Het gebruik van verkleinwoorden is een opvallend kenmerk van de Nederlandse taal. H. Duitsers die voor het eerst met Nederlands in aanraking komen, vinden vaak dat onze taal zo kinderlijk klinkt. Dat komt onder meer doordat wij zoveel verkleinwoorden gebruiken. Het deel van de woordvoorraad dat zich voor verkleining leent, is in het Nederlands namelijk betrekkelijk groot. Bovendien vervult het verkleinwoord bij ons een veelheid van functies.

Taalkundige Aspecten van Verkleining

Taalkundig gesproken is verkleining een vorm van afleiding: er wordt een nieuw woord gevormd door aan een bestaand woord (de stam) een achtervoegsel te hechten. Het verreweg meest gebruikte achtervoegsel is -tje met zijn varianten -etje, -pje, -kje en -je. Welke van de vijf in een gegeven geval in aanmerking komt, hangt in hoofdzaak van het klankpatroon af. De hiervoor geldende regels zijn voer voor naoorlogse neerlandici (waarom krijgt kip een andere uitgang dan lip?). Dat laatste geldt eveneens voor de veranderingen die de stam in vele gevallen ondergaat (vaatje, scheepje, jongetje, kindertjes). Alleen de schrijfwijze levert wel eens moeilijkheden op.

De andere verkleiningsachtervoegsels hebben een veel beperktere verbreiding. We kunnen -ke gebruiken om te archaïseren of een beetje zuidelijk te doen dan wel om een blijk van vertedering te geven (stedeke, madammeke, vrouwke). Heel ouderwets doen -ken, -kijn en -lijn aan (manneken, vogelkijn, maagdelijn). Verkleinwoorden op -ie gelden als gemeenzaam (fikkie) maar zijn bij grotestadsbewoners heel geliefd (drijfsijssie). Sommige hebben zelfs een heel eigen betekenis (bakkie).

Woordsoorten en Verkleinwoorden

Welke woorden kunnen er zoal van zo'n achtervoegsel worden voorzien? In de eerste plaats natuurlijk zelfstandige naamwoorden. Vervolgens een aantal bijvoeglijke naamwoorden: geeltje, apartje, cursiefje, nakie, makkie. De stam ondergaat een verandering bij het type ‘latertje’ (Van Dale doet net of vluggertje de verkleinvorm van vluggerd is!). Verder hebben we enkele werkwoord-stammen en telwoorden (zegje, strijkje, uitstrijkje, slapie; eentje, met z'n drietjes) en wat ongeregeld goed uit andere rededelen (ikje, uitje, ietsje, toetje, eventjes, saampjes, jeetje, extraatje, ditjes en datjes). De vrijheid om nieuwe verkleinwoorden te vormen is bij de zelfstandige naamwoorden zeer groot, bij de andere woordsoorten min of meer beperkt.

De bewaarschool-juffrouw die het over de héle kleintjes heeft, voelt blijkbaar aan dat dat laatste woord van een bijvoeglijk naamwoord stamt. Ze heeft gelijk, maar geldt hetzelfde voor grootje? Naar deskundige opvatting is dit geen afleiding van groot, maar een samentrekking van grootmoedertje. Evenzo: overstapje→overstapkaartje en bedankje→bedankbriefje. Anderen menen weer dat bedankje uit ik bedank je is ontstaan.

Vrijwel alle verkleinwoorden zijn zelfstandige naamwoorden. In de Dikke Van Dale staan zo'n vijf à zesduizend verkleinwoorden, al dan niet met een eigen betekenisomschrijving. Er is een aantal verkleinwoorden waarvan de stam niet tot onze hedendaagse woordenschat behoort. In de eerste plaats natuurlijk de al genoemde ‘samenstellende afleidingen’: buitenbeentje, onderonsje, ook constructies als washandje en weggevertje.

Daarnaast niet-samengestelde woorden als krijgertje (niet de kleine soldaat, maar het pendant van het vorige voorbeeld). Uit het bestaan van al deze categorieën volgt dat de hierboven gegeven beschrijving van het verkleiningsproces - volgens welke het achtervoegsel aan een bestaand woord wordt gehecht - enige verfijning behoeft. Stammen kunnen buiten gebruik raken. Die van verzetje, kapotje en lokaaltje zijn bijvoorbeeld voor de meeste taalgebruikers geen levende woorden meer, al zijn ze in Van Dale ook zonder moeite te vinden (bij sprookje wordt dat de lezer minder gemakkelijk gemaakt). Nog een ander geval vormen de woorden van buitenlandse afkomst die wij alleen in de verkleinvorm kennen, zoals wissewasje en valletje.

We hebben niet allemaal dezelfde verkleingewoontes. De een zweert bij kop en schotel, de ander kent alleen kopje en schoteltje. Sociale klasse, familietraditie, gewest en vooral generatie spelen hier een rol. Een plakje kaas klinkt gedistingeerder dan een plak; elitevolgers doen daar hun voordeel mee, anti-elitairen evenzeer. In België blijft elk uitstapje, hoe klein ook, een uitstap. Het is nog niet zo lang geleden dat men van een woord als sfeertje raar opkeek. Aan de andere kant hadden uitdrukkingen als warme hap, lelijke eend, kneus, klus en babbel toen ook geen burgerrecht.

In een overzicht van onze verkleinwoordenvoorraad dienen ten slotte nog twee groepen hors concours te worden vermeld. Ten eerste de woorden die we compleet met verkleiningsuitgang - zij het soms met aangepaste spelling - uit andere talen hebben overgenomen, zoals operette, sigaret, cigarillo, tamboerijn, peloton, vermicelli, stiletto, serpentine, molecule, ranonkel en flottielje; ook enkele bijvoeglijke naamwoorden als minuscuul en corpusculair. Voor het merendeel ervaren we deze niet meer als verkleinwoorden (de sprekers van de brontaal trouwens evenmin). We plakken er dus rustig ons eigen achtervoegsel aan: paneeltje, partikeltje. Het woord keppeltje bestaat zelfs niet anders dan in deze dubbel verkleinde vorm. Formeel zijn dit helemaal geen verkleinwoorden. Hun aantal is echter wel een aanwijzing voor de omvang van de verkleiningsdrang die het Nederlands vertoont.

De Functies van Verkleinwoorden

Verkleining treffen we op de meest onverwachte plaatsen in de taal aan. Geen kruimel wordt er te klein, geen titan te groot voor gevonden. Toch leent de ene situatie zich er meer voor dan de andere. De kinderkamer is uit de aard der zaak een kweekplaats van verkleinwoorden. Spreuken en zegswijzen zitten er vol mee. Al pratende maken we voortdurend nieuwe. In de schrijftaal komen zij echter minder voor en in ambtelijke stukken zijn ze vrijwel afwezig. Verkleinwoorden worden voor velerlei doeleinden gebruikt, zeker niet alleen om kleinheid aan te geven.

De hieronder beschreven functies (onderverdeeld in zakelijke en affectieve) sluiten niet naadloos aaneen; er zijn overlappingen en hiaten:

  1. Oerfunctie.
  2. Categoriefunctie. Hoe klein moet een gehaktbal worden voordat hij in een gehaktballetje overgaat? Moeilijk te zeggen, maar het staat wel vast dat we bóven een zekere maat aan een hoofdgerecht denken en daarbeneden aan iets voor in de soep. Zo kan de verkleinvorm een middel zijn om twee soorten te onderscheiden. Evenzo worst/ worstje, taart/taartje. Soms verschillen de twee soorten sterk in gedaante of gebruiksdoel (suikerzak/ suikerzakje, ijsblok/ijsblokje, fontein/ fonteintje, riet/rietje), in andere gevallen verhouden zij zich meer als hoofden subcategorie (lepel/lepeltje, neef/neefje) of als algemeen en bijzonder begrip (spruiten/spruitjes, tuig/tuigje). In beginsel berust de onderscheiding tussen de twee soorten natuurlijk op een verschil in materiële grootte. Dit gaat echter niet altijd op. Hoe lang een liedje ook is, het wordt nooit een lied, en omgekeerd. Hoe zwaar een afspraakje ook weegt, enzovoorts. In vaktalen bezitten verkleinwoorden vaak een heel specifieke betekenis: deeltje (natuurkunde), wijfje (biologie). Vooral in beroepsjargon kunnen zulke termen voor buitenstaanders nogal ondoorzichtig zijn: kapje (operatiezusters), opzetje (ondeugende aannemers). Maar ook in de spraak van alledag liggen de betekenissen van stam en afleiding soms zo ver uit ekaar dat je even piekeren moet: mongooltje, schellinkje, spionnetje, katjes, strontje.
  3. Exemplaarfunctie. ijs en katoen hebben betrekking op onbepaalde hoeveelheden. Willen we over een (natuurlijke of usantiële) eenheid van de bedoelde stof spreken (een korrel, een portie e.d.), dan biedt de verkleinvorm vaak uitkomst: ijsje, watje, vuiltje, zaakje, snuifje. Dit individualiseringsprocédé wordt niet alleen op stofnamen toegepast, maar ook op diverse abstracta en adjectieven: pretje, geintje; zoetje, zuurtje.
  4. Tederheidsfunctie. Een baby heeft voetjes, niet zozeer omdat ze klein zijn (als ze wat bovenmaats zijn uitgevallen, worden het ‘grote voetjes’, nooit ‘voeten’) maar omdat alles aan een baby ons ontroert. Op de weg van wieg naar volwassenheid vallen de achtervoegsels geleidelijk af, zij het ook niet bij beide geslachten even snel en volledig. Over dat laatste straks meer. Volwassenen maken echter weer andere gevoelens in ons wakker. Verliefdheid bijvoorbeeld (hartje, duifje) of medelijden (zieltje, armoedje, hoopje ellende). Klassieke voorwerpen van vertedering zijn de natuur (ach, dat beekje), het landleven (dat boerderijtje) en onze woonomgeving (dat balkonnetje).
  5. Gezelligheidsfunctie. Godfried Bomans heeft eens gezegd dat Nederlanders zó bang voor pathos zijn dat ze hun gevoelens lacherig achter verkleinwoorden verbergen. Denkt u maar aan dat bloemetje dat u meebrengt op het avondje bij de Elburgjes, dat leuke gezinnetje in hun aardige huisje aan dat rustige laantje. Prima etentje, lekker wijntje, na afloop fijn gesprekje. Onze voorliefde voor gezelligheid richt zich niet alleen op huis en haard. Op straat vinden we cafeetje met zitjes in het zonnetje. We drinken er een glaasje, eten dan een slaatje, luisteren naar een muziekje.
  6. Vergoelijkingsfunctie. Liegen is slecht, een leugen dus ook. Maar een leugentje kan er mee door. Een gemenigheidje is niet zo gemeen als een gemenigheid. Met woorden als buikje, debieltje, jaartje ouder worden vaak gevoelens ontzien. Misschien was het bij functie 1 genoemde vergissinkje toch niet zo neutraal? Aan het bagatelliseren van medische zorgen doet iedereen mee: kwaaltje, griepje, prikje, drankje. Bescheidenheid (oprechte of valse) hoort hier ook thuis. Ingetogen spreken we over ons persoontje. Een hoofdstuk apart vormen de verkleinwoorden waarmee diverse taboeonderwerpen in net gezelschap besproken worden (werden?), zoals boertje, plasje, standje, siefje, moetje, 't hoekje omgaan. Wie deze zaak van heel dichtbij bekijkt, kan drie technieken onderscheiden. Verkleining wordt namelijk aangewend om a) een aanstootgevend woord acceptabeler te maken, bijv. kontje, b) een eufemisme nòg onschuldiger te doen klinken, bijv. windje, c) een tot een andere sfeer behorend woord een knipoogbetekenis te geven.
  7. Geringschattingsfunctie. Van verkleining naar kleinering is het maar één stap. Allerlei negatieve gevoelens en houdingen, van goedmoedige spot tot minachting en afkeer, kunnen met een achtervoegsel tot uiting worden gebracht: taaltje, doetje, romannetje, ambtenaartje, zwartjes.
  8. Vervrouwelijkingsfunctie. Volgens een oude gewoonte worden allerlei kledingstukken met de verkleinvorm aangeduid wanneer zij voor vrouwen zijn bestemd: bloesje, kraagje, sokjes. Iets overeenkomstigs geldt ook voor andere aspecten van het uiterlijk: blosje, figuurtje, bekje, pasjes, gilletje. Dit gebruik is zo algemeen dat we het misschien beter onder de zakelijke functies hadden kunnen rangschikken. Wij beperken ons nu tot vervrouwelijking in engere zin. In bepaalde gevallen kan voor deze afleiding alleen het verkleiningsachtervoegsel worden gebruikt (kennisje), in het bijzonder bij eigennamen (Dirkje). Anders wordt het wanneer de verkleinvorm wordt gebezigd terwijl er een specifiek achtervoegsel beschikbaar is, zoals bij agentje of studentje. Zulke woorden krijgen - in een mannenmond, wel te verstaan - al gauw iets paternalistisch of spottends. Het sterkst komt het macho-element naar voren wanneer een kennelijk vrouwelijke persoonsnaam er nog een -tje bij krijgt.
Overzicht van Verkleinwoorden en Hun Gebruik
Functie Voorbeelden
Categoriefunctie worstje, taartje, ijsblokje
Tederheidsfunctie voetjes, beekje, boerderijtje
Gezelligheidsfunctie bloemetje, wijntje, huisje
Vergoelijkingsfunctie leugentje, buikje, kwaaltje
Geringschattingsfunctie taaltje, romannetje, ambtenaartje
Vervrouwelijkingsfunctie bloesje, kraagje, sokjes

labels: #Kip #Ei

Zie ook: