Veertien poten, dus een insect kan het niet zijn. Een spinachtige is de pissebed evenmin. Familie van de duizendpoot dan? Nee: te weinig poten. Om de achter-, achter-, achterneef van de pissebed te achterhalen, moet je verder kijken dan je eigen achtertuin.

Pissebedden behoren tot de substam van de Crustaceae, de schaaldieren. Net als bijvoorbeeld de krab en de kreeft. In tegenstelling tot die grotere - en smakelijkere - stamgenoten, is de pissebed wel tot landdier doorgeëvolueerd. Tenminste, dat geldt voor de meeste pissebedden. Van de 37 soorten die er in Nederland leven, behoort het merendeel tot de landpissebedden.

Verschillende soorten pissebedden in Nederland

In achtertuinen komen vooral de ruwe pissebed en de rolpissebed voor. De eerste onderscheidt zich door ruwe bobbeltjes op de rugsegmenten; de tweede doet zijn naam eer aan en kan zich tot erwtgrootte oprollen als er gevaar dreigt.

Het dieet van pissebedden

Beide soorten leven in de bovenste laag van de bodem: de strooisellaag. Ze eten rottend hout en bladeren en zijn belangrijk voor de recycling van verschillende nutriënten. Zo dragen ze bij aan de koolstof- en stikstofkringloop.

Pissebedden leven in de bovenste laag van de bodem. Ze eten dode plantenresten, rottend hout en bladeren. De uitwerpselen zitten vol met goede voedingsstoffen voor de bodem waardoor nieuwe planten goed kunnen groeien. Ze zijn daardoor erg nuttig voor een composthoop. Om voldoende voedingsstoffen (nutriënten) binnen te krijgen - met essentiële verbindingen met onder meer stikstof, zwavel, fosfor en koolstof - moeten ze hun menu aanvullen met eiwitten. Die halen ze onder andere uit mest, aas, schimmels en bacteriën. Hun spijsvertering zet overigens maar tien tot zeventig procent van het voedsel om, de rest wordt uitgepoept.

Die keuteltjes zijn dan weer een belangrijke bron van voeding voor de jonge pissebedden. Het voedsel is immers al voorverteerd waardoor de nutriënten makkelijk opgenomen kunnen worden. Maar er zitten ook de nodige bacteriën en schimmels in die de darmflora van de jongen opbouwen.

De pissebedden ruimen het plantaardig materiaal dus niet alleen op, ze zorgen er tevens voor dat er weer voldoende voedingsstoffen in de bodem komen zodat planten en bomen weer kunnen groeien. Verder is bekend van pissebedden dat ze ook eieren en jongen van spinnen en mieren eten. En ze kunnen ook kannibalistisch zijn en soortgenoten opeten.

Pissebedden als prooi

Zelf staan ze op het menu van onder andere egels, vogels, spitsmuizen, kikkers, padden en spinnen. Er is zelfs een spin die zich heeft gespecialiseerd in het vangen en kraken van pissebedden, namelijk de roodwitte celspin.

Aan de andere kant vormen pissebedden een ‘smakelijk’ maaltje voor verschillende andere geleedpotigen als loopkevers, kortschildkevers en duizendpoten. Verder lusten spitsmuizen, egels, kikkers, padden en vogels ook wel een pissebedje. De absolute pissebedliefhebbers zijn de roodwitte celspin (Dysdera crocata) en de boscelspin (Dysdera erythrina), beiden soorten die in ons land voorkomen.

Deze spinnen hebben geen web, maar zijn ‘s nachts actief en gaan dan op jacht. Hun kaken steken ver voor de kop uit en werken als een soort pincet. Deze kaken zijn zo sterk dat ze door het pantser van de pissebed kunnen snijden. Als ze eenmaal een pissebed gevonden hebben, pakken ze het diertje met hun kaken vast en doden het door het inspuiten van gif. Die kaken kunnen ook door de huid van een mens heen prikken. Het gif is niet dodelijk voor de mens, maar de beet kan wel flinke jeuk veroorzaken.

Anatomie en levenswijze van de pissebed

Pissebedden hebben primitieve ogen (ocelli) waarmee ze het verschil tussen licht en donker kunnen waarnemen. De twee voelsprieten op hun kop dienen als tastzintuig; aan de achterkant hebben ze zogenaamde uropoden: antenne-achtige uitsteeksels waarmee ze ook kunnen voelen en een afweerstof tegen vijanden kunnen afscheiden.

Overdag houden pissebedden zich schuil op donkere plekken, onder tegels of stukken hout. Pas ‘s nachts worden ze actief. De gewone pad is een van de vijanden van de pissebed.

Ogenschijnlijk hebben ze weinig meer gemeen met krabben en kreeften, maar ademen doen pissebedden nog precies zoals hun in het water levende verwanten: door kieuwen. Daarom leven ze ook altijd in een vochtige omgeving. De kieuwen moeten voortdurend nat gehouden worden. Een pissebed die langer dan twee uur aan droogte is blootgesteld gaat dood.

Voortplanting en ontwikkeling

Vrouwtjespissebedden produceren per jaar vaak twee keer een eierlegsel: in de lente en in de zomer. Per keer is er in hun buidel plaats voor zo’n 200 eitjes. De eitjes zijn geelgekleurd en komen na een paar weken uit. De jonge pissebedden blijven nog een maand in de buidel wonen. Ze eten de uitwerpselen van hun moeder, waarin nog voldoende voedingsstoffen zitten.

Opvallend is dat de vrouwtjes van enkele pissenbedsoorten nakomelingen kunnen krijgen via ‘maagdelijke voortplanting’: er hoeft geen mannetje aan te pas te komen. Hun nakomelingen zijn dan ook bijna allemaal vrouwtjes.

De rol van pissebedden in de bodem

Ze recyclen plantaardig materiaal en dragen zo bij aan de koolstofkringloop. Ze hebben hun naam en hun uiterlijk niet mee, maar pissebedden zijn onmisbaar voor onze bodem.

Pissebedden in huis: wat te doen?

Als je een vochtig huis hebt is de kans groot dat je een pissebed tegen komt in bijvoorbeeld de kelder of kruipruimte. De meeste mensen willen liever geen pissebedden in huis. Er zijn meerdere manieren om ze diervriendelijke te bestrijden. Je kunt ze lokken door een bloempot met vochtige bladeren in een donkere hoek te plaatsen. Een andere manier is een aardappel halveren, uithollen en met de uitgeholde kant op de grond zetten. Zet er een luciferstokje tussen zodat er een opening ontstaat. Pissebedden zullen hierop afkomen omdat ze in de woning op zoek zijn naar een gunstige plek.

Ziekte bij pissebedden

Het kan voorkomen dat je een blauw/paarse pissebed tegen het lijf loopt. Dit is geen bijzondere soort maar een teken dat deze in korte tijd komt te overlijden. De blauw/paarse kleur duidt namelijk op een besmetting van het ‘iridovirus’. Deze kleur wordt veroorzaakt door een ophoping van de virusdeeltjes die het licht reflecteren. Eenmaal besmet met het iridovirus (vernoemd naar de Griekse godin Iris), dat verantwoordelijk is voor de verkleuring, sterft een pissebed na enkele weken. Vooral soorten die in tuinen leven zijn gevoelig voor het virus: daar zitten veel pissebedden bij elkaar, wat de verspreiding vergemakkelijkt.

De vervelling

Pissebedden beschikken over een exoskelet: hun skelet bevindt zich aan de buitenkant van hun lichaam. Het voordeel is dat zo’n pantserhuid een goede bescherming biedt tegen vijanden. Nadeel is dat het niet meegroeit met de rest van het lichaam - en dus moet een pissebed ongeveer eens in de vier weken van huid wisselen. Op zo’n moment is hij bijzonder kwetsbaar en daarom gebeurt de metamorfose in twee fases: eerst vervelt de achterkant en zo’n 12 uur later de voorkant. Bij jonge pissebedden wordt het harnas bij elke vernieuwing iets donkerder en steviger. Ook het zevende paar poten ontstaat pas bij de tweede vervelling.

De rolpissebed

Wat dat betreft heeft de rolpissebed een voordeel ten opzichte van andere soorten: door zich op te rollen verliest hij minder vocht. Maar aangezien zijn pantser - net als die van andere pissebedden - niet waterdicht is, droogt hij op den duur toch uit.

Historisch gebruik van pissebedden

Waar tegenwoordig een plaswekker wordt gebruikt, kregen bedplassers vroeger gemalen pissebed toegediend. Men dacht dat de stof die pissebedden uit de uropoden afscheiden om zich te beschermen tegen vijanden - spinnen, kevers, duizendpoten, padden - heilzaam zou zijn voor de blaas.

De pissebed was ook een beproefd laxeermiddel: soms droegen mensen een zakje pissebedden aan een koordje om hun nek, of stopten ze een pissebed in een medaillon. Bij plotselinge maagkrampen konden ze dan zo’n ‘pil’ slikken, waardoor de pijn verdween. Klinkt vergezocht, maar geheel onlogisch is het niet: de rugschildsegmentjes van pissebedden bestaan uit kalk - uitstekend om maagzuur te neutraliseren.

labels:

Zie ook: