De meeste tijd van mijn pelgrimage voert me door de natuur. Maar als ik een dode das in de berm zie liggen, zoek ik even op of het er wel één is.

17 mei is de dag dat gastheer Michel, voorzitter van de jagersvereniging, al vroeg op pad is omdat vandaag de wijn voor een heel jaar onder de jagers wordt verdeeld.

Ik help zijn slechtziende vrouw Nicole met het juist instellen van de wasmachine voor het beddengoed en de stad Bazas wordt de volgende plaats van bestemming.

Een Middeleeuwse Stadskern in Bazas

Niet eerder heb ik zo’n middeleeuwse stadskern gezien als in Bazas. Zeer oude woningen, kerk en plein in het midden en zeer smalle straatjes er omheen. Onder de togen van de markthal zijn exposities over de smederij en de kuiperij.

Ik ben vanaf vier uur te gast bij Nadège en Jules, die voor nood graag pelgrims opnemen. De gastheer speelt na het avondeten even gitaar.

“Neem deze radijsjes mee voor onderweg, lekker fris!”, zegt Nadège de volgende ochtend en even later stap ik op en maak bij het voormalige paleis van Justitie kennis met twee Belgen uit Retie en Oud-Turnhout, die er behoorlijk de pas in hebben.

Op het Verkeerde Been in Roquefort

Voor de slaapplek in Billon moet ik uren lang over een oude spoorbaan, die knap begint te vervelen. Ik ben wát blij als ik de volgende dag, 19 mei, in Café de la Paix in Roquefort de sleutel mag halen voor de refuge.

‘s-Avonds stap ik een winkel binnen en zeg: “En nu zou ik heel graag een stukje Roquefort-kaas proeven.” De winkelier begint te lachen en zegt: “Dan bent u in het verkeerde Roquefort, want hier wordt geen kaas gemaakt. Er zijn drie plaatsen in ons land die zo heten.” Ik ben verbaasd. Mezelf op het verkeerde been gezet, dus.

Bij Coiffure Anna heb ik meer succes; morgenochtend kan ik er om 09.00 uur terecht om mijn haren kort te laten scheren, net als mijn baard. Niet langer als een clochard, maar lekker fris door het leven.

Ontmoetingen in Mont de Marsan

Na de knipbeurt stap ik verder naar Mont de Marsan. De Franse Philippe is ook weer van de partij, net als de twee mannen uit Oud-Turnhout en Retie.

“Gooi je was maar bij de onze, dan draai ik een machine.”, zegt één van hen als ik binnen stap. Philippe komt later terug van boodschappen doen en schudt voor algemeen gebruik een grote zak chips in een schaal. “Om het zoutgehalte weer wat op te krikken”, zegt hij.

Dan arriveert Paul, uit Spanje, waterfles in de hand, op weg van Parijs naar Roncevaux. Zo adviseert hij me te gaan eten in een pub. “Op het plein ginds, the Green Oak. Ikzelf woon er naast.” Zo gezegd, zo gedaan, maar de teleurstelling voor mijn knorrende maag is groot: 19.30 u begint de chef-kok pas te werken en het is pas zes uur. Wederom op het verkeerde been gezet.

Terug in de refuge vertellen de twee Belgen dat ze hun tent, slaapzak, overdosis kleren en nog wat rommel hebben teruggestuurd naar huis.

Overwegingen over Bagage

Als Philippe de volgende ochtend zijn voeten verzorgt, adviseert hij me om tent én slaapzak terug te sturen. Paul vindt, nadat hij de laatste haartjes in het gat van zijn baseballcap heeft gladgestreken, dat de slaapzak in de Pyreneeën nog nodig kan zijn, en ook de hospitalero die ik bel, vindt dat de slaapzak niet teruggestuurd moet worden.

Om negen uur helpt een vriendelijke dame van de PTT me met een doos. De tent gaat er in, een boekenlegger, een riem, de kam, de hoofdlamp en de weegschaal geeft 3.300 gram aan. De doos gaat rechtstreeks naar Valkenswaard.

Budel en Beyries

Als ik na de mis in de abdijkerk terugkom, staat er tóch een tweede paar schoenen. Niet van Philippe, maar van Maurice uit Budel! Een vrolijke jonge gast die de camino ook loopt.

In Beyries staat het gemeentehuis in een verloren hoek van het dorpje. Op dit eindpunt van de 52e dag slapen in deze grote ruimte ook twee oudere dames en Bulander Maurice.

Omdat het droogrek vol hangt, span ik mijn eigen draad onder het afdakje van de voordeur van het gemeentehuis. Toeval of niet, als ik bezig ben mijn onderbroek op te hangen, verschijnt mevrouw de burgemeester en verzoekt me de was te verwijderen. “Dit is een gemeentehuis”, zegt ze kordaat en daar heeft ze gelijk in.

Het is een week geworden met 147,6 kilometer en in totaal 1590,5 kilometer met tien druppels regen. Met wonderlijke slaapplaatsen en veel genoegen!

Córdoba: Een Stad van Patio's en Geschiedenis

De ochtendzon kruipt over de muren van de Mezquita, terwijl de eerste geuren van versgebakken churros door de smalle straatjes zweven. Córdoba is weliswaar een van de grotere steden in Andalusië, maar een stuk kleiner dan Sevilla of Málaga. Het centrum is lekker compact en in theorie kun je in een dag dus al heel veel van Córdoba zien.

In Córdoba kies ik voor een fietstour van Baja Bikes. Samen met de gids fietsen we langs de verschillende highlights van Córdoba: de Mezquita, de Romeinse brug, de Alcázar en meer.

Ik kies ook nog voor een korte wandeltour van een uurtje door de Joodse wijk (Judería) van Córdoba. De gids spreekt perfect Engels en woont zelf in de Joodse wijk. De wijk bestaat uit veel kleine, smalle straatjes met winkeltjes en een aantal patio’s.

De Joodse synagoge ligt, hoe kan het ook anders, in de Joodse wijk. Het was waarschijnlijk ooit een privé of familiesynagoge en hij stamt al uit 1315.

Vlakbij de synagoge staat het beeld van de Joodse denker Maimónides. Hij werd in 1135 geboren in Córdoba maar moest Spanje ontvluchten toen de Joden werden verbannen.

De paardenshow van Córdoba Ecuestre is een heel spektakel. Je krijgt verschillende rijstijlen te zien, steigerende paarden en ook een dans met flamencodanseres.

De Mezquita van Córdoba is de belangrijkste bezienswaardigheid van de stad. Het is een grote middeleeuwse moskee met daarbinnen een kathedraal - heel bijzonder. De hoefijzervormige bogen zijn typerend voor de Mezquita. De tuin van de Mezquita kun je gratis bezoeken. Dit is de Patio de los Naranjos.

Via de Romeinse brug van Córdoba steek je de Guadalquivir rivier over. Aan de ene kant ligt het historische centrum van Córdoba met de stadspoort Puerta del Puente, aan de andere kant vind je de Torre De Calahorra en een wandelpark.

De Torre De Calahorra kun je bezoeken. Binnen is een museum over Andalusië. Het letterlijke en spreekwoordelijke hoogtepunt was dan ook eigenlijk dat je de toren op kunt voor het uitzicht.

Het woord Alcázar is Arabisch en betekent kasteel of paleis. In Córdoba staat dus het paleis van de christelijke koningen. Het werd in de 14e eeuw gebouwd in opdracht van de koning op de plek waar eerder een Moors paleis stond. Bij binnenkomst betreedt je eerst het paleis om de mozaïeken te bekijken. Die stammen nog uit de Romeinse tijd.

Bij ons is het ondenkbaar dat je met een flinke bijl vissenhoofden staat af te hakken op je kraam, of dat je een varkenshoofd uitstalt. De markt is leuk om even overheen te lopen en het ligt aan een groot plein met winkeltjes en terrassen.

De Mercado Victoria is ook een markt, maar dan eentje waar je gaat eten. Een foodhal dus met verschillende kramen. Je vindt er van alles: pizza, gefrituurde vis, kaas, ham, taco’s, en nog veel meer.

Even uitpuffen en wat eten of drinken in de zon? Dat kan aan de Paseo de la Ribera. Daar vind je onwijs veel terrasen. Rond de lunchtijd loopt het hier snel vol.

Cordoba’s signature dish is salmorejo en dat is heerlijk! Het is een dikke, koude soep met een gekookt ei en stukjes ham. Probeer dan ook iets met rabo de toro, oftewel ossenstaart.

Over de Romeinse tempel van Córdoba kan ik je helaas niet zo veel vertellen. Hij stond namelijk in de steigers tijdens mijn bezoek.

De patio’s van Córdoba moet je zien als je in de stad bent. Op meer plekken in Andalusië vind je mooie patio’s, maar hier in Córdoba zijn er echt ontzettend veel en de mensen doen enorm hun best om hun patio mooi te maken.

Bij Palacio de Viana zijn in totaal twaalf patio’s te bewonderen. Ze zijn mooi verzorgd en allemaal net weer even anders.

Als je zin hebt om een museum te bezoeken, maar er niet uren in rond wil dwalen, dan raad ik je het Museo de Bellas Artes de Córdoba aan. Het is een klein museum dat je als inwoner van de EU gratis mag bezoeken.

Vlakbij het Plaza de Colon vind je een oud klooster dat nu dienst doet als provinciehuis van Córdoba. Het Palacia de la Merced is een bijzonder bouwwerk. Het is een prachtig voorbeeld van de Cordobese barokstijl. Op doordeweekse dagen mag je de patio bekijken en dat is wel de moeite waard.

Voor € 1,50 mag je de kleine kapel van de San Bartolomé kerk bezoeken. De kapel heet ‘mudéjar’ naar de bouwstijl. Mudejarstijl is een combinatie van moslim en christelijke bouwstijlen.

Op een kwartiertje rijden buiten Córdoba ligt Medina Azahara, een archeologische vindplaats die verrassend populair blijkt te zijn. De stad was slechts 80 jaar een bloeiend centrum voordat plunderaars er met de kostbaarheden vandoor gingen.

In Córdoba zelf heb je eigenlijk geen auto nodig. Sterker nog: het is onhandig, want parkeerplaatsen zijn schaars.

Uit mijn shortlist kies ik uiteindelijk voor Rincón de Regina. Een klein appartement iets buiten het centrum met keuken en douche.

Hoeveel dagen heb je nodig in Córdoba?

Je hebt één dag nodig om de belangrijkste bezienswaardigheden van Córdoba te zien (zoals Mezquita, patio’s, Alcázar), maar het is beter om twee of drie dagen uit te trekken voor Córdoba zodat je ook de minder bekende bezienswaardigheden ziet en wat tours kan doen.

Waar staat Córdoba bekend om?

Córdoba’s bekendste bezienswaardigheid is de Mezquita. Daarnaast is de stad bekend om de patio’s vol bloemen.

Heeft Córdoba een vliegveld?

Nee, Córdoba heeft geen vliegveld. Wel is het goed te bereiken vanuit Málaga en Sevilla. Je kunt dus op één van die steden vliegen en vervolgens een trein pakken.

labels: #Pizza #Ei

Zie ook: