Naarmate de aflossing door de Belgische Brigade Piron vorderde, verplaatste de Irene Brigade zich tussen 10 en 14 april van Zeeland naar de omgeving van 's-Hertogenbosch naar de volgende oorden: De staf, Gevechtsgroep II en Batterij Artillerie naar Vlijmen, Gevechtsgroep 1 tussen Bokhoven en Engelen, Gevechtsgroep III naar Herpt, nabij Heusden, De Trein en Herstellingsafdeling naar Vught.

De Brigade was nu ingedeeld bij de Britse 116e Brigade die het Maasvak van Heerewaarden tot en met Besoyen bezette, met van rechts naar links 30 Bat. Mariniers, Prinses Irene Brigade, 28 Bat. Mariniers (afgelost op 26 april 1944 door 30 Berkshire Regt.). De Brigade kreeg het vak van de spoorlijn ’s-Hertogenbosch - Hedel tot Heusden te verdedigen.

Dr. Seyss Inquart, de hoogste autoriteit in Nederland, stemde begin april 1944 ermee in dat de bezette Randstad ongehinderd van voedseltransporten werd voorzien. Hij stelde wel als voorwaarde dat de geallieerden geen enkele aanval op West-Nederland zouden uitvoeren. Daar stemde veldmaarschalk Montgomery mee in.

"Wij gingen grif akkoord om van deze gunstige gelegenheid een voordelig gebruik te maken en het transport van voedsel, medische middelen en andere goederen die nodig waren, werd meteen in gang gezet", schreef hij later in zijn boek 'Normandy to the Baltic'. Om de voedselaanvoer goed te kunnen regelen, via het Reliefplan, richtte Montgomery een aparte organisatie op.

De leiding over dit zogenoemde The Netherlands District kreeg de Britse Major-General A. Galloway. Op zondag 22 april 1945 kondigde Montgomery een algeheel aanvalsverbod af.

Linksboven het fort Crêvecoeur, in het midden de vernielde bruggen over de Maas bij Hedel. De Irene Brigade zat met zo'n 360 parate militairen, onder commando van luitenant-kolonel De Ruyter van Steveninck, ter hoogte van Fort Crêvecoeur, een oud, recht tegenover Hedel gelegen verdedigingswerk.

Iets verderop, aan de Maas tegenover Alem, lag het 30ste Bataljon van de Engelse Royal Marines dat werd geleid door Brigadier C. Philips. Geallieerde bevelhebbers hadden de indruk dat vanwege de tyfus in de Bommelwaard er amper nog een Duitse soldaat meer te bekennen zou zijn.

Na lang aandringen kreeg kapitein W. de Roos van de Brigade toestemming. Samen met sergeant-majoor De Bruin en sergeant Balster ging hij met een van de Engelsen geleende stormboot de Maas over. Helaas zonk deze boot al snel, maar bij de sluis lag nog een oude roeiboot. Hiermee leidde hij in de nacht van 18 en 19 april de verkenningspatrouille naar Hedel.

Dezelfde nacht meldde zich een andere bron van informatie: Gefreiter Walter diende bij een aan de wal gestationeerd Kriegsmarine-onderdeel. Deze man zag zijn overplaatsing als een degradatie. Hij was hierdoor zo verbitterd, dat hij in een dronken bui de Führer en zijn regime vervloekte.

Als gevolg hiervan zou hij op rapport moeten komen bij de Gruppenführer en zag hij nog maar één uitweg: de Maas over. Bij Bokhoven bereikte hij de wal en werd gevangen genomen. Hij bleek een bron van interessante inlichtingen. Na nog enkele verkenningen op 20 april bleek dat de noordelijke oever gedeeltelijk was ondermijnd. Doorgangen door de mijnenvelden voorzag men van witte linten en paaltjes. De burgerbevolking van Hedel bleek al geëvacueerd.

Op 21 april om kwart over elf vertrok de volgende patrouille van in totaal zestien man. Luitenant Masthoff was de commandant van deze groep. Vijf man bleven bij de landingsplaats achter. Een groep van vijf, onder leiding van sergeant Balster, ging de richting van Hedel verkennen. Masthoff ging met de overige zes in de richting van Ammerzoden.

Een van de mannen (wm. Görres) trapte in een droge sloot echter op een voetmijn en verloor daarbij een been. Sergeant-majoor de Bruin, zelf hierdoor gewond geraakt, tilde de zwaargewonde man op zijn rug terug naar de landingsplaats. De gereduceerde patrouille vervolgde zijn weg.

Operatie Orange

Het aanvalsplan Operatie Orange behelsde het volgende: de Irene Brigade steekt bij Hedel de Maas over, consolideert het gebied en trekt op richting Kerkdriel; de Engelsen doen hetzelfde bij Alem, gaan ook naar Kerkdriel en vormen samen met de Nederlanders een bruggenhoofd dat als opstap dient om verder noordwaarts te trekken en de brug bij Zaltbommel te veroveren. Op 22 april om middernacht 24.00 uur ging de operatie van start.

Om de Maas te kunnen oversteken kreeg de Irene Brigade steun van Britse Pioneers, uitgerust met drie Buffalo-landingsboten met een geruisloze motor. Gevechtsgroep 1 vormde het bruggenhoofd. Ze staken 's nachts via de Dieze de Maas over. De commandogroep en het eerste en tweede peloton werden bij hectometerpaal 26.1 aan land gezet.

Uit de verkenningen bleek dat dit een goede landingsplaats was voor de landingsboten. De Buffalo's keerden meteen terug om het derde en het vierde peloton op te halen. Door technische problemen arriveerden ze echter een uur later. Een twaalftal Britse militairen van de Royal Engineers, ingedeeld bij het tweede en vierde peloton, begonnen de omgeving van het landingspunt op versperringen te controleren. Die bleken niet of nauwelijks aanwezig.

Het eerste peloton, onder commando van sergeant-majoor De Bruin, bleef achter om de landingsplaats te bewaken en de overige drie pelotons gingen richting Hedel en verrasten de Duitsers volledig en zonder tegenstand namen de Irenemannen stellingen bij de landingsplaats en in Hedel in.

'In de stille straten konden in het heldere maanlicht ladders en stoelen tegen de voorgevels worden waargenomen, waarmee de Duitsers mijnen en boobytraps aangaven. Er ontplofte echter niets.'

De kapotgeschoten slagerij van de Fam. Van den Bogert richtte Majoor Paessens in als commandopost. Deze post, aan het Kleinveld, was goed centraal gelegen. Het radiostation werd onmiddellijk geïnstalleerd onder de toonbank en al snel stond men in verbinding met het Brigadehoofdkwartier aan de overkant. Taak van de gehele gevechtsgroep was het de Duitsers te beletten door te dringen in Hedel.

Op 23 april kreeg het eerste peloton van De Bruin bij de landingsplaats voor het eerst de Duitsers in zicht. Ze werden rond 7.30 uur opgeschrikt door geweervuur vanuit de richting Ammerzoden. Het ging om een groep van een man of zes, die zich ingroeven in de dijk.

Twaalf Britse Engineers hadden ondertussen een nieuw landingspunt vrijgemaakt van mijnen en versperringen. De plek ligt zuidelijk van Hedel, langs het zgn. Bietenhaventje. Het is de plaats waar vroeger de veerpont aanlegde en daardoor erg geschikt voor de Buffalo's. De ligging was recht tegenover het Fort Crêvecoeur.

De af te leggen afstand over de Maas werd nu belangrijk verkort. Dus minder risico voor vijandelijk vuur. Nadat dit alles was gerealiseerd, begon men met het overbrengen van de zwaardere wapens, zoals mitrailleurs en mortieren. Die waren nodig om de gewonnen posities beter te kunnen verdedigen.

Rond 10.00 uur kwam Gevechtsgroep I bij deze landingsplaats aan land. Om 11.00 uur gingen twee patrouilles o.l.v. lt. Rueb van de Brigade, richting Velddriel en Kerkdriel om daar contact te maken met de Britse mariniers.

Het derde peloton van serg-maj. Huizinga nabij boerderij De Woerd werd plotseling aangevallen, waardoor het langzaam terugtrok. Een gedeelte daarvan bij de R.K.- kerk, waarbij een brenschutter en- helper (J. Grootendorst en R. van de Beek) werden gedood. De Duitsers beschikten over verschillende mitrailleurs en verschansten zich in huizen en achter muren.

De 30 mannen van het 1ste peloton ondernamen een tegenaanval om de Duitsers weer uit de huizen drijven. Ze kregen voor deze opdracht versterking van een sectie (10 man) van het tweede peloton. Ondertussen leverde de Batterij Artillerie vanuit Vlijmen aan de overkant, uiterst precies werk af.

Ook de mortiergroep was inmiddels goed ingeschoten en gaf steun, mede hierdoor werd het terrein in de binnenstad voet voor voet door de Irene Brigade met bajonet en handgranaten veroverd. Dezelfde middag sneuvelde sergeant Kraay. Hij was ingedeeld als schutter van een Vickers-mitrailleur bij het vierde peloton van kapitein Post. Hij kreeg orders om vanaf de kruin vanaf een dijk op de Duitsers in het koolveld te schieten.

Hier had hij een prima gezichtsveld, maar die positie bleek te gevaarlijk. Hij werd getroffen door een kogel van een sluipschutter. Onder het viaduct kreeg hij een voorlopig graf.

De Britse mariniers bij Alem werden ook verrast door de felle Duitse tegenstand. Zij gaven al snel hun bruggenhoofd prijs. De oorspronkelijke operatie met als doel de brug bij Zaltbommel te veroveren werd opgegeven, maar toch kreeg de Irene Brigade opdracht Hedel te behouden.

's Avonds laat bezocht de Brigadecommandant de frontpelotons en beloofde versterkingen. Dit bleken rekruten uit het opleidingsdepot van de Irene Brigade uit Bergen op Zoom. 24 april verliep relatief rustig, naar later bleek, omdat de Duitsers eenheden vanuit Tiel naar de Maas afvaardigden. 's Morgens ontdekte men mijnen bij het landingspunt.

Veiligheidshalve maakten de Buffalo's geen gebruik meer van die plaats, maar de plaats ernaast. Toch ontplofte er een mijn. Niet bij het landingspunt, maar 's avonds midden in het dorp. Een brenguncarrier reed er per toeval over en kwam door de hevige explosie op z'n kop terecht. Soldaat Schortinghuis kwam half onder het vier ton wegende rupsvoertuig terecht en werd onmiddellijk gedood. De andere drie inzittenden raakten gewond.

's Avonds kwamen de officieren bijeen in "het batlle-HQ" in de slagerswinkel. Er waren wat verschuivingen geweest in de posities. Het peloton van sergeant-majoor Schoenen nam in het begin van de avond de stellingen over van het derde peloton. Sergeant-majoor Huizinga en zijn mensen kregen welverdiende rust en kwamen in reserve in een boomgaard in het centrum van het dorp. Het peloton van sergeant-majoor Kloots bezette vanaf de middag een nieuw steunpunt, namelijk de boerderij en de boomgaard van de Woerd, vlakbij de stellingen van Schoenen.

Op 25 april 1945 kwart over vijf in de morgen werden de mannen van het vierde peloton van Luitenant Rueb ruw gewekt door Duitse artillerie, mortieren en mitrailleurs. Via de radio meldde hij de commandopost dat zijn peloton werd aangevallen en onmiddellijk versterking nodig had. De 2 inch mortier van het peloton begon te vuren in oostelijke richting van de verkeersweg. De verwarring was groot. Het peloton bestond voornamelijk uit jonge en nog onervaren rekruten. Ze werden echter goed geleid door de zeer ervaren sectiecommandanten.

Eén van die secties werd vrijwel geheel uitgeschakeld als een voltreffer van een Panzerfaust insloeg. De waarnemend commandant, korporaal De Boer, was half verblind van de explosies. Hij bleef bij zinnen en wist zijn groep terug te trekken naar de boomgaard waar ook de eerste sectie lag.

Sectie 2, noordelijk van het viaduct, werd ook verrast. Ze konden enkel maken dat ze wegkwamen, hun aftocht dekkend met handgranaten. Minstens één vijandelijke soldaat werd hierdoor gedood.

labels:

Zie ook: