Dat Zwarte tranen precies drie jaar na de Witte Mars verschijnt, is voor een boek dat begint met een allusie op de ontsnapping van Marc Dutroux en eindigt met de Witte Mars, geen toeval. Het verhaal speelt zich af tegen de achtergrond van een reeks schandalen die vanaf het midden van de jaren tachtig tot eind jaren negentig de Belgische actualiteit domineerden. Het verhaal pikt de draad weer op van Het goddelijke monster.
Zo blijft het bijvoorbeeld niet bij een vage referentie aan ‘die ene kindermoordenaar’, maar vertoont de ontsnapping van Katrien Deschryver uit het gerechtsgebouw, de kerngebeurtenis waarrond de verschillende verhalen zich ontwikkelen, sterke gelijkenissen met de ontsnapping van Marc Dutroux uit het gerechtsgebouw van Neufchâteau op 23 april 1998.
Het Verhaal van 'Zwarte Tranen'
Katrien Deschryver, die verdacht wordt van de moord op haar man Dirk Vereecken, verblijft in de gevangenis, waar onderzoeksrechter Willy De Decker fanatiek speurt naar een betekenis achter haar daad. Wanneer ze haar dossier gaat inkijken kan de door rijkswachters begeleide Katrien echter, toevallig, uit het justitiepaleis ontsnappen. Op haar vlucht krijgt ze, buiten haar wil om, de hulp van Hannah Gramadil; een lesbische feministe en fervent mannenhaatster met een voorliefde voor het verzamelen van littekens. Hannah helpt Katrien onderduiken maar deze beseft al gauw dat ze slechts de ene cel voor de andere heeft verruild.
Ondertussen heeft Katriens zus, Gudrun Deschryver, de zorg voor haar manisch-depressieve moeder Elvire op zich genomen. Gudrun speelt de enige rol die ze nog kan spelen, die van dochter. Na de dood van Dirk en de arrestatie van Katrien had ze geprobeerd om zich over hun zoontje Jonas te ontfermen, maar het surrogaatmoederschap liep dramatisch af.
Steven, maar vooral zijn alter ego Stephen, neemt daarom steeds vaker zijn toevlucht tot verdovende middelen die ertoe leiden dat hij op een nacht instort. Stevens instorting dwingt oom Leo Deschryver ertoe in te grijpen. Leo, die destijds zijn broer Herman ervan overtuigd had in allerijl hun geheime Luxemburgse bankkluizen leeg te maken om daarna te verdwijnen, dringt nu aan op zijn onmiddellijke terugkomst. Hoewel Herman weigert, rijdt deze terminaal zieke ex-minister al geruime tijd door het land. Onherkenbaar voor de buitenwereld houdt hij zijn familie nauwlettend in het oog. Zijn broer Leo heeft zijn handen vol aan het indijken van de schandaalstroom rond de familie Deschryver.
In de marge van deze verhaallijnen vertrekken de twee nog levende tantes, Milou en Madeleine, op cruise richting Canarische Eilanden om halverwege vast te stellen dat ze op een boot naar IJsland zijn beland. In opeenvolgende brieven - waarin tussen de regels door heel wat familiedebacles de revue passeren - smeken ze de familie tevergeefs om hulp. Ook Bruno, Katriens tweede broer, houdt zich buiten het oog van de storm. Door de realistische verhaallijnen heen worden een aantal fantastische elementen geweven.
Als een onheilsprofeet verkondigt de Gille met een metalige stem de komst van ondergang en verderf, terwijl de garnaalvisser boodschappen van hoop brengt: ‘Maakt u zoveel kopzorg niet. Uw zuster stelt het wel.
In een theatraal slothoofdstuk komen alle personages en verhaallijnen op de dag van de Witte Mars samen. Milou en Madeleine zijn ondertussen terug aan wal en aangekomen in Brussel om aan ‘de evenementen’ deel te nemen. Ook Herman en Leo bevinden zich in de hoofdstad: Leo probeert zich een weg door de massa te banen terwijl Herman van af het dak van het beursgebouw Elvire en Gudrun opmerkt die de manifestatie officieel mogen openen.
Terwijl Katrien opgesloten zit in een trailer gooien Hannah en onderzoeksrechter Willy De Decker het op een akkoordje: in ruil voor Katriens terugkeer naar de gevangenis, verwijdert hij zichzelf van de zaak en wordt de meedogenloze openbare aanklager, Cédric De Balder, ontheven. Op datzelfde moment zijn Jonas en Allessandra er getuige van hoe John Hoffman tijdens een raid van ‘de Bende’ geëxecuteerd wordt, waarna ook Jonas wordt vermoord.
De Deschryvers: Een Familie in Verval
Stuk voor stuk lijden de personages aan een lichamelijk of geestelijk tekort. Zo veranderde bijvoorbeeld moeder Elvire sinds de eerste dag van haar huwelijk in een manisch-depressieve junk, wordt Herman Deschryvers maag door kanker weggevreten en gaat Gudrun gebukt onder een verregaand minderwaardigheidscomplex. Het letterlijk ‘uiteenvallen in geestelijk en/of lichamelijk opzicht’ voltrekt zich ongetwijfeld het duidelijkst bij Steven Deschryver: ‘Al jarenlang valt Stevens hoofd voorzichtigjes aan diggelen’. Daarnaast werken de Deschryvers vanuit een omgekeerd narcisme eigenhandig hun onttakeling in de hand. Ze onderhouden een problematische relatie ten opzichte van hun lichamelijkheid en beginnen aan ‘de sloop’ van hun ‘eigenste vlees’.
De versplintering wordt niet alleen vastgesteld, ook de oorzaken ervan worden belicht. Ten eerste wordt het destructieve gedrag van de personages verklaard als een poging om te ontsnappen aan de hun door de buitenwereld opgelegde rollen en imago's. Hoewel Katrien erin slaagt uit haar cel te ontsnappen, blijft ze toch een gevangene van haar imago en haar verleden.
Een tweede oorzaak voor de degeneratie van de Deschryvers schuilt in het mysterieuze verlies van ‘het broertje’ dat als motief in de roman opduikt. Er worden weinig details gegeven omtrent de verdwijning die als een ‘letsel’ wordt omschreven, ‘Elvires definitieve aftakeling had ingeluid’ en een ‘eerste wak’ in het hoofd van Steven had geslagen. Het is niet alleen deze onnoembaarheid, maar ook de onbespreekbaarheid van de verdwijning die de Deschryvers ziek maakt. De familiale omerta die vader Herman Deschryver destijds heeft opgelegd, resulteert immers in een ‘stinkend zwijgen’ vol ‘schaamte, spijt, verwijt’.
Maatschappelijke Ontaarding
De ondergangsgedachte speelt tevens op maatschappelijk niveau. Bij monde van ex-kolonel Yves Chevalier-de Vilder en patriarch Herman Deschryver, heren die de oude ‘wortelende waarden’ hoog in het vaandel dragen, krijgt de moderne samenleving heel wat kritiek te verduren. Op die manier leveren ze kritiek op de beschaving (‘Vandaag is Nike geen godin maar een merk van baseballpetten en pantoffels’) en formuleren ze hun visie op de geschiedenis als een voortdurende degeneratie, ‘apocalyps van onze tijd’.
Deze Untergang des Abendlandesthematiek krijgt ook gestalte in de visioenen van Katrien. in een rood licht waarna een Gille de Binche of een garnaalvisser aan haar verschijnen. Beide figuren verwijzen naar de Belgische folklore en vertegenwoordigen respectievelijk de Waalse en de Vlaamse cultuur. Het uiteenvallen van de familie en het individu gaat hand in hand met een algemene maatschappelijke ontaarding.
In het geval van de Deschryvers wordt deze metaforische verbintenis versterkt door talrijke verwijzingen naar schandalen, publieke figuren en gebeurtenissen uit de contemporaine Belgische actualiteit. Zo zijn de raids van ‘de Bende’ op warenhuisketen ‘de Panter’ rechtstreeks geent op de overvallen van de Bende van Nijvel op Delhaizefilialen midden jaren tachtig, lijkt de vlucht van Willy De Decker voor de camera's verdacht veel op de ‘chickenrun’ van procureur-generaal Eliane Liekendael bij aanvang van het Agustaproces in 1998 en vertoont ex-kolonel Yves Chevalier-de Vilder een grote gelijkenis met Jacques Lefebvre, voormalig stafchef van de Belgische luchtvaart die nadat hij in opspraak kwam bij de Agusta-Dassault-affaire op 8 maart 1995 zelfmoord pleegde in het Brusselse Hotel Mayfair.
De verwijzingen onderhouden zelden een een-op-eenrelatie met de buitentalige werkelijkheid. Ze worden vervormd, verdicht en gesynthetiseerd binnen de nieuwe fictieve context ingeschakeld. Ondanks deze maskeringstechnieken en de afwezigheid van een notenapparaat behouden de verwijzingen echter een signaalwaarde die in de roman een spanning tussen verhullen en onthullen teweegbrengt.
labels:




