Maak kennis met de smaakmakers uit de West-Zeeuws-Vlaamse polder! Na rijst, tarwe en mais is de aardappel wereldwijd het belangrijkste voedselgewas. Het knolgewas is afkomstig uit Zuid-Amerika en naar Europa gebracht door Spaanse ontdekkingsreizigers. Sinds de zestiende eeuw is de aardappel in veel Europese landen een van de basisvoedingsmiddelen. In Nederland en België wordt hij gezien als maaltijddrager. In andere landen telt hij juist mee als groentesoort.
De aardappel is een cultuurgewas en hoort net als de tomaat, paprika en tabak tot de nachtschadefamilie. De plant groeit voornamelijk ondergronds. In de ondergrondse knollen wordt een energievoorraad in de vorm van zetmeel aangelegd. Dit wordt door de plant opgeslagen in voor ons eetbare stengelknollen, die net als de plant zelf aardappelen of aardappels worden genoemd.
Teelt en Seizoen van Aardappelen
Aardappelen worden volop geteeld in Nederland, met name in Zeeland, Flevoland en Noord-Brabant. Nieuwe aardappels zijn de eerste aardappels van het land in het voorjaar. Ze hebben een fijne smaak en een hele dunne schil. Je kunt ze lekker eten in hun schilletje! De nieuwe aardappels liggen in juni in de schappen en zijn slechts korte tijd verkrijgbaar.
In de normale teelt wordt de aardappel gepoot in april en geoogst in september en oktober. Ze worden daarna direct opgeslagen en zijn daardoor jaarrond verkrijgbaar.
Diversiteit aan Aardappelrassen
Er zijn wereldwijd ongeveer 4000 aardappelrassen. Hiervan worden zo’n 200 rassen in België en Nederland geteeld. Er wordt onderscheid gemaakt tussen rassen met vastkokende aardappels (vastkokers). Zij behouden bij het koken hun stevigheid. En rassen met kruimige of bloemige aardappels (droogkokers). Deze zijn daardoor het meest geschikt om te pureren. Aardappelen die bij langer koken helemaal uit elkaar vallen, worden afkokers genoemd.
Bekende Aardappelsoorten
- Vastkokende aardappelen: Nicola, Accent, Ditta, Inova, Stroma, Monalisa, Opperdoezer-ronde.
- Vrij vastkokend: Bildtstar, Redstar, Platina, Oscar.
- Kruimig: Bintje, Frieslander, Gloria, Maritiema, Platina, Santé, Turbo.
- Zeer kruimig: Agria, Santana, Eigenheimer, Irene, Doré.
Culinair Gebruik van Aardappelen
De aardappel is erg veelzijdig, wederom een echte allrounder van eigen bodem! Elk aardappelras heeft zijn eigen smaak, kenmerken en kent meerdere toepassingen. Het ene ras is geschikt om als friet te verwerken, een ander ras is weer beter om te pureren. Wat de verwerking ook is, gebakken, soep, gepoft, wedges, gekookt, in ganzenvet konfijten, salade, crème, soufflé, chips of espuma, er is een aardappelsoort voor!
In Nederland tel je aardappels niet mee als groenten. Voor ons is deze veel gegeten knol een belangrijke bron van koolhydraten. De aardappel is zetmeelrijk, bevat vezels en net zoals vele andere groenten veel vitamines en mineralen, zoals vitamine B6, vitamine C en kalium. Dat is mooi meegenomen!
Bewaren van Aardappelen
Kijk bij aankoop of de aardappels een stevige, mooie, heldere gele (of rode) huid hebben. Ze zijn minder goed als ze slap zijn, zuur ruiken, uitlopers, beschadigingen en groene of blauwe plekken hebben. Je kunt aardappels na aankoop het beste op een koele, donkere en droge plek bewaren.
Wist je dat?
In Nederland eten we per persoon gemiddeld wel 81 kilogram aardappels per jaar. De aardappel komt oorspronkelijk uit Zuid-Amerika maar ook in Europa zijn aardappels nu een heel normaal onderdeel van het voedsel. Er zitten veel koolhydraten (zetmeel) in, net als in brood, pasta of rijst.
Geschiedenis van de Aardappel
Vanaf de tweede eeuw van onze jaartelling teelden de Inca’s in Zuid-Amerika aardappels. Zelf noemden ze dit product ‘chunu’ en aten ze deze (overigens veel kleinere variant dan we in Europa kennen) groente als hoofdvoedsel. De chunu werden vaak vers gegeten, gedroogd tot meel of tot bier gegist. Er waren veel verschillende soorten chunu, die men teelde hoog in het Andesgebergte, waar geen andere planten konden groeien.
In de zestiende eeuw werd Zuid-Amerika door de Spanjaarden ontdekt. Al plunderend veroverden de Spaanse conquistadores het huidige Chili en Peru. De expeditie die naar alle waarschijnlijkheid aardappels voor het eerst naar Europa meebracht, was die van Diego de Amalya. In 1536 beschreef de kroniekschrijver van De Amalya namelijk een plant met meelachtige wortels die verrassend goed van smaak waren.
Vanuit Spanje verspreidde de aardappel zich via de botanische tuinen van monniken en kloosterorden over Europa. Diverse geleerden waren enthousiast over het product, want de knollen groeiden vrijwel in elk klimaat, konden gemakkelijk worden verbouwd en waren zeer voedzaam. Dit zou dé oplossing kunnen zijn voor de vele hongersnoden die destijds Europa teisterden. Vele Europese heersers probeerden de aardappelteelt dan ook in hun gebied te bevorderen.
Dit ging niet gemakkelijk: de mensen vonden het een smakeloos product dat er raar uitzag met al die uitsteeksels, helemaal nergens naar rook en waarvan de stengels en bladeren ook nog eens giftig waren. De Pruisische heerser Frederik de Grote maakte het consumeren en telen van de aardappel in 1774 verplicht in zijn rijk, maar zelfs dit werkte niet. Toen gooide hij het over een andere boeg: hij verbood de consumptie van aardappelen en maakte tot een koninklijk product dat alleen in de koninklijke tuinen geteeld werd. Binnen de kortste keren sierde de pieper vele Duitse akkers.
De Franse apotheker Parmentier gebruikte nog ingenieuzere listen om de Fransen aan het aardappeleten te krijgen, waar hij glansrijk in slaagde. In Nederland werd de aardappel in 1593 door de botanicus Carolus Clusius geïntroduceerd, die ze meenam uit de keizerlijke tuinen in Wenen toen hij hoogleraar in Leiden werd. In de Leidse Hortus werden de aardappels geplant en in 1640 werd een stekje in een Groningse kruidentuin geplaatst en in 1689 in een botanische tuin in Amsterdam.
De Friese grietman (een soort plattelandsburgemeester) Vegelin van Claerbergen teelde in 1727 de eerste aardappels in de Lage Landen die tot voedsel voor mensen zouden dienen. Toch deed het in de achttiende eeuw nog vooral dienst als varkensvoer en als voedsel voor de allerarmsten. Ook scheepvaarders maakten dankbaar gebruik van dit goedkope voedsel. Op lange zeereizen voorkwam de aardappel - die rijk is aan vitamine C - scheurbuik.
Vele minderbedeelden leefden louter op een rantsoen van aardappelen in de negentiende eeuw. Toen de aardappelziekte de oogst in 1845 teisterde, was dit een grote ramp. Het overgrote deel van de oogst was vernietigd en dit leidde tot bittere armoede en grote honger onder de Nederlandse bevolking. In het noorden braken rellen uit en in het westen werden bakkerswinkels geplunderd. Daarop werd er graan uit Duitsland uitgedeeld en kwamen er innovaties op gang op het gebied van werkverschaffing.
In de Eerste Wereldoorlog raakten velen in neutraal Nederland ondervoed door de ingestelde aardappelrantsoenen. Toen Amsterdamse arbeidersvrouwen hoorden van een schip bij de Prinsengracht vol aardappels voor de militairen, besloten ze het schip op 28 juni 1917 te plunderen. De politie greep in, maar het bleef onrustig: er volgde een week van oproeren en plunderingen van pakhuizen (met o.a. aardappelen) voordat de rust weerkeerde.
Nederland heeft door de tijd heen een grote rol gespeeld in de veredeling van aardappelrassen. Eén van de bekendste kwekers was Geert Veenhuizen (1857-1930) die 94 nieuwe rassen in omloop bracht, waaronder de Eigenheimer. Een andere grote naam is Kornelis Lieuwes de Vries (1854-1929), die het tot nog toe bekendste Nederlandse aardappelras in 1905 ontwikkelde: het Bintje. Hij gaf lessen tuin- en landbouwkunde en vernoemde het aardappelras naar zijn lievelingsleerlinge Bintje Jansma.
Nog steeds is de aardappel één van de best verkopende producten in Nederland. Hoewel pasta, rijst, couscous, quinoa en allerlei andere exotische maaltijddragers bezig zijn Nederland te veroveren, ligt het hart van de traditionele Hollander nog steeds bij een maaltijd van aardappels, groente en een stukje vlees.
Teelt van Aardappelen
De belangrijkste teeltgebieden van consumptie-aardappels in Nederland zijn Flevoland, Zeeland en Noord-Brabant. In de veenkoloniën worden veel fabrieks-aardappels voor de zetmeelwinning geteeld. Aardappels worden bijna altijd gekweekt van één enkele kloon met zo goed mogelijke genen.
Nadat de grond door grondbewerking is gereed gemaakt, worden de pootaardappelen in de grond gestopt. Voor een normale teelt worden in april de pootaardappelen gepoot en met een klein beetje grond bedekt. De aardappelen worden op (grond)ruggen geteeld. In de loop van het groeiseizoen wordt enkele keren aangeaard met behulp van een aardappelaanaarder. Hierbij wordt aan twee kanten een laagje aarde van de zijkant van de groeiplek over de wortels van de plant geschoven.
Voordat de knollen gerooid worden, wordt het gewas loofgeklapt en/of doodgespoten. Door deze loofdoding vormen de knollen een steviger schil, waardoor ze bij het rooien minder beschadigd worden. De knollen worden met een rooimachine uit de grond gehaald.
Aardappelziekten en Plagen
Aardappels zijn vatbaar voor diverse ziekten en plagen. Tijdens het seizoen wordt, afhankelijk van het weer, door de meeste telers elke 7 tot 10 dagen met een chemisch bestrijdingsmiddel gespoten tegen de aardappelziekte (phytophthora). De noodzaak van chemische bestrijding is alleen te beperken door de keuze van zoveel mogelijk ziekte-resistente rassen. Bij de teelt van aardappelrassen zoals Bintje, Bildtstar en Eigenheimer wordt relatief veel gif gebruikt.




