Het schilderij Luilekkerland van Pieter Bruegel (1567). Beeld: Hollandse Hoogte Minder werken is de vergeten droom van de twintigste eeuw. Of sterker nog, van de middeleeuwen. De geschiedenis zit vol met landen en bedrijven die er succesvol mee experimenteerden.

De Mythe van Luilekkerland

Luilekkerland is een fictieve plaats uit verschillende sprookjes waarin van alles in overvloed beschikbaar is, voornamelijk eten en drinken. Het is ontsproten aan een Middeleeuwse fantasie in West-Europa. Het is een plek waar men niet hoeft te werken, de hele dag kan luieren en lekker kan eten.

Om er te komen dient de reiziger zich door een berg rijstebrij van drie mijl dik te vreten. De moeite loont, want eenmaal aangekomen blijkt de wijn en limonade door de rivieren te stromen. De inwoners van Luilekkerland proppen zich de hele dag vol. Sommigen zijn zo dik ze niet eens meer kunnen lopen.

Geen nood: gebraden ganzen vliegen rechtstreeks de mond in en het regent warme vlaaien, pasteien en pannenkoeken. De daken zijn gemaakt van snoep, de muren van worst en de vensters en deuren van zalm en steur. In Luilekkerland, ook wel Cocagne genoemd, is nooit ruzie. Niemand weet wat geweld is en alle mensen zijn gelijk aan elkaar. Er wordt gefeest, er wordt gedanst, er wordt gezopen. Iedereen doet het met iedereen.

Luilekkerland in de Efteling

Er is geen uitbeelding van het sprookje van Luilekkerland in de Efteling, maar dat had niet veel gescheeld. Anton Pieck bedacht eind jaren zestig verschillende attracties voor het A-veld, een speeltuin voor de oudere jeugd, waar Luilekkerland onderdeel van zou worden. Eind jaren tachtig vormde het voor Ton van de Ven een grote bron van inspiratie voor Het Volk van Laaf. Vroege ontwerpen voor deze attractie tonen huizen als taarten en poorten als grote ijsjes.

Het land vormde tevens de inspiratie voor het sprookje van Holle Bolle Gijs op Sprookjes van de Efteling - deel 7 (1973) geschreven door Herman Broekhuizen. Ad Grooten schreef voor Meer Sprookjes van de Efteling (2011) een sprookje gebaseerd op de meest bekende elementen uit de verschillende verhalen over de bijzondere locatie, waarbij het plot leentjebuur speelt bij Hans en Grietje.

Het A-veld was een project uit 1967 en 1968 rond het bouwen van een speeltuin voor de oudere jeugd. Gedacht werd aan onder andere een achtbaan, een spookhuis en verschillende kraampjes. De directie en adviseurs wilden het project uitwerken om de spreiding van bezoekers in het park te bevorderen en de doelgroep van 12- tot 16-jarigen meer aan te spreken.

Anton Pieck maakte schetsen voor verschillende ideeën waarop te zien is hoe de invulling van een dergelijke verzameling attracties had kunnen worden. Eén van die attracties is Luilekkerland, wat op de tekeningen is uitgewerkt als een verzameling gekke huisjes en dikke mannetjes die op de grond liggen, omgeven door een ronde muur van rijstebrij.

Eind jaren tachtig houdt Ton van de Ven zich bezig met een attractie in het thema Luilekkerland. Op de eerste ontwerpen, onder andere te zien op pagina 159 van Kroniek van een Sprookje en in een YouTube-video over Laaf uit de serie 'De Magische Klok', is te zien hoe de architectuur is opgebouwd uit zoetigheden: ijshoorns als dakpunten, pannenkoeken als dakpannen en complete gebouwen in de vorm van een taart.

Het project kreeg de naam Funny Village en transformeerde tijdens de ontwerpfase naar een nieuw sprookje met een meer originele thematiek. Hoewel het Lavenlaar dus niet Luilekkerland is, is de inspiratie in de uiteindelijke vorm nog steeds duidelijk. De Laven en de Luilekkerlanders lijken erg op elkaar: een klein dwergachtig volk met een grote ronde buik die dol zijn op drank en spijzen (wat zelfs heeft geleidt tot eigen producten als Liflafjes, Lariekoek en Lurk) en op luieren.

Een groot verschil is de werklust onder de Laven. Waar het volkje in de Efteling een kraamhuis, school, brouwerij en bakkerij runt, daar is werken in het legendarische Luilekkerland verboden. Het achtergrondverhaal van de Laven, onder andere te zien in de put van het Laafs Loerhuys, vertelt echter dat het volkje van de Noordpool komt, in de tijd dat dat nog een tropisch paradijs was.

De Geschiedenis van Luilekkerland

De vroegst bekende versies van verhalen over Luilekkerland in de Lage Landen komen voor in Middelnederlandse rijmteksten uit de 15e en 16e eeuw. Luilekkerland heet dan nog 'Cockaengen'. Het woord stamt uit het Oudfrans en betekent zoveel als 'het land van de honingkoeken'. Land van Kokanje of het land van melk en honing zijn twee alternatieve benamingen die nog steeds voorkomen.

De oudst bekende tekst waarin de naam voorkomt, is een Latijns lied uit de 'Carmina Burana' uit het begin van de dertiende eeuw. Boccaccio maakt daarin al toespelingen op het zorgeloze leven in een imaginair land waar een berg staat van geraspte Parmezaanse kaas, waar in de beken witte wijn vloeit en waar men in overvloed macaroni en ravioli te eten kan krijgen.

Twee eeuwen later maakt Pieter Breughel een befaamd schilderij over Luilekkerland, waarop een ridder, een lansknecht, een boer en een geleerde gestrekt liggen temidden van spijzen en dranken. We zien een gebraden varken en een gedopt ei lopen, beide met een mes in zich gestoken. In de verte zien we de melkzee met een bootje erin, en iemand die zich met een houten lepel zojuist door de brijberg (toen nog van boekweit) heeft heengegeten.

Dergelijke verbeeldingen van Luilekkerland dragen alle trekken in zich van een wensdroom, een profaan paradijs. Niet zelden echter worden de mededelingen over Luilekkerland door de vertellers gepresenteerd en gerelativeerd als leugens. Het sprookje van Luilekkerland wordt in de vakliteratuur dan ook tot de zogenaamde leugensprookjes gerekend. De mondelinge verspreiding van het sprookje is tamelijk beperkt.

Het bekendste sprookje is "Das Märchen vom Schlaraffenland". De gebroeders Grimm namen het op in de editie van Kinder- und Hausmärchen uit 1819. Het is echter de versie van Ludwig Bechstein uit 1845 die als basis heeft gediend voor veel prentenboeken en die het beeld geeft van Luilekkerland zoals we dat allemaal kennen: de vissen zwemmen niet in maar óp het water, ze zijn al gebakken of gekookt, de speenvarkens lopen gebraden rond, met een trancheermes in de rug, als het regent dan regent het honing, als het hagelt dan hagelt het als suikerbrokjes, als het sneeuwt dan sneeuwt het kristalsuiker.

Alle putten zijn gevuld met malvezij en andere zoete wijnen. In het struikgewas en aan de bomen groeien de mooiste kleren die er zijn, op de hei groeien prachtige dameskleren, de grassprieten zijn linten in alle kleuren.

Luilekkerland in de Moderne Tijd

‘Naar middeleeuwse opvatting zou het huidige West-Europa in hoge mate de verwezenlijking van Cocagne zijn’, schrijft historicus Herman Pleij in Dromen van Cocagne (1997). ‘Fastfood is er op elk uur van dag en nacht, evenals klimaatbeheersing, vrije seks, arbeidsloos inkomen en plastische chirurgie die de jeugd verlengt.’

Want ja: wereldwijd zijn er al meer mensen met obesitas dan honger. Het moordcijfer ligt veertig keer lager dan in de middeleeuwen en voor iedereen met het juiste paspoort is er een indrukwekkend sociaal vangnet opgetuigd.

Misschien is dat wel ons grootste probleem: de droom van Luilekkerland begint op te raken. Een beetje meer consumptie, een beetje meer veiligheid - het kan nog wel, maar de nadelen in de vorm van milieuvervuiling, obesitas en Big Brother zijn zo langzamerhand een stuk groter.

Voor de middeleeuwer was Luilekkerland het paradijs. ‘Een vluchtroute uit het aardse lijden’ noemt Herman Pleij het ook wel. Want dat vergeten we nog wel eens: het verleden is een bak ellende. Gedurende zo ongeveer 99 procent van de wereldgeschiedenis was 99 procent van de wereldbevolking arm, hongerig en smerig.

Toch is het belangrijkste onderdeel van Luilekkerland, de eerste lettergreep, nooit verwezenlijkt. ‘Geld is daar ingeruild voor het goede leven,’ jubelt de middeleeuwse dichter. ‘Wie het langst slaapt, verdient het meest.’ En er zijn talloze feestdagen: viermaal Pasen, viermaal Pinksteren, viermaal Sint-Jansmis en viermaal Kerstmis. Iedereen die wil werken wordt opgesloten in onderaardse kerkers. Zelfs het uitspreken van het woord ‘arbeid’ geldt als zwaar vergrijp.

De ironie is dat de middeleeuwse poëet waarschijnlijk dichter bij Luilekkerland zat dan wij nu. In 1300 barstte de kalender nog van de vrije dagen. Een Frans martelwerktuig luisterde zelfs naar de naam ‘travail’. De meeste boeren werkten niet harder dan nodig was voor hun levensonderhoud. Na zonsondergang viel er sowieso weinig meer te doen. Juliet Schor (Harvard University) schat dat in Engeland maar liefst één derde van het jaar aan vakantie op ging. In Spanje zouden het vijf maanden zijn geweest en in Frankrijk bijna zes.

Eigenlijk is het simpel: tijd is geld. Economische groei kun je omzetten in meer vrije tijd of meer consumptie. Van 1850 tot 1980 deden we het allebei nog, maar sindsdien is vooral de consumptie gegroeid. Zelfs waar de reële inkomens gelijk bleven (zoals in de VS) ging het consumptiefeest door - op krediet. Bovendien is in veel landen de ongelijkheid geëxplodeerd, waardoor de baten van groei bij een kleine minderheid zijn terechtgekomen. Dat was geen historische noodzakelijkheid, maar een gevolg van politieke keuzes. Het kan anders.

Experimenten met de Werkweek

Engeland, 1973. Premier Edward Heath zit met de handen in het haar. De inflatie bereikt recordhoogtes, de overheidsuitgaven rijzen de pan uit en de vakbonden zijn voor geen enkel compromis te porren. Dan beginnen de mijnwerkers te staken. Terwijl de energie steeds schaarser wordt, hullen de Britten zich in dikke truien. ’s Avonds haasten ze zich door pikdonkere straten, want de lichten moeten vroeg uit. Aan het einde van het jaar is zelfs de kerstboom op Trafalgar Square in duisternis gehuld.

Dan neemt Heath een radicaal besluit. Op 1 januari van het volgende jaar wordt de driedaagse werkweek ingevoerd. Bedrijven mogen niet langer dan drie dagen per week stroom verbruiken, totdat de energievoorraden weer groot genoeg zijn. Staalmagnaten voorspellen dat de industriële productie zal inzakken met maar liefst vijftig procent. James Prior, leider van de Conservatieven in het parlement, vreest een catastrofe.

Maar de geschiedenis van Luilekkerland zit vol verrassingen. Begin maart 1974 kon de vijfdaagse werkweek worden hervat. Toen ambtenaren een paar maanden later berekenden hoe groot het productieverlies was geweest, konden ze hun ogen niet geloven: slechts 6 procent.

Voorbeelden te over. Zo besloot Volkswagen begin jaren negentig, in navolging van Henry Ford, de werkweek in te korten. De Duitse autofabrieken bleken meer te produceren in 28,8 uur dan in 36 uur - en er werden 30.000 banen mee gered.

Nog een beter voorbeeld is de Amerikaanse staat Utah. In 2008, toen de werkloosheid opliep, de energieprijzen stegen en de rijen bij de voedselbanken steeds langer werden, kwam gouverneur Jon Huntsman met een rigoureuze oplossing. De vierdaagse werkweek (vier dagen van tien uur) werd in één klap voor bijna alle ambtenaren ingevoerd. ‘Ik dacht, we kunnen hier nog zes maanden op studeren, of we kunnen het nu gewoon doen,’ herinnerde Huntsman zich later.

Al snel zei acht op de tien werknemers zo gelukkiger te zijn. Zes op de tien rapporteerde een hogere productiviteit. Het ziekteverzuim daalde overal en er werd een fortuin op brandstof bespaard. Nog een leuke bijkomstigheid: Utah werd nationaal kampioen vrijwilligerswerk. Toen de nieuwe gouverneur twee jaar later een einde wilde maken aan de vierdaagse werkweek, negeerden grote steden als West Valley City en Provo zijn besluit.

In de afgelopen decennia zijn er werkelijk honderden studies gedaan die aantonen dat productiviteit en lang werken maar weinig met elkaar te maken hebben. ‘Working 90 hours a week and loving it!’ stond er op de T-shirts van Apple-techneuten in de jaren tachtig. Productiviteitsexperts berekenden later dat we de Mac een jaar eerder hadden gehad als ze half zulke lange dagen hadden gemaakt.

Kijk alleen al naar ons eigen land: volgens de OESO (de denktank van rijke landen) werken Nederlanders 1.379 uur per jaar, tegenover de 1.787 uur van de Amerikanen en de 2.032 uur van de ‘luie’ Grieken. Het belet Nederland niet in de top van meest concurrerende economieën ter wereld te staan. De vraag dringt zich op: waar blijft Luilekkerland?

De Hessenhof: Een Modern Luilekkerland voor Plantenliefhebbers

Tijdens mijn vakantie ben ik in Luilekkerland geweest want zo kun je de Hessenhof wel noemen als je een vaste plantenliefhebber bent. Een bezoek aan deze kwekerij stond al heel lang op mijn 'bucketlist' want ik had er al veel enthousiaste verhalen over gehoord. Ik ben blij dat ik dit jaar eindelijk gegaan ben. De Hessenhof is gevestigd in Ede. Bijna precies in het midden van Nederland. Deze kwekerij biedt een sortiment van zo'n tweeduizend verschillende vaste planten aan. En dan niet de standaard planten die je in elk tuincentrum vindt!

Ik dacht dat ik behoorlijk veel vaste planten kende, maar van veel planten die ze hier hebben, had ik zelfs nog nooit gehoord. Als je eens wat anders dan anders zoekt, is dit dus de plek!

Specialiteiten

Bij de Hessenhof draait het vooral om vaste planten. Hun specialiteiten zijn:

  • Droogteminnende- en prairieplanten. Je vindt er bijvoorbeeld veel Asters, Echinacea's, Euphorbia's, Salvia's en siergrassen;
  • Halfwinterharde planten en kuipplanten. Natuurlijk de Agapanthus, maar ook de collectie Salvia´s in deze groep is de moeite waard;
  • Tuinkruiden en aromatische planten zoals lavendel, rozemarijn, santolina, tijm en nog veel meer. In soorten die je nog niet kende;
  • Winterharde varens en schaduwplanten, zoals leverbloempjes, bosanemonen, maartse viooltjes, salomonszegels enz.;
  • Helleborus. Vroeger organiseerde de Hessenhof in het vroege voorjaar de Helleborusdagen. Daar zijn ze mee gestopt, maar ze hebben nog steeds veel verschillende soorten Helleborus.

In totaal zijn er zeven grote plantvakken vol met vaste planten Plantvak R en S met rotsplanten, schaduwplanten en varens.

Moederbedden

Achter een dikke beukenhaag verscholen vind je de moederbedden van de kwekerij. Elk jaar worden hier nieuwe soorten uitgeplant. Intussen zijn er meer dan zesduizend verschillende soorten te vinden. Ze worden kritisch beoordeeld en alleen de beste worden vermeerderd. Voor mij was dit echt de kers op de taart. Je kunt hier zien hoe een plant eruit ziet als hij volwassen is. Dat geeft toch een beter beeld dan een klein plantje in zo'n tien centimeter potje.

Wij bezochten de kwekerij half augustus en de moederbedden stonden nog volop in bloei. Maar wanneer je ook komt, hier bloeit altijd wel iets! Een extra pluspunt voor mensen met een tuin op zandgrond, is dat de moederbedden zijn aangelegd op schrale Veluwse zandgrond. Het geeft een goed beeld van wat er allemaal mogelijk is als je je 'klapzand' verbetert met (heel veel) organisch materiaal zoals compost, bladaarde en stalmest.

De Eucomis autumnalis op onderstaande foto en de vele soorten Crocosmia waren geweldige blikvangers. Ook de de diverse Persicaria's (waarvan ik er veel nog niet kende) stelen in augustus de show. Het hoogtepunt was voor mij de Eryngium paniculatum die daar in al zijn glorie te bewonderen was. Een ruim 2.25 meter hoge reus. Rond de toppen van de plant krioelde het van van de bijen, zweefvliegen en andere insecten. Nog nooit zoiets gezien!

Deze plant belandde uiteraard direct in mijn karretje zodat ik hopelijk straks in mijn eigen tuin van dit spektakel kan genieten.

Biologische teelt

Waarom zou je biologische sierplanten kopen? Je eet ze toch niet op? Bij de Hessenhof vinden ze dat biologisch gekweekte planten veel voordelen opleveren. Daarom hebben ze gekozen voor 100% biologische teelt:

  • De planten worden opgekweekt met organische mest in plaats van kunstmest. Hierdoor worden planten niet opgejaagd maar groeien ze in hun eigen tempo. Ook komt er geen kunstmest in de bodem. Dat is goed want de zouten in kunstmest doden het bodemleven;
  • Er worden geen chemische of kunstmatige bestrijdingsmiddelen gebruikt die het natuurlijk evenwicht verstoren;
  • Elke twee weken worden de planten besproeit met compostthee. Dit mengsel staat bol van de goedaardige schimmels en bacterieën die ervoor zorgen dat planten weerbaarder worden. Ben je benieuwd wat compostthee is? In dit filmpje (5:35 minuten) wordt het uitgelegd;
  • De planten worden opgekweekt in bladaarde in plaats van potgrond. Potgrond bestaat voor meer dan 90% uit turf. In Nederland is de turfwinning verboden. De turf voor onze potgrond komt daarom uit de Baltische staten en Rusland. Het wordt daar afgegraven met enorme bulldozers die een soort maanlandschap achterlaten.

Bij de Hessenhof kweken ze al hun planten zelf. Er wordt niets ingekocht bij andere kwekers. Je weet dus zeker dat alle planten die worden aangeboden volgens dit principe opgekweekt zijn. Nog een garantie: de Hessenhof is SKAL gecertificeerd. SKAL staat voor “Stichting Keur Alternatief voortgebrachte Landbouwproducten”. Deze instantie controleert (jaarlijks) of bedrijven voldoen aan de Europese regels voor biologische teelt.

Het boek

Tijdens mijn bezoek aan de Hessenhof schafte ik voor maar 15 Euro het 'Hessenhof handboek vaste planten' aan. Hierin worden 3.000 soorten vaste planten uitgebreid beschreven. Niet alleen op hun waarde voor de siertuin maar ook op hun toegevoegde waarde voor de biodiversiteit. Wat ik zelf altijd heel lastig vindt bij nieuwe planten is hoe ver je ze uit elkaar moet planten. Je weet immers nog niet hoe groot ze worden. In dit boek wordt door middel van een nummer bij elke plant duidelijk aangegeven wat de plantafstand in centimeters is. Die informatie heb ik tot nu toe in geen enkel ander tuinboek gevonden!

Op zon- en feestdagen zijn ze gesloten. Het is niet mogelijk om planten online te bestellen. Je kunt ook geen planten klaar laten zetten of van tevoren reserveren. Je moet ze dus zelf in de vakken opzoeken. Op een groot bord bij de ingang kun je zien waar welke plant staat. Zelf maak ik eigenlijk nooit een 'verlanglijstje'. Ik vind het veel leuker om wat rond te snuffelen en te kiezen uit het beschikbare aanbod. Op die manier ga je altijd met iets leuks naar huis en word je nooit teleurgesteld. Bij een kwekerij als deze leidt die benadering alleen wel tot enige keuzestress 😁.

Ook aan de inwendige mens is gedacht. In de serre kun je koffie of thee met een stroopwafel kopen (zelfbediening). Je kunt die binnen opdrinken of buiten op het terras in de schaduw van een enorme Tetrapanax. Ik heb zelf zo'n plant in mijn voortuin maar ik had geen idee dat die zo groot kan worden! Er is geen gebak of lunch verkrijgbaar maar je mag gerust zelf wat meebrengen.

Op de kwekerij hebben ze geen doosjes om je planten in te zetten. Zorg dus dat je zelf wat dozen of kratjes meebrengt. Er zijn wel karretjes waar je je planten op kunt zetten. Lege potten kun je bij een volgende bezoek aan de kwekerij inleveren. Ze worden dan opnieuw gebruikt.

Luilekkerland als Waarschuwing

Arts en hoogleraar Vitaliteit David van Bodegom onderzoekt hoe mensen verouderen en ziet grote veranderingen bij Nederlanders. Hij waarschuwt voor de gevolgen van ons Westerse luilekkerland. “De helft van de kinderen die nu geboren worden, gaat de 100 jaar halen.

Van Bodegom onderzocht niet alleen Kwakoe, maar ook zo’n 1000 andere Ghanese ouderen. Hoe komt het nou dat Hans en Kwakoe zo anders oud geworden zijn? Is het omdat Hans dom is en de verkeerde keuzes maakt? “Nee”, zegt Van Bodegom, “Want als je Kwakoe neerzet op de plek waar Hans is opgegroeid, dan zou Kwakoe die ouderdomsziekten hebben gekregen. Het zit ‘m dus in de omgeving, meent Van Bodegom.

In een omgeving van schaarste word je gewoon heel anders oud dan in ons moderne Westerse luilekkerland. “Eten is overal en bewegen hoeven we juist niet. We gaan bijvoorbeeld met de auto naar kantoor, met de lift vanuit de parkeergarage naar de werkvloer, ‘s middags nemen we de lift naar de kantine waar we twee kroketten eten en daarna gaan we met de lift weer naar onze auto om naar huis te rijden en de avond op de bank te netflixen.

Het betekent dat we gemiddeld misschien wel ouder worden, maar wel langer ongezond. “De helft van de kinderen die nu geboren worden, gaan de 100 jaar halen”,” legt Van Bodegom uit. “Maar wel met allerlei ziektes.

labels:

Zie ook: