Kippen, zowel hanen als hennen, zijn wijdverspreide en goedkope neerhofdieren en zijn dan ook populaire offerdieren geworden, die bovendien als demonenafwerend golden. In heel wat streken in Afrika, Azië en Zuid-Amerika offert men vandaag de dag nog vaak kippen.

Kippen in rituelen en offers

Er waren in vele kerken aan de achterzijde van het altaar getraliede kippenhokjes, waar de offeraar tijdens de mis, nadat hij driemaal rond het altaar had gelopen, zijn kip instak. Ook metselde men bij ziekten vaak een zwarte kip in de open haard of begroef men ze in de stal.

Hanen offerde men vaak bij de oogstrituelen, volgens het aloude principe: Do ut des [‘Ik geef, opdat jij zou geven’]. Op huwelijksfeesten at men kippen (de zogenaamde ‘kakelhennen’), omdat de sterke geslachtdrift van de haan en de eierenleggende kip hen tot een vruchtbaarheidgevend offerdier maakte. De ‘lijkkip’ was een oud dodenoffer.

Ook bij dopen in het vroegere Egerland (Chebsko, Tsjechië) bracht de meter een kip mee, die men dadelijk moest slachten. Op de feestdag van de Sint-Maarten (11 november) slachtte men in Germaanse streken een kip ten gunste van het pluimvee.

Symboliek van de haan

De Soemerische Nergal, god van de onderwereld, had een haan als heilige vogel. De joodse Talmoed maakt van de haan een meester in de beleefdheid omdat hij de Heer van de Zon inleidt door hem met zijn gezang aan te kondigen.

De haan speelt nog steeds een rol tijdens het joodse kaparot, een verzoeningsritueel dat door ultra-orthodoxe joden wordt uitgevoerd op de vooravond van het Grote verzoeningsfeest, Yom Kippoer. Het herinnert aan het hanenoffer dat als reinigingsoffer was bedoeld bij de Grieken (Asklepiosoffer), Balten en Slaven.

De mannen slachten op een rituele manier een haan, de vrouwen een hen als vervangoffer. Voor Russische joden mocht een gegraven graf geen nacht blijven open liggen. Indien om een of andere reden de begrafenis niet kon plaatshebben, moest men in afwachting ervan een haan begraven als substituut voor de overledene.

De haan geniet van oudsher in de islamwereld een verering zonder weergaande, in vergelijking met andere dieren. Men schrijft eveneens aan de Profeet het verbod toe om een haan te vervloeken, omdat hij oproept tot het gebed.

De haan was het heilige dier van de Slavische god Swantewit (Svetovid). In Pommeren (Duitsland en Polen) scheen de verering van hanen al terug te gaan naar voorchristelijke tijden.

Wellicht kerstende men de Slavische godheid tot Sint-Vitus (4de eeuw) of Sint-Veit. Men vermoedt dat het om die reden was dat bisschop Otto van Bamberg (1060/1061-1139) het gebeente van de Sint-Vitus (gekerstende Swantewit) in een zilveren arm liet insluiten, waarop een beeld van een zwarte haan staat. De heilige zelf beeldde men af met een zwarte haan.

De zonne-eigenschap van de haan merkt men ook in de Noorse mythologie. Zo bewaakte de haan ‘Goudkam’ de regenboogbrug Bifrost die naar de Asgaard, de woonplaats van de goden leidde. De gouden haan Vithafmir waakte op de top van de wereldboom Yggdrasil tegen allerlei nakend onheil. En de rode haan Fralar bracht de gevallen krijgers van het Walhalla terug tot leven voor de ultieme strijd: de Ragnarok. In de Edda leest men over de haan dat hij de verkondiger is van de grote eindstrijd.

Hanen waren na de kerstening van de Germanen in de Duitse ruimte nog steeds geliefde offerdieren die men bij verschillende gelegenheden gebruikte, vooral in verband met oogsten. Zo sprak men in Zwaben van snijhanen, in Beieren van zaadhanen, in Lübeck van roggehanen, in Hannover van stoppelhanen enzovoort. In de laatste schoof (garve) stak men vaak een haan die dan de korendemon voorstelde.

Ofwel slachtte men die op het einde van de oogst, ofwel bracht men hem op een staak naar de boerderij. De oogsthaan mocht tot het begin van de twintigste eeuw bij het oogstfeestmaal als oorspronkelijk offerdier niet ontbreken. Het offeren van een dergelijke haan ontaardde in allerlei volksvermaak (o.m. een hanengevecht).

Ook bij het huwelijk speelde de haan een rituele rol. Men voerde een haan mee in de bruidskoets en offerde hem na het huwelijk. Men stikte een haan die in een boom zit op het bedkussen dat voor de bruidegom was bestemd, ofwel stak men een levende haan onder het bed van een pas gehuwd koppel. Het is duidelijk dat de haan hier zijn symbolische rol van erotisch dier speelde.

In Oostenrijk doodde men ooit op een ceremoniële wijze een haan bij de eerste bruiloft in de carnavalsperiode. Duitsers offerden hanen om goed weer te bekomen of om een schat te kunnen vinden.

Men vereenzelvigde de Kretenzische haangod Velchanos met de oppergod Zeus. In de Griekse mythologie bevond een haan zich bij de godin Leto, zwanger van Zeus, toen ze Apollo en Artemis baarde. Daarom wijdden de Grieken een haan aan de zonnegod en de maangodin.

De Griekse filosoof Pythagoras (ca. Ondanks Pythagoras’ raad slachtte men toch hanen op een rituele wijze voor Apollo’s zoon Asklepios, de god van de geneeskunde. Bij de Oude Grieken was het inderdaad de gewoonte om in de tempels van Asklepios een haan te offeren uit dank voor genezing, om genezing af te smeken of, bij een naderende dood, de ziel van de overledene te vergezellen naar de onderwereld. Een mooi voorbeeld van deze traditie vindt men bij Socrates (469-399).

De rol van zielenbegeleider verklaart ook waarom men de haan toewees aan Hermes/Mercurius, de goddelijke boodschapper tussen hemel en hel. Vooraleer Asklepios een godheid werd, schreef men ook aan de haan het vermogen toe om zieken te genezen. Men wijdde de fiere vogel ook aan Helios, de zonnegod, omdat hij de dageraad aankondigde en de demonen verjoeg.

Hij was ook gewijd aan de maangodin Selena, de godin van de onderwereld Persephone/Proserpina en Athena/Minerva, een godin van de hemel en de zuivere lucht. Volgens Plinius de Oudere (23/24-79) was de haan ook gewijd aan Eos, de godin van de dageraad.

De hen speelde ook een belangrijke rol in de Griekse mythologie, en wel in de Demetercultus. Ze was er het zinnebeeld van de moederliefde die Demeter voor de mensheid had. Demeter was de aardgodin die de mens in haar schoot liet geboren worden om hem dan aan haar borsten te voeden. Zij nam ook de doden in haar schoot op en liet ze een tweede maal geboren worden om als kinderen naar het land der zaligen te gaan.

Bij de Romeinen bekleedde de haan eveneens een belangrijke mythologische functie. Zij associeerden de strijdlustige haan met hun oorlogsgod Mars en gebruikten de vogel in hun vogelwichelarij. Ze noemde de haan daarom ook ‘de zoon van Mars’. Kukuta, de haan, is het rijdier en de dierlijke vorm van de krijgsgod Skanda. Hij kondigt de ochtendveldslag aan. Hij is het symbool van de opkomende zon, van de overwinning van de dood en ook van het verraad.

De haan in andere culturen

In het Tibetaans boeddhisme staan in het centrum van de kringloop van het bestaan drie diersoorten afgebeeld: een haan, een slang en een varken. De haan (soms ook een pauw of een andere vogel) staat voor de vleselijke hartstocht, hij pikt in de staart van de slang van woede wegens zijn onbevredigde verlangens. De slang bijt op haar beurt in de staart van het varken dat staat voor de onwetendheid en gebrek aan inzicht, dat ervoor zorgt dat dit proces zich voortdurend herhaalt. Het zijn de drie zonden die de mens binden aan de wereld van zijn illusies en dus aan de kringloop of wiel van het bestaan. De drie diersoorten illustreren mooi de tweede edele waarheid van de Boeddha.

Als tiende teken in de Chinese dierenriem staat de haan (ji) voor een aantrekkelijke persoonlijkheid, fierheid of ijdelheid, precisie, een sterk ontwikkelde kritische zin en smaak voor polemiek. Zo’n jaar van de haan wordt gekenmerkt door discussies en twisten, uitingen van egoïsme op alle niveaus. Tijdens deze periode is voorzichtigheid geboden in alle activiteiten en initiatieven.

In China offerde men hanen tijdens initiatieceremonies, maar men at ze niet. De haan behield zijn rol van offerdier tot het einde van de Qing-dynastie (1644-1912). Op de binnenplaats van de grote shintotempels onderhoudt men heilige hanen, meer bepaald in het Amaterasoe-ō-mi-kami schrijn van Ise, omdat die dieren aan die godin zijn gewijd. De haan roept de zonnegodin elke ochtend op om uit haar grot te komen, waarin ze zich verschuilt, wat neerkomt op het opgaan van de zon.

De Azteken (Mexico) offerden een haan aan de zon. Het dier was ook bijzonder geschikt voor het vervangen van mensenoffers bij bouwceremonies en zijn bloed had een symbolische waarde. Hanenbloed komt ook voor in het Afrikaanse fetisjisme. Dit gebruik beïnvloedde de ontwikkeling van de Voodoo in Haïti, Suriname en Cuba (Santeria) die allebei rijkelijk gebruik maken van hanen en hun bloed.

Voor de Inca’s (Peru) de vereerders van de zon, was de haan, de aankondiger van het goddelijke licht, een heilig dier.

In Afrika offert men eerder hanen dan hennen, of geeft men ze als voedsel aan belangrijke bezoekers. De reden is het feit dat hennen veel meer dan hanen noodzakelijk zijn om een kippenpopulatie op peil te houden. Het kraaien van een haan bij zonsopkomst associeerde men met de zon en de tijd.

Hanen speelden ook een rol bij initiaties. De Mossi en Gurunsi (Burkina Fasso) zijn gekend voor hun hanenmaskers. De Bwa of Bobo (Burkina Faso en Mali) associeerden het hanenmasker met de eerste beeldhouwer, een cultuurheld die het onderwijs introduceerde.

Op sommige oorlogsvlaggen van de Asafo, een krijgerorganisatie van het Akanvolk (Ghana en Ivoorkust) stond: ‘Wij hebben de haan en de klokvogel onder controle’, waarmee men aanduidde dat ze zo sterk waren dat ze zich meester achtten over de opkomst van de zon en de tijd.

De haan verbond men soms met voorkennis en voorspellingen. Zo dragen Tabwa-mediums (DR Congo en Zambia) hanenveren en naaien ze nog hanenkoppen op een magische bundel die ze op hun hoofd torsen. Zij hopen op die manier de krachten te versterken, die in hun voorhoofd aanwezig zijn.

In het oude Bamana-rijk (Mali) heette een weg die in drieën splitst een ‘kippenpootkruispunt’. Op deze plaatsen offerde men bij het begin van een nieuw jaar kippen tijdens vernieuwingsrituelen.

Voodoo in Benin

BENIN ligt in het westen van Afrika en grenst aan Togo, Nigeria, Niger, Burkina Faso en de Baai van Benin. Het land staat bekend als de bakermat van de voodoocultuur, ook wel fetisjisme genoemd. Dit is een Afrikaanse godsdienst, die geen toevalligheden of ongelukjes kent.

De voodooreligie: een van oorsprong West-Afrikaanse godsdienst, die geen ‘toevalligheden’ of ‘ongelukjes’ kent. In het Afrikaanse Togo en Benin is de voodoocultuur nog steeds enorm groot. Hier geloven ze niet dat gebeurtenissen ‘zomaar’ plaatsvinden. Alles heeft een reden en alles is beïnvloedbaar.

Benin staat ook wel bekend als de bakermat van de voodoocultuur. Je vindt hier bijzondere voodoorituelen die stuk voor stuk in geheime talen, speciale dansen en ongewone diëten worden uitgedrukt. Aan de hand van deze geheime talen, dansen en diëten worden de alledaagse problemen opgelost. Tijdens een ceremonie komen naast de uiteenlopende dansen ook veel objecten met symbolische betekenissen voor. Denk maar aan kaarsen, voedsel, amuletten, halskettingen en afbeeldingen van Katholieke heiligen.

Waar de voodoocultuur vandaag de dag nog het grootste is, is deze ook ontstaan; in West-Afrika. In de loop der eeuwen heeft deze godsdienst zich verspreid naar Zuid-Amerika en het Caribische gebied. Inmiddels is de ‘cultuur’ uitgegroeid tot een heuse wereldbeschouwing waarin het geloof in een schepper, bijgestaan door goden, voorouders en geesten, centraal staat.

Met name het geloof in deze geesten speelt ook in de rituelen een grote rol; zo gelooft men dat de overleden voorouders zich tijdens de dansen onder de levenden bevinden. Voodoo is afgeleid van het Franse ‘vous deux’, hier wil men mee zeggen: zie jezelf, kijk naar jezelf.

In de voodooreligie gelooft men dat alles één groot geheel is van iets anders; dus de mensen, het universum en alles daarbinnen. Volgens de voodooreligie zijn we slechts kleine deeltjes. Wat jij bij een ander doet, doe je indirect dus ook bij jezelf.

labels: #Kip #Ei

Zie ook: