Een driegangendiner in een restaurant bestaat doorgaans uit een voorgerecht, een hoofdgerecht en een nagerecht. Andere woorden voor de laatste gang zijn toespijs en - vooral bekend in het zuiden van ons taalgebied - toemaatje. Gangbaarder varianten tegenwoordig zijn dessert en toetje. We kennen een toetje als een gerecht na de maaltijd: een nagerecht. We eten iets na de maaltijd toe.

De toetjes zoals we die nu kennen zijn nog niet zo oud. In de middeleeuwen duidde het woord toespijs op iets wat bij de hoofdmaaltijd werd gegeten. Het dessert zoals we het ook wel noemen bestaat vaak uit een zuivelproduct zoals yoghurt, vla of pudding. De vraag is dan hoe we aan het woord “toetje” komen, wat de precieze betekenis is en welke geschiedenis hieraan voorafgaat.

De Oorsprong van "Toetje"

In zowel het Nederlands Etymologisch Woordenboek (1971) van J. de Vries als het supplement van Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal van C.B. van Haeringen wordt het onzijdig zelfstandig naamwoord toetje een jonge afleiding van toe genoemd. Beide woordenboeken vermelden eveneens dat deze vorming vergelijkbaar is met die van uitje (uitstapje) bij uit (zie Etymologiebank). Opmerkelijk aan het woord toetje (en uitje) is dat het verkleiningssuffix -tje niet achter een zelfstandig naamwoord geplakt is maar achter een bijwoord. Dergelijke woordvormingen komen slechts sporadisch voor.

Als voorbeelden van andere verkleinwoorden die zijn afgeleid van bijwoorden, noemt Nicoline van der Sijs in Onze Taal (2012: 247), voorafje, tussendoortje, ommetje, latertje en uitje. Zonder verkleiningsuitgang zijn die woorden niet gangbaar: een vooraf, een om, een later en een uit. Zouden er mensen zijn die een leuke uit naar de Efteling organiseren. Nee, niet in de zin van een ‘uitstapje’.

De Betekenis Volgens Woordenboeken

In datzelfde woordenboek heeft toetje een eigen lemma gekregen. Het wordt omschreven als een afleiding van het bijwoord toe, in de betekenis ‘ter aanduiding van een bijvoeging die tevens een afsluiting is, inzonderheid met betrekking tot een maaltijd’. Volgens het WNT kon toe als zelfstandig naamwoord worden opgevat als het ‘nagerecht’ betekende. Schriftelijke bronnen worden daarbij niet aangehaald.

Bij toetje in de zin van nagerecht vinden we wel schriftelijke bronnen. Het betreft vier citaten die stammen uit de periode 1910-1932. Als oudste bron haalt het WNT het Viertalig aanvullend hulpwoordenboek voor Groot-Nederland (1910) van F.P.H. Prick van Wely aan. Op bladzijde 258 geeft die schrijver bij toetje synoniemen uit het Engels, het Frans en het Duits. Als een woord wordt opgenomen in een woordenboek zal het daarvóór al in gebruik zijn geweest. De vraag rijst dan wanneer toetje voor het eerst in deze betekenis wordt aangetroffen in het Nederlands.

Historisch Gebruik van "Toetje"

Nu is het tegenwoordig doorgaans een fluitje van een cent om op het internet oudere bewijsplaatsen van een woord te vinden. Google Books bevat een ongelofelijke hoeveelheid materiaal maar de datering van gedigitaliseerde werken is niet altijd correct en de presentatie van zoekresultaten in niet-chronologische volgorde is evenmin behulpzaam. Om die reden prefereer ik voor woordhistorisch onderzoek de Digitale Bibliotheek voor Nederlandse Letteren (DBNL) en Delpher. Beide hebben hun voor- en nadelen.

De DBNL digitaliseert met name letterkundige werken - ik zou het toejuichen als er meer werk wordt gemaakt van het beschikbaar stellen van taalkundige publicaties - én het vergt de nodige moeite om het origineel van de zoekresultaten op het scherm te krijgen. Daar staat tegenover dat de kwaliteit van de gedigitaliseerde tekst zeer hoog is. Een groot voordeel van Delpher is de overstelpende collectie kranten vanaf de zeventiende eeuw waarin het niet-literaire Nederlands te vinden is.

Hét grote nadeel van Delpher is de niet al te beste tekstkwaliteit van de ge-OCR’de achttiende-, de negentiende- en de vroegtwintigste-eeuwse kranten. Zoeken naar toetje in oude kranten levert tal van onbruikbare resultaten op als gevolg van verkeerde lezingen . In plaats van toetje staat er in de originele bronnen dan voetje, togtje of bootje.

Als ik niets over het hoofd heb gezien, stamt het eerste op schrift vastgelegde citaat van toetje als nagerecht uit 1892. Ik verzeker u, dat het met de slechte kokki’s, die tot nu toe mijn deel waren, een heele toer is, om vleesch, groente, aardappelen en ‘een toetje’ klaar te krijgen. Dit probleem doet zich overigens niet alleen voor in voormalig Nederlands-Indië. Ook in Nederland zelf waren niet alle keukenhulpen in staat een dergelijke maaltijd te berieden, zo blijkt uit de eerste krant waarin ik toetje als nagerecht heb aangetroffen.

In Het nieuws van den dag van 13 augustus 1893 staat een (fictieve?) briefwisseling tussen mevrouw E. en ene Piet Vluchtig. Mevrouw E., die kort tevoren met het hele gezin haar intrek had genomen in het Badhotel in Zandvoort, doet haar beklag: “Mijn keukenmeid werd in Febr. Toetje wordt hier achteloos genoemd. De briefschrijver gaat ervan uit dat Piet Vluchtig weet dat er een nagerecht mee bedoeld wordt.

Het Gebruik van "Toetje" Door de Jaren Heen

Toch zal het niet door alle volwassenen gebezigd zijn. Dat blijkt uit de weergave van een gesprek in het Algemeen Handelsblad van 29 juli 1894. Een vader vertelt zijn zoontje dat alles wat onmisbaar is en iedereen die onontbeerlijk is in onze taal met het woord hoofd aangeduid wordt. Bijvoorbeeld? - Wat hadt ge gisteren voor middageten ? Eerst biefstuk en toen flensjes. Zonder deze zoudt ge niet gevoed zijn. Interessant is hier de bijzin ‘zooals gij het noemt’.

Kennelijk is toetje een woord dat voornamelijk door kinderen in de mond genomen werd. Bijzonder om te vermelden is dat dit specifieke voorbeeld twee weken later in een geheel andere context terugkeert in De Tijd: godsdienstig-staatkundig dagblad van 11 augustus 1894. De krant citeert daarin uit een nota van J.D. Ik zal netjes naast elkander afdrukken den inhoud der “Nota” en daarnevens mijn “Critiek op die nota”, en niet als een Handelsblad-“TOETJE” (een flensje na een biefstuk), doch als een degelijk toegift, als een duchtige flens, d.i.

Een correspondent van Het vaderland doet op 30 april 1895 verslag van een bezoek aan een volkskeuken in Wenen: de Sechshauser Volksküche. De aanhalingstekens bij toetje wijzen erop dat het woord nog niet geheel ingeburgerd is als synoniem voor toespijs, al komen we het woord in datzelfde jaar ook al tegen zonder aanhalingstekens, zoals in de Zutphense courant van 25 juni 1895 en de Java-bode van 31 december 1895. In de laatste jaren van de negentiende eeuw zien we in kranten zowel vormen met als zonder aanhalingstekens opduiken.

Dat gebruik houdt lang stand. In de vierde editie van de Grote Van Dale uit 1898 ontbreekt toetje, maar in de vijfde van 1914 heeft het een lemma gekregen. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord met een meervoud op -s en heeft de betekenis ‘nagerecht’. Als label heeft het gemeenzaam gekregen. Daarmee zegt de redactie in feite: er is geen bezwaar om toetje in huiselijke kring te bezigen maar in formele situaties is het een minder geschikt synoniem voor nagerecht. Pas in de elfde, herziene druk uit 1992 wordt het label ‘gemeenzaam’ geschrapt en is het een doodnormaal standaardtalig woord geworden.

"Toetje" als "Toegift"

Zoals we hierboven hebben gezien heeft toetje ook nog een andere betekenis: ‘toegift’. Volgens het WNT is het woord in die zin minder gewoon. Ook in tijd lijkt de verspreiding beperkt. Er worden drie bewijsplaatsen van dit gebruik gegeven, die alle drie afkomstig zijn uit één decennium: de jaren tien van de twintigste eeuw. De oudste bron voor deze betekenis van toetje komt - voor zover ik heb kunnen nagaan - voor het eerst voor in de Java-bode van 27 maart 1895.

In het artikel ‘Dames praatjes’ doet een zekere Fanny uit Den Haag aan haar vriendin Betsy verslag van het zesde Diligentia Concert. zulk een vlugheid en gratie als die juf (Emma Koch) in haar vingeren had, daar werd je gewoon koud van. En een aanslag…. om voor te knielen, en een voordracht …. om van te droomen! […] Ze gaf ook nog een toetje, natuurlijk dwongen die vervelende Hagenaars er net zoo lang om, tot ze hun zin kregen.

In de daaropvolgende jaren neemt in kranten het gebruik van toetje in de zin van ‘toegift’ toe (De Telegraaf 10 december 1897). Met de aanhalingstekens zou de recensent aan hebben kunnen geven dat hij ervan op de hoogte is dat het woord eigenlijk te familiair is om gebruikt te worden in een krantenrecensie. Een andere verklaring voor deze keuze zou kunnen zijn dat hij dacht dat het woord niet bij iedereen bekend was.

Kranten die hun lezerspubliek meer ter wille wilden zijn, gebruikten daarvoor een eenvoudige oplossing. Zij plaatsten het woord toetje - met aanhalingstekens - als synoniem in de nabijheid van het normale woord toegift. Scholander had ’n buitengemeen succes. Hij werd onophoudelijk met enthousiasme toegejuicht en moest een paar maal een „toetje” geven.

In de Grote Van Dale ontbreekt van deze tweede betekenis van toetje aanvankelijk elk spoor. Het duurt nog tot 1976 voordat die zich een plaatsje verwerft in de tweedelige tiende druk, voorzien van de voorbeeldzin: “de zangeres kon aan een toetje niet ontkomen en gaf een lied van Schubert ten beste”. Omdat het woord slechts sporadisch in deze zin gebruikt wordt, krijgt het nog geen tien jaar na introductie in de elfde druk uit 1984 al het label ‘ongewoon’.

Vanaf de twaalfde editie uit 1992 is dit vervangen door de afkorting w.g. ‘weinig gebruikelijk’. Bij de veertiende druk (2005) sneuvelt de voorbeeldzin en vanaf de vijftiende druk (2015) staat er in plaats van de aanduiding ‘w.g.’ het label niet alg.

Conclusies over "Toetje"

Het verkleinwoord toetje is - en dat is bijzonder - afgeleid van het bijwoord (of het gesubstantiveerd bijwoord) toe. Het had twee betekenissen: ‘nagerecht’ en ‘toegift’. De eerste betekenis is de oudste en komt bij mijn weten voor het eerst voor in 1892. Het lijkt een term te zijn geweest die vooral onder kinderen gewoon was en later ook door volwassenen is overgenomen. In deze betekenis bestaat het nog steeds. En hoewel het label ‘gemeenzaam’ al meer dan dertig jaar geleden uit de Grote Van Dale is verdwenen, komt toetje toch vooral voor in informele situaties.

De tweede betekenis ‘toegift’ is iets jonger dan die van ‘nagerecht’ - in 1895 duikt het op in een krant - maar heeft nooit een hoge vlucht genomen. De Grote Van Dale heeft het toegift-toetje pas opgenomen in het woordenboek toen het amper nog gebruikt werd. Het woord is stilletjes uit het taalgebruik verdwenen. Maar het verschijnsel zelf is nog altijd springlevend. Klappen, fluiten, “We want more”, het zijn allemaal middelen om de optredende artiest te verleiden nog één keer van zich te laten horen.

Alternatieven voor "Toetje"

Toespijs en nagerecht verwijzen naar de ondergeschikte positie van dit maaltijdonderdeel. Het woord toespijs bestond al in het Middelnederlands, maar duidde toen een bijgerecht in het algemeen aan, iets wat bij de hoofdmaaltijd werd gegeven, zoals brood. Na de Middeleeuwen werden deze woorden ook gebruikt voor wat er na het hoofdgerecht kwam. Nagerecht is letterlijk een gerecht dat na de hoofdschotel wordt gegeten; het woord is in 1599 als nae-ge-richt voor het eerst genoemd.

Dit woord is een Frans leenwoord. In de Nederlandse taal werd dit woord voor het eerst aangetroffen in het jaar 1653. In het Frans is het woord afgeleid van het werkwoord desserver (= de tafel afruimen). In de 15de eeuw is de betekenis verschoven van “het afruimen van tafel” naar “gerecht dat men tijdens of na het afruimen opdient.”

De Rol van Reclame

De firma Mona laat Nederland in 1971 kennis maken met hun vla en zo ontstond het Mona-toetje. Zo werd het Mona-toetje na het eten - ook door de weeks - een begrip. In de jaren 70 werd er ook nog gesproken over nagerecht, toespijs of dessert. Pas toen Mona in 1973 op tv reclame ging maken raakte het woord toetje pas bekend. Toen kreeg deze benaming haar populariteit.

De Invloed van Zuivelproducten

Door komst van een elektrische koelkast ontstond er een heel assortiment van zuivelproducten. Het Nederlands Zuivelbureau zette zich in voor de promotie van zuivelproducten zoals vla, pudding en yoghurt. De benamingen van deze toetjes waren al lang in gebruik voordat het nuttigen van een toetje gemeengoed werd. Yoghurt is er voor het eerst in 1757 in het Nederlands genoemd: het woord stamt uit het Turks.

De oudste vorm van vla, genoteerd in de 13e eeuw, luidde vlade en bekende “dunne brede koek.” In de 16e eeuw viel in sommige gebieden de “d” uit het woord weg. Het woord vlaai werd gebruikt voor “gebak” en is nog steeds bekend in de Limburgse vlaaien. De oorspronkelijke betekenis is “plat rond gebak, bedekt of gevuld met compote een zuivelproduct.”

Het woord pudding is slot ontleend aan het Engels (de precieze herkomst in die taal is onzeker) en werd lange tijd in het Nederlands vanwege de toen gebruikelijke uitspraak geschreven als podding. In 1655 wordt, in een spotversje over wat er op de Amerikaanse markt te koop is, Engelsche Podding genoemd. Pudding betekende toen “in een zak gekookte zoute of zoete spjjs met meel, zuivel en vlees.” Pas in 1842 is de betekenis opgestijfde vla als dessert bekend.

labels:

Zie ook: