn maag rommelde, deed anderen opkijken en mij grijpen naar mijn buik, een vergeefse poging om het geluid te dempen. Honger was het niet. Mijn klamme zweet had mijn hemd verzadigd en deed het plakken op mijn rug. Mijn mond was kurkdroog, mijn blaas hard. Mijn ledematen waren stram en verkrampt. Een licht schokje. Heel langzaam trok de trein weer op en reed stapvoets een overkapt station binnen. Buiten deden soldaten geroutineerd hun werk: hun grote zaklampen en glanzende spiegels speurden de onderkant van de treinstellen af, op zoek naar verstekelingen. Honden met ontblote tanden sprongen schuimbekkend tegen de wagons op, De soldaten schreeuwden naar elkaar, schopten de dieren. De trein hield halt. De wagondeur zwaaide open.

Een hoge DDR-officier kwam de coupé binnen. Hij keek rond, met zijn geveinsd zachte blik leek hij ons vertrouwen te willen winnen. Op vele gezichten om me heen las ik wanhoop, spijt en radeloosheid. ‘Als u geduldig bent en meewerkt, kunt u straks 25 D-Mark ophalen bij ons kantoor.’ Resoluut draaide de officier zich om en verdween. Drie soldaten kwamen binnen. ‘Paspoorten!’ schreeuwde de voorste terwijl zijn collega’s op de passagiers af stapten. Ruw pakten ze de documenten uit trillende handen en stopten ze in een grote, grijze zak. Een van hen greep een kromgebogen zittende man bij zijn schouder, sleurde hem omhoog en duwde hem het gangpad in. De man kermde zacht met hoge stem. De agent fouilleerde hem ruw, graaide in zijn zakken en duwde hem terug. De anderen schudden tassen leeg op de wagonvloer en gristen eigendommen weg. Ze kwamen bij mij aan, ik veerde op.

‘Spullen bij je?’ Ik schudde mijn hoofd. Hij fouilleerde me ruw, vond niets. ‘Daar, geld ophalen!’ Hij wees naar het einde van het gangpad. Ik keek om me heen om te zien wat de anderen deden. Een vrouw naast ons keek wanhopig naar haar man.

labels:

Zie ook: