Misselijkheid is een vervelende klacht die verschillende oorzaken kan hebben. Deze gids biedt een breed overzicht van mogelijke benaderingen om misselijkheid te verlichten, van voedingsadviezen tot complementaire zorg.

Oorzaken van misselijkheid

Misselijkheid kan veroorzaakt worden door diverse factoren, waaronder:

  • Medicijnen
  • Stress
  • Reisziekte
  • Voedselvergiftiging
  • Zwangerschap

Voeding en ontzuren

Ontzuren is een vorm van detoxen die kan helpen bij misselijkheid. Het betekent dat je bewust bezig bent met het afvoeren van zuren uit je lichaam, wat invloed heeft op je zuur-base balans. De mate van zuurheid van je lichaam wordt gemeten in de vorm van de pH-waarde.

Wat is ontzuren?

Ontzuren betekent dat je bewust bezig gaat met het afvoeren van zuren uit je lichaam. Je hebt het dan over je zuur-base balans. De mate van zuurheid van je lichaam noem je je zuurgraad en kan je meten in de vorm van de pH waarde. Hoe lager de pH, hoe zuurder iets is. Je lichaam kent verschillende pH waarden afhankelijk van het orgaan en de functie.

Waardoor verzuur je?

De zuren die je aanmaakt komen van verschillende kanten: aan de ene kant komt het van buitenaf zoals uit het voedsel. Na afbraak van eiwitten en vetten uit de voeding blijven zuren over. Ook alcohol, suiker, medicijnen (vooral NSAID’s zoals ibuprofen!) en milieuverontreiniging werken sterk verzurend. Aan de andere kant ontstaan zuren van binnenuit als normaal afvalproduct van het afsterven van oude cellen. Dat is een constant proces waarbij ook weer nieuwe cellen gemaakt worden. Er zijn factoren die dit proces versnellen en daarmee bijdragen aan verzuring. Hierbij moet je denken aan stress, straling (van je mobieltje, de magnetron etc) en intensieve lichaamsbeweging.

Hoe kom je weer van je zuren af?

Het lichaam heeft supergoede systemen om de zuurgraad constant te houden: een te veel kan worden uitgeplast, uitgezweten en uitgeademd. Voordat dit gebeurt worden de zuren ‘gebufferd’ zoals dat heet, door een base. Een base is een stof die het zuur aan zich kan binden waardoor het geheel neutraal wordt. Dan ben je ook van je zuur af. De belangrijkste base in het lichaam is bicarbonaat.

De mineralen magnesium, calcium en kalium worden ook genoemd in relatie tot verzuring. Deze relatie is meer indirect. Het eten van deze mineralen zorgt voor de aanmaak van basen in het lichaam. Omgekeerd worden deze mineralen ook beïnvloed door de zuurgraad. Bij een hogere zuurgraad ga je bijvoorbeeld meer calcium uitplassen.

Het komt er op neer dat je de balans er in moet zien te houden tussen verzurend en ontzurend. Zoals je ziet, zijn veel van de dingen die verzurend zijn tot op zekere hoogte te beïnvloeden. De voeding is een belangrijk aangrijpingspunt. Als je gezond eet, eet je altijd eiwitten en vetten. Een bepaalde mate van verzuring is dan ook normaal. Je hebt natuurlijk wel invloed op of je veel vet en eiwit eet en hoeveel ontzurende voeding je daar tegenover zet.

Zuur-base voedingswijzer

Hele goede voedingsbronnen van de genoemde ontzurende mineralen zijn groenten, fruit en kruiden. Je denkt misschien aan zuivel als bron voor calcium, maar zuivel bevat ook verzurende dingen zoals eiwit, vet en fosfaat waardoor zuivel netto meestal verzurend is. Deze balans tussen ontzurende mineralen enerzijds en verzurende stoffen anderzijds wordt uitgedrukt in de PRAL waarde van een voedingsmiddel. PRAL staat voor het Engelse Potential Renal Acid Load, oftewel de zuurlading van het voedingsmiddel voor de nieren. Elk voedingsmiddel heeft een eigen PRAL waarde. Groenten, fruit en kruiden hebben een negatieve PRAL waarde, oftewel zijn ontzurend. De rest heeft een positieve PRAL waarde, oftewel is verzurend.

6 Redenen om te ontzuren:

  1. Met ontzuren voorkom je of herstel je een mineralentekort
  2. Om chronische klachten aan te pakken of te voorkomen
  3. Vanwege de ultragezonde side effects
  4. Omdat het leuk is om je pH te meten
  5. Als je op een zachte manier wilt detoxen
  6. Omdat het super simpel is

Makkelijke tips voor thuis

  • Je kunt basisch water gaan drinken.
  • Extra bicarbonaat gaan nemen is ook een mogelijkheid.
  • Je kunt een ‘groen poeder’ gaan nemen: dat is een mengsel van tarwegras, gerstegras met fruit en vaak ook spirulina en chlorella.
  • Verder is er ontzurende thee van heel veel verschillende kruiden die de nieren helpen met zuren afvoeren.

Complementaire zorg

Complementaire zorg is een aanvullende zorg die gegeven wordt naast de reguliere zorg. Het biedt ontspanning en persoonlijke aandacht en is met nadruk geen alternatieve zorg of therapie. In de palliatieve zorgverlening heeft complementaire zorg ook een plaats gekregen in de richtlijnen Palliatieve Zorg van het IKNL (Integraal kankercentrum Nederland). Onder meer het werken met etherische oliën, aromazorg, massage en ontspanningstechnieken worden benoemd.

De meerwaarde van complementaire zorg in de laatste levensfase

Door de cliënt in deze fase aandacht te geven aan de fysieke, emotionele, mentale, sociale en spirituele behoefte, wordt deze aanvullende zorg als zeer waardevol ervaren. Complementaire zorg leidt vaak tot vermindering van klachten zoals: slaapproblemen, spanning, onrust, angst, sombere stemming, pijn en misselijkheid.

Complementaire zorg bij ClaraThuis

In het voorjaar van 2022, hebben de eerste vrijwilligers van ClaraThuis de scholing Complementaire Zorg afgerond. Deze scholing is specifiek bedoeld voor verpleegkundigen en vrijwilligers die in de palliatieve zorg werken. Door de positieve reacties van cliënten en vrijwilligers, werden meer vrijwilligers gemotiveerd om de cursus te volgen.

In de thuissituatie worden met name de massage, ontspanningstechnieken en muziek aangeboden. Omdat het werken met etherische oliën heel persoonlijk is, worden deze minder gebruikt in de thuissituatie.

De coördinator biedt meestal tijdens het kennismakingsgesprek, de mogelijkheid van complementaire zorg aan en inventariseert wat de wensen van de cliënt zijn. Indien nodig zal de arts of verpleegkundige van de thuiszorg, gevraagd worden of er massage gegeven mag worden. Dit in verband met mogelijke complicaties. Alleen de specifiek geschoolde vrijwilligers mogen deze massages geven. De vrijwilliger informeert altijd de coördinator voor en na de behandeling.

Vitamine B12 en misselijkheid

Vitamine B12 deficiëntie kan in de vroege fase asymptomatisch zijn. Daarna kan macrocytaire anemie en/of een typisch (neuro)psychiatrisch klachtenbeeld optreden (Carmel, 2000; Lindenbaum et al., 1988). De symptomen zijn dus zeer divers en kunnen ook variëren in ernst (Heil et al., 2012).

Het diagnosticeren van B12 deficiëntie is een uitdaging, omdat vaak (onterecht) verondersteld wordt dat anemie aanwezig moet zijn om de diagnose te kunnen stellen. Bij een aantal onderzoeken heeft men vastgesteld dat het neurologisch klachtenbeeld ernstiger kan zijn bij patiënten zonder anemie (Healton et al., 1991).

Het gevaar bestaat dat de diagnose - en daardoor de behandeling van B12 deficiëntie - wordt vertraagd, met grote gevolgen voor de patiënt. Een snelle diagnose en behandeling zijn dus wenselijk. Gezien de ernst van de ziekte is de kans groot dat het klachtenbeeld chronisch is (Hunt et al., 2014).

De hieronder genoemde klachten kunnen voorkomen. Soms is één symptoom duidelijk aanwezig, soms is er sprake van meerdere ernstige en minder ernstige klachten. Patiënten vertellen ons dat hun conditie door de jaren heen sluipenderwijs achteruit gaat. Al in 1901 werd daarover geschreven (Hunt et al., 2014), toen men nog niet wist met welke ziekte men te maken had.

Symptomen van Vitamine B12 tekort

In 2014 is door Hooper et al. een aan vitamine B12 tekort gerelateerde symptomatologie beschreven (Hooper et al., 2014). In een survey met een respons van ongeveer duizend patiënten in Engeland, gepubliceerd in The British Journal of Nursing, blijken de patiënten met een vastgesteld vitamine B12 tekort klachten van zeer gevarieerde aard te hebben.

Bovenstaande symptomen worden ook genoemd in een survey van de Stichting B12-tekort (Visser et al., 2013). De survey werd door meer dan 1500 personen ingevuld en geeft onder andere duidelijk inzicht in de klinische verschijnselen en de vertraging in herkenning en behandeling van het tekort. Bij beide surveys is ook een duidelijke overlap te zien tussen fibromyalgie, ME/CVS en SOLK.

Met de huidige afkappunten en normaalwaarden liggen misdiagnoses op de loer (Carmel, 2011; Iqtidar & Chaudary, 2012). Vanuit haar praktijkervaring schreef de Amerikaanse verpleegkundige Sally Pacholok samen met Jeffrey Stuart M.D.

Cardiovasculair risicomanagement (CVRM)

Deze NHG-Standaard geeft aanbevelingen voor cardiovasculair risicomanagement (CVRM). De inhoud van deze standaard is identiek aan die van de richtlijn Cardiovasculair risicomanagement en is opgesteld in samenspraak met medisch specialisten en patiëntvertegenwoordigers. Daarmee wordt geprobeerd te bevorderen dat alle bij cardiovasculair risicomanagement betrokken hulpverleners eenzelfde beleid voeren. De multidisciplinaire ontstaansgeschiedenis van deze standaard is tevens verantwoordelijk voor het afwijkende format.

Het risico op hart- en vaatziekten wordt geschat door het meten van een combinatie van de belangrijkste risicofactoren voor atherosclerose (het onderliggende lijden bij hart- en vaatziekten). Het hele concept van interventies ter preventie van hart- en vaatziekten is gebaseerd op het uitgangspunt dat zij zorgen voor een absolute afname van het risico op hart- en vaatziekten ten opzichte van een bepaald uitgangsrisico.

Het cardiovasculair risicoprofiel

Het cardiovasculair risicoprofiel is een overzicht van de volgende factoren, die worden vastgesteld door middel van anamnese, lichamelijk onderzoek en laboratoriumonderzoek:

  • Anamnese: leeftijd, geslacht, roken (in pakjaren), voeding, psychosociale risicofactoren, alcoholgebruik (in eenheden per dag), lichamelijke activiteit
  • Lichamelijk onderzoek: systolische bloeddruk, body mass index (BMI) (aangevuld met middelomtrek)
  • Laboratoriumonderzoek: lipidenspectrum (totaal cholesterol, HDL-cholesterol, LDL-cholesterol, triglyceriden, non-HDL-cholesterol), glucose (bij voorkeur nuchter), serumcreatinine met (via de CKD-EPI-formule) geschatte glomerulaire filtratiesnelheid (eGFR) en albumine-creatinineratio in urine.

De familieanamnese is geen onafhankelijke risicofactor voor hart- en vaatziekte. Een positieve familieanamnese voor hart- en vaatziekten gaat vaak gepaard met andere risicofactoren, bijvoorbeeld hoog cholesterol.

Voor veel patiënten is een risicocategorie aan te wijzen zonder dat hun risico kwantitatief geschat hoeft te worden met een risicoscore. Dit betreft patiënten met reeds bestaande hart- en vaatziekten, diabetes mellitus, chronische nierschade, sterk verhoogde bloeddruk of bekende familiaire hypercholesterolemie (zie tabel 1).

Tabel 1: Patiëntengroepen met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten

Patiëntengroep Subgroepen Risicocategorie
Patiënten met vastgestelde hart- en vaatziekte Gedocumenteerde atherosclerotische HVZ, klinisch of ondubbelzinnig met beeldvormend onderzoek aangetoond. Zeer hoog risico
Patiënten met diabetes mellitus type 2 Patiënten met goed gecontroleerde, relatief kort bestaande DM (< 10 jaar), geen bewijs van eindorgaanschade en geen extra atherosclerotische HVZ-risicofactoren Matig verhoogd risico
Patiënten met > 10 jaar DM of gebrekkige glykemische regulatie zonder ernstige eindorgaanschade of HVZ Patiënten met DM met vastgestelde atherosclerotische HVZ en/of ernstige eindorgaanschade Zeer hoog risico
Patiënten met chronische nierschade CNS zonder diabetes of atherosclerotische HVZ Hoog risico
Personen met een sterk verhoogde bloeddruk Bloeddruk ≥ 180 mmHg* Hoog risico
Familiaire hypercholesterolemie Personen met aangetoonde familiaire hypercholesterolemie Hoog risico

Raadpleeg eerst tabel 1 om tot een classificatie van het risico op een hart- en vaatziekte te komen. Voldoet de patiënt aan geen van de daar genoemde criteria, gebruik dan de SCORE2(-OP)-tabel (zie tabel 2) om het risico te schatten.

Gebruik SCORE2 om het tienjaarsrisico op hart- en vaatziekten te schatten bij personen van 40-70 jaar zonder hart- en vaatziekte bij wie nog geen behandeling is gestart of bij wie de risicofactoren gedurende meerdere jaren stabiel zijn (zie tabel 2).

Gebruik SCORE2-OP (Oudere Personen) om het tienjaarsrisico op hart- en vaatziekten te schatten bij personen van 70-90 jaar. In tabel 2 zijn alleen ouderen < 80 jaar opgenomen omdat alle ouderen ≥ 80 jaar een hoog risico hebben.

De risicotabel is alleen geschikt voor personen die niet in een specifieke risicocategorie vallen volgens tabel 1 (op basis van comorbiditeit of extreme risicofactoren). In de derivatie- en validatiecohorten van SCORE2(-OP) zaten deelnemers met en zonder bloeddruk- en cholesterolverlagende behandeling. De risicoschattingen zijn daarom naar verwachting betrouwbaar wanneer de waarden van bloeddruk of lipidenprofiel over langere tijd (enkele jaren) stabiel zijn.

Het advies is daarom om SCORE2(-OP) te gebruiken voor het schatten en communiceren van het tienjaarsrisico op fatale en niet-fatale hart- en vaatziekten.

Van risico naar behandeladviezen

Zowel voor de risicocategorieën in tabel 1 als voor gezonde personen bij wie het tienjaarsrisico met behulp van tabel 2 wordt geschat, geldt dat er geen absolute grens van het risico op hart- en vaatziekten bestaat waarboven intensieve leefstijladviezen en medicamenteuze behandeling van risicofactoren sowieso moeten plaatsvinden. Evenmin zijn er risicodrempels waaronder adviezen of behandelingen zonder meer niet aangewezen zijn.

Tabel 3: Leeftijdsspecifieke risicodrempels

Risico < 50 jaar* 50-69 jaar* ≥ 70 jaar
Laag risico < 2,5% < 5% n.v.t.
Matig verhoogd risico 2,5-7,5% 5-10% < 15%
Hoog risico ≥ 7,5% ≥ 10% ≥ 15%
Zeer hoog risico Zie tabel 1 voor de groepen met een zeer hoog risico

Het ligt niet voor de hand een risicodrempel te hanteren voor adviezen omtrent een gezonde leefstijl. Risicodrempels voor intensieve leefstijlbegeleidingsprogramma’s kunnen wel opportuun zijn, mede afhankelijk van de kosten van deze programma’s en de moeite die het kost om ze vol te houden.

Ga uit van de volgende vertaling van de in tabel 1 en tabel 3 genoemde risico’s naar aanbevelingen voor de medicamenteuze behandeling van bloeddruk en LDL-cholesterol:

  • Laag risico (zie tabel 2 en tabel 3): aanbieden van medicamenteuze behandeling is doorgaans niet aangewezen.
  • Matig verhoogd risico (zie tabel 1, tabel 2 en tabel 3): aanbieden van medicamenteuze behandeling is doorgaans niet aangewezen. Bij jonge mensen is speciale aandacht gewenst in verband met het lifetimerisico (zie Bijlage Lifetimerisico).
  • Hoog risico (zie tabel 1, tabel 2 en tabel 3): overweeg medicamenteuze behandeling aan te bieden.
  • Zeer hoog risico (zie tabel 1): aanbieden van medicamenteuze behandeling wordt aanbevolen.

Lifetimerisico

Het absolute tienjaarsrisico bij relatief jongere personen is doorgaans laag, zelfs in de aanwezigheid van meerdere risicofactoren. Dit zou tot de onjuiste conclusie kunnen leiden dat deze personen een laag lifetimerisico hebben of dat zij vergeleken met mensen van dezelfde leeftijd en geslacht toch ‘gezond’ zijn. Alternatieve manieren van risicoberekening en communicatie kunnen worden overwogen, zoals de cardiovasculaire risicoleeftijd (‘hartleeftijd’) of het lifetimerisico.

Cardiovasculaire risicoleeftijd

De cardiovasculaire risicoleeftijd van iemand met meerdere risicofactoren voor hart- en vaatziekten is de leeftijd die iemand zou hebben van hetzelfde geslacht met hetzelfde risico, maar met optimale waarden van de risicofactoren.

labels: #Worst

Zie ook: