Gedurende de laatste anderhalve eeuw heeft de wereld een snelle transformatie doorgemaakt op sociaal en economisch vlak. Deze revolutionaire veranderingen voltrokken zich eerst in de steden, maar al snel werd ook de plattelandsbevolking erdoor beïnvloed. Oude tradities werden afgebroken en het aanpassingsproces ging gepaard met de nodige moeilijkheden. De gehechtheid aan het historisch gegroeide en de overgeleverde waarden botsten met de nieuwe ideeën die vanuit de stad het platteland bereikten.
Vooral in de jaren dertig van de twintigste eeuw werd men zich bewust van de economische en geestelijke crisis die de maatschappij had getroffen. Leiders op geestelijk en maatschappelijk terrein op het platteland zagen deze crisis met bezorgdheid aan. Er werden maatregelen getroffen en plannen ontworpen om de aanpassing aan de eisen van de moderne maatschappij zo soepel mogelijk te laten verlopen.
Algemeen werd aangenomen dat de crisis niet alleen met technische verbeteringen overwonnen kon worden, zoals in de landbouwcrisis van het laatste kwart van de negentiende eeuw. Na de Tweede Wereldoorlog werden de problemen op het platteland nog groter. De bevolking groeide, de mogelijkheden voor nieuwe cultuurgrond door ontginningen en inpolderingen raakten uitgeput, en steeds meer cultuurgrond werd gebruikt voor stadsuitbreidingen, verkeerswegen en andere infrastructuur.
De bevolkingsdruk en het gebrek aan cultuurgrond maakten het noodzakelijk om andere uitwegen te zoeken om het huidige levenspeil op het platteland te handhaven en te verbeteren. Enerzijds was er de vermindering van de volkskracht door het vertrek van energieke personen, anderzijds de urbanisering van het platteland en de overgang van zelfstandige boerenbedrijven naar industrieel werk, waar zelfstandigheid vaak ontbrak. De grote bezorgdheid van de leiders van de boerenorganisaties en de overheid over deze ontwikkeling leidde tot een grondige bestudering van de huidige toestand.
Veel studies geven, na een korte historische inleiding, een gedetailleerd overzicht van de huidige situatie en richtlijnen voor de toekomstige ontwikkeling van de betreffende gemeente of streek. De historische inleidingen zijn echter vaak summier, omdat ze niet het hoofddoel van de onderzoeken zijn. Gezien de belangrijke rol van historische gebondenheid in de plattelandssamenleving, de waarde die aan het historische gegroeide wordt gehecht en het streven om zich bij de nieuwe maatschappelijke vormen zoveel mogelijk op de oude te baseren, is het noodzakelijk om de basis - het verleden waarop men voort wil bouwen - grondig te kennen.
Kennis van de sociale structuur van de plattelandssamenleving in vroeger tijden en van de economische krachten die in die samenleving werkten, is een eerste vereiste. De plattelandssamenleving is slechts schijnbaar statisch, zolang men haar beoordeelt naar de huidige maatstaven van een overijlde ontwikkeling. Noodzakelijk en nuttig is derhalve de kennis van het verleden van de plattelandssamenleving, een dieper gaande kennis dan waarover men thans nog beschikt.
Door combinatie van gegevens op verschillende gebieden kan een beeld van de historische ontwikkeling van een bepaalde streek of plaats worden geschetst. Een "vóór-statistische" geschiedenis - een geschiedenis die voorafgaat aan het tijdperk waarin de statistiek tot wasdom is gekomen (tweede helft 19e eeuw) - kan een grote verheldering brengen in de sociale en economische ontwikkeling.
Door de aanwending van sociografische doelstellingen en methoden op het historisch materiaal is een vorm van wetenschap ontstaan, welke men in navolging van Groenman het best met historische sociografie kan aanduiden.
De basis van de historische sociografie wordt geleverd door de nederzettingsgeschiedenis, de studie van het ontstaan en de vroegste ontwikkeling der plattelandsgemeenschappen. Om de kennis van de sociale en economische toestand, en zo mogelijk ook van de sociale en economische ontwikkeling, van het platteland te vergroten, is sedert 1950 aan de Rijksuniversiteit te Groningen een Sociaal- en Economisch- Historisch Instituut verbonden, in 1952 gevolgd door de oprichting van een afdeling Agrarisch-economische en -sociale Geschiedenis aan de Landbouwhogeschool te Wageningen.
Het materiaal voor deze onderzoekingen wordt voornamelijk ontleend aan rekeningen en belastingkohieren, zoals verpondingskohieren, reële kohieren, quotisatiekohieren, rekeningen van het hoofdgeld, van het vuurstedengeld, van de vijf speciën, etc. In het algemeen zijn dit bronnen, welke enigermate betrouwbare statistische gegevens bevatten. Voor de historische sociografie komt immers alleen de statistische methode in aanmerking.
Het historisch-sociografisch onderzoek strekt zich over het tijdperk uit, waarin men over voldoende prae-statistisch materiaal kan beschikken. Voornamelijk geldt dit voor de 17e en 18e eeuw; bestaan er echter oudere bronnen uit de 15e en 16e eeuw, dan zijn ook deze gebruikt. Als eindgrens voor het verzamelen van archiefmateriaal is ongeveer het jaar 1806 genomen. Vele reeksen van rekeningen, bijv. de rentmeestersrekeningen in Overijssel, de kohieren van de Vijf Speciën in Friesland, blijken in deze jaren een einde te nemen.
Als vergelijkingsmateriaal is zeer vaak nog gebruik gemaakt van de gedrukte statistische gegevens uit de 19e eeuw. Hierdoor is de aansluiting verkregen met het oudste statistische materiaal, dat de actuele sociografen voor hun onderzoekingen gebruiken. Het bronnenmateriaal is voor ieder der gewesten verschillend en soms zeer onvolledig.
Kampen en de invloed van de Afscheiding
De oude Hanzestad Kampen, gelegen langs de IJssel, was omstreeks 1840 een provinciestadje met ruim 9000 inwoners. De meerderheid behoorde tot de Hervormde kerk, gevolgd door een aanzienlijk aantal Rooms-katholieken en kleinere groeperingen zoals Evangelisch-Luthersen en Doopsgezinden.
De Hervormde gemeente werd omstreeks 1835 bediend door de predikanten Nicolaas Stoffel Hoek, George Hendricus Hein, H. Dwars en dr. Jean Jacques Rambonnet. Ds. Hoek oefende de grootste invloed uit en sympathiseerde met de Oud-Liberale of Supranaturalistische theologie, die een compromis zocht tussen de Verlichting en de oude belijdenisgeschriften van de kerk. Dit werd door orthodoxe gereformeerden als ds. De Cock gezien als een herleving van ketterijen.
Ook in Kampen was het catechisatieboekje van Abraham Hellenbroek een punt van discussie geworden, terwijl anderen het juist als een symbool van gereformeerde orthodoxie beschouwden. Na 1835 brak de Groninger theologie van Hofstede de Groot door, die nauwelijks nog iets met gereformeerde orthodoxie te maken had.
Derk Hoksbergen en zijn rol
Derk Hoksbergen, geboren in Oldebroek op de Veluwe, was geen Kampenaar van origine. Hij woonde later in Marle bij Wijhe en kwam omstreeks 1831 vlak bij de grens van Kampen te wonen, op de boerderij ‘De oude Scheere’ aan de weg van Kampen naar Wezep. Kerkelijk behoorde hij tot de hervormde kerk van Wilsum.
Hoksbergen was een zeer meelevend man en raakte omstreeks 1830 overtuigd dat het in de hervormde kerk de verkeerde kant uitging. Hij zag in ds. De Cocks strijd in Ulrum een held en schreef hem op de dag van De Cocks schorsing een brief. In juni 1835 bezocht De Cock Hoksbergen op zijn boerderij en predikte er. Het nieuws verspreidde zich snel en Hoksbergen bracht De Cock die avond nog naar Kampen, waar hij bij Roelof Nijhuis logeerde.
Volgens een rapport van de commissaris van politie C.F. Nehrkoker zou De Cock de vorige dag bij Hoksbergen in Wilsum de kerk geordineerd hebben, wat onwaarschijnlijk lijkt. Wel is het zo dat de komst van De Cock veel onrust veroorzaakte en dat de autoriteiten ingrepen om de bijeenkomsten te beperken.
Vijf dagen later werd de toeloop van bezoekers aan het huis van Nijhuis zo groot, dat burgemeester Lemker moest ingrijpen. De commissaris van politie beval De Cock hem naar zijn woning te volgen en bracht hem 's avonds naar het logement ‘De bonte Os’. De volgende ochtend werd De Cock naar Zwolle overgebracht.
Ds. N.S. Hoek schreef dat De Cock in Zwolle weer op vrije voeten was gesteld en bij J. Ridderinkhof had gedineerd en gelogeerd. Als reden van deze invrijheidsstelling werd opgegeven, dat in de wet geen voldoende termen te vinden waren om De Cock en zijn aanhang te ‘fnuiken’. Ds Hoek vond dit maar een ongelukkige zaak ‘want het (kwaad) vreet voort als de kanker’.
Op donderdag 4 juni 1835 werd de Afgescheiden kerk van Kampen geïnstitueerd. Op aandrang van De Cock ging Hoksbergen elke zondag als oefenaar in de gemeente voor. Volgens burgemeester Lemker was hij een man, die algemeen bekend stond ‘als van eenen zeer dweepzieken aard te zijn’.
De Afgescheiden gemeente in Kampen
In februari 1836 rapporteerde ds. N.S. Hoek dat in Kampen 29 personen zich openlijk van de hervormde kerk hadden afgescheiden. Ze werden getypeerd als ‘bijna allen uit den minderen stand en velen daar onder van geen zeer loffelijke zeden’. Op het Kampereiland waren het er 2, een landbouwer met zijn vrouw. In IJsselmuiden waren er 3 leden die tot de min gegoede klasse behoorden, en in Wilsum had één landbouwer, D. van Hoksbergen, met de hervormde kerk gebroken.
Op zondag 14 februari 1836 ontstond er voor het huis van Nijhuis een volksoploop. Er werd geschreeuwd en met stenen werden de glazen ingegooid. De burgemeester had Nijhuis gewaarschuwd zijn woning niet langer beschikbaar te stellen. Toch waren er die winterse zondagmorgen 19 personen bij Nijhuis naar binnen gegaan, terwijl 7 of 8 anderen bij Arend ter Wal vergaderden om het aantal bezoekers bij Nijhuis niet boven de 20 te laten komen.
Een troep luidruchtige jongens en enkele oudere mensen probeerden het huis van Nijhuis binnen te dringen. De burgemeester riep de hulp van de garnizoenscommandant in, die er soldaten heenstuurde. De straat werd door de militairen ontruimd en afgezet, en de officieren van het garnizoen hielpen mee de bezoekers, die zich nog in huis bevonden, in veiligheid te brengen.
De burgemeester had contact met enkele Afgescheidenen gezocht en hen gemaand zich voortaan van die bijeenkomsten te onthouden. Met Hoksbergen had hij een apart onderhoud gehad en hem verzocht te stoppen met ‘diergelijke oproerverwekkende zamenkomsten’.
Hoksbergen bleef een belangrijke rol spelen in het kerkelijk leven van de Afgescheidenen en zat als afgevaardigde van de provincie Overijssel op hun eerste en tweede ‘algemene’ synode.
labels: #Aardappel




