De Schepper heeft alles met wijsheid gemaakt. Heel de schepping, waaruit we ook kunnen weten dat er een God is (Hellenbroek), getuigt dat God een God van orde is. Wij, die van die God zijn afgevallen in Adam, zijn enkel wanorde als het gaat over de orde van God.
De Orde van God in Herschepping
Maar nu hadden we het over de orde in Schepping, en als we daar al uit zien welk een grote orde daarin zich openbaart, wie zal het bevatten welk een orde of God werkt in de herschepping. De levendmaking, de rechtvaardigmaking en heiligmaking en de weg die Hij hierin houdt.
De Weg van Leren en Leiden
Ik denk dan met name in de ordelijke weg waarin de Heere zijn volk leert en leidt. Deze zaken moeten, willen we die kunnen verhalen, door God aan de ziel geleerd zijn. Dat is geen boekenwijsheid, maar dat zijn de dingen die de natuurlijke een dwaasheid zijn, want hij kan ze niet onderscheiden.
Diabolus, die de orde en alles wat recht verwart, dat is de Tegenstander van God, die echter wel een overwonnen tegenstander is, want hij gelooft wat wij dwaze mensen niet geloven: Hij siddert als hij weet dat hij straks in de poel van vuur en sulfer wordt geworpen, in de eeuwige nacht, waar de rook van hun pijniging opgaat in alle eeuwigheid.
We zien dat we in een wereld leven waarin schier alles wordt omgedraaid. Het onnatuurlijke moet natuurlijk worden, de Schepper wordt verloochent en de evolutie voor wetenschap gehouden. We zien ook dat God ons tegen komt in Zijn oordelen. En dit alles in feite omdat we in vrijwel alles moedwillig God orde schonden. We erkenden die God van orde niet, en we doodden de zielen in de moederschoot, en achtten het leven niet als het naar het einde neigt. Zou God daarover geen bezoeking doen?
Zoete banden die mij binden
"Zoete banden, die mij binden; Aan het lieve volk van God." Mis, zegt iemand, het is: Zoete banden, die mij binden; Aan des Heeren lieve volk." Beide goed, leert de nieuwe uitgave van "De lofzangen Israëls" van Johannes Groenewegen.
De Lofzangen Israëls
Drs. A. Ros kwam tientallen edities van de bundel op het spoor en stelde een mooi uitgevoerde uitgave in nieuwe spelling samen, compleet met muzieknotatie en verklarende voetnoten. Het is 1746. Ds. Johannes Groenewegen, predikant in het dorpje Werkendam, is verwonderd en blij. Er heeft een opwekking plaats! De predikant komt in zijn gemeente, zoals hij later schreef "dat schreije, roepen, bidde, erkenne van haar zonde, strafschuld en van Gods rechtvaardigheid al ginge zy verloore" tegen. Enkele jaren later volgen opwekkingen in Nijkerk en Aalten, maar deze komt in die jaren onder kritiek te staan van onder meer Theodorus van der Groe.
Speciaal daarvoor dicht ds. Groenewegen een aantal gezangen. Daarin bezingen de vromen hun overtuiging van zonde, hun uitzien naar verlossing, hun aanvechting, maar ook hun hoop op het eeuwige leven. Jacob brengt de gemoedsgesteldheid van gemeenteleden iets anders onder woorden: "Riepen zij met heilig beven: Geef mij Jezus of ik sterf; Jezus is mijn ziele-leven; Buiten Jezus het verderf."
De liederen van Groenewegen vinden gretig aftrek. In handschriften worden ze verspreid, overgeschreven en gezongen. In 1751 verzorgt Jacob een eerste verzameling van veertig liederen, onder de titel "De lofzangen Israëls waar onder de Heere woont." Drs. Ros, neerlandicus en directielid aan het Van Lodensteincollege, stelt in zijn inleiding op de nieuwe editie het beeld bij dat de Lofzangen een product is van de twee broers. Jacob stelde wel de bundel samen en voegde wel zeven liederen toe, maar de overige gezangen zijn hoogstwaarschijnlijk van de hand van Johannes.
De verspreiding van de drukkers wettigt verder de conclusie dat de bundel op vele plaatsen populair was. "De lofzangen Israëls" sluiten naadloos aan bij het bestaande gezelschapslied, verklaart Ros de populariteit. Ze borduren voort op liederen van Lodenstein en op "Een bundeltjen uitgekipte geestelyke gezangen", een verzameling liederen van onder anderen Witsius, Tuinman en Koelman, die op gezelschappen zeer populair was. Tegelijkertijd vonden velen Groenewegens gezangen gemakkelijker te begrijpen. Ze vertolkten op eenvoudige wijze de tale Kanaäns. Dit taalgebruik stond weer dicht bij de kanseltaal van een predikant als Smytegelt. Drs. Ros typeert het als "gemoedelijk."
Extra accent krijgt de vraag naar de populariteit van Groenewegens liederen als we zien dat Jacob vanaf 1750 voortdurend botsingen heeft in het kerkelijk leven. Zo valt hij de gezaghebbende Leidse hoogleraar Joan van den Honert aan als deze de Nijkerkse beroeringen onder kritiek stelt. De synode van Zuid-Holland veroordeelt vervolgens enkele uitdrukkingen uit zijn boekje "Samenspraken der hemelingen". Al veel eerder had Theodorus van der Groe hem een brief gestuurd, die in 1742 gedrukt werd. Ook met diens uiteenzetting over de rechtvaardiging kon Jacob niet instemmen.
Ros vindt het in dit verband veelzeggend dat Johannes in de derde druk van de bundel een voorrede onder zijn eigen naam schrijft. Ros interesseert zich al jaren voor de geschiedenis van het bevindelijk gereformeerde lied. Ros ziet Johannes Groenewegen min of meer als een hekkensluiter. "Binnen de gezelschappen ontstaan nog wel bundels, zoals die van oefenaar Anthony de Wolff uit Fijnaart. Later dicht ds. L. G. C. Ledeboer vele liederen, maar daarmee komen we in een andere periode van de kerkgeschiedenis. Bij Groenewegen vind je diverse aanknopingspunten met de bloeitijd van de Nadere Reformatie. Hij sluit als dichter deze periode af."
De tientallen edities die Ros in bibliotheken en tegenwoordig steeds minder op boekenmarkten tegenkomt, laten telkens een andere samenstelling zien. Tegelijkertijd is opvallend dat de opdracht en de voorrede van Johannes Groenewegen uit de derde druk in latere edities bijna altijd ontbreken. In 1755 verscheen een tweede deel van de Lofzangen met 32 liederen. Ros heeft deze ook een plaats gegeven in de nieuwe editie, omdat ze in de latere edities steeds voorkomen. Misschien zijn ze wel ontstaan in het Werkendamse gezelschapsleven.
De Melodieën
Een andere uitdaging was het samenstellen van een goede tekst in hedendaags Nederlands. Minstens zo boeiend vond hij het opsporen van de juiste melodieën. Opvallend is dat deze in geen enkele editie in notenschrift vermeld zijn. Groenewegen blijkt veel melodieën van Lodenstein te hebben geleend. Groenewegen gebruikte verder de psalmen en melodieën uit de "Uitgekipte geestelyke gezangen". Er zat wat dat betreft dus niet direct iets vernieuwends in de "Lofzangen", concludeert Ros.
De lofzangen van Groenewegen overleefden hun tijd ruimschoots. Rond 1834, het jaar van de Afscheiding, konden ze rekenen op bijval van voormannen als Hendrik de Cock en ds. Ledeboer. Bovendien komen in tal van bekeringsgeschiedenissen en verslagen over de sterfbedden van vromen regels uit de gezangen van Groenewegen terug.
Geestelijke verbondenheid
Want als je de Heere voortdurend voor ogen stelt, mag je ook verbondenheid ervaren met allen die Hem vrezen. Kijk maar wat David zegt in Psalm 16 vers 3: ‘Mijn lust is tot de heiligen die op de aarde zijn en de heerlijken.’ Wie zijn dat die heiligen en heerlijken? Heel simpel: dat zijn de kinderen van God, dat zijn medegelovigen. Dus David houdt niet alleen maar van de Heere maar ook van al Gods kinderen.
Zoals Jacob Groenewegen zegt: Zoete banden die mij binden aan des Heeren lieve volk. Wis, zij zijn mijn hartevrinden, hunne taal mijn hartetolk. 't Zijn de kind'ren van mijn Vader en van 't zelfde huisgezin. Wij bestaan elkander nader dan de band van aardse min.’ Als je de Heere gedurig voor ogen stelt, mag je ook verbondenheid ervaren met allen die Zijn naam ootmoedig vrezen en leven naar Zijn goddelijk bevel.
Gezelschapsleven
Velen zullen zich bij het woord 'gezelschap' niet veel - meer voorstellen dan een willekeurige bijeenkomst van mensen die samen ergens mee bezig zijn. Dat het echter ook een heel specifieke betekenis heeft, dat weet diegene, die geen 'vreemdeling in Jeruzalem' is. In orthodox-bevindelijke kringen bedoelt men met een gezelschap een bijeenkomst van godvrezende mensen, die in geestelijke vriendschap elkaar regelmatig ontmoeten om van hart tot hart te spreken over de praktijk der godzaligheid.
Ze bezochten elkaar regelmatig. Bijvoorbeeld als er een geliefde predikant in een bepaalde plaats zou voorgaan, hetzij in of buiten de kerk. Ze ontmoetten elkaar ten huize van bepaalde centrale personen, bij wie het gezelschap werd gehouden. Bovenal hielden ze met elkaar een vaak bijzonder intensieve correspondentie, waarin ze met een openhartige vertrouwelijkheid getuigenis gaven van de hoogten en diepten in de verborgen omgang met de Heere.
Vaak waren het vromen, die het in de plaatselijke kerk niet echt konden vinden omdat de rechtzinnige bevindelijke prediking werd gemist en die daarom thuis de oudvaders lazen. Hoewel men met de Kerk (meestal de Hervormde) op gespannen voet stond, toch was er in alle droefheid vaak wel een hartelijke bewogenheid met de Kerk, waar men toch thuishoorde. Er werd gehoopt op een Goddelijk herstel van de waarheid in de Kerk.
De officiële instanties in de Kerk keken vaak neer op deze gezelschappen van de vromen. Men verstond de diepe gangen van het geestelijke leven niet en vond de gezelschapsmensen maar wat ziekelijke en overdreven mensen. Er waren echter ook predikanten, die zich er van harte thuis voelden en ook wel deelnamen aan de gezelschappen.
En hoewel ze soms aan de rand van het (kerkelijk) leven stonden, hebben ze lange tijd hun invloed gehad, vaak in de verborgen doorwerking van een denken over het geestelijk leven, dat een hele gemeente kon stempelen. De bekende gezelschapsmensen waren immers vaak ook mensen, die in het dorp (daar vond men ze meest) in achting waren.
Dit groene land tussen de rivieren, dat eeuwenlang het water te duchten en te lijden had, is op een bijzondere wijze een gebied geweest waarin het gezelschapsleven gebloeid heeft. Eenvoudige mensen waren het, vaak mannen en vrouwen van boerenafkomst. Naar de wereld gezien waren ze vreemd en onaanzienlijk. En vanuit die zoete gemeenschap hebben ze elkaar gezocht, om te delen wat ze ontvangen hadden, wat menigeen niet verstond, maar wat ze van harte met de zielevrienden en vriendinnen verbond.
Waardevolle herinneringen
Daarom is het bijzonder waardevol dat bovengenoemde schrijvers hen aan de vergetelheid hebben willen ontrukken, door wat er van hen bekend is, blijvend herinnering te geven. Een schat aan gegevens over het kerkelijk leven van de afgelopen twee eeuwen wordt ons daarin geboden.
Het is trouwens toch opvallend hoezeer de gezelschappen, ook als ze een 'onkerkelijke' weg gingen, toch meer op hadden met de Hervormde Kerk dan met afgescheiden kerken. Vanuit de inhoud van de brieven valt heel veel op te maken van de zielsgestalten van het volk des Heeren.
Op een winterse zondagmorgen schreef hij: 'O, dat eenzaam, met de Heere gemeenzaam, wat is dat zalig. Het vroor in de natuur, maar het dooide in mijn hart. Dat smolt voor de Heere, toen die woorden in mijn beschuldigde ziel vielen: 'Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? (...) Wat hebben we dan toch met alles vrede; ja vrede op aarde; ja, vrede met alles. O, ik hield toch zoveel van mijn beesten. Ze kregen zoveel hooi als ze lustten. Die mochten er ook nog in delen. Het was echt advent in mijn ziel'.
Wie meer wil weten, die neme en leze. Het lijkt wel alsof het verschijnsel van het gezelschapsleven welhaast verdwenen is, ook uit de Alblasserwaard. De snelheid van onze vervoermiddelen maakt de bezoeken korter en de contacten oppervlakkiger. We blijven niet meer bij elkaar logeren, dat doen alleen nog de kinderen.
Goddelijke liefde
Want het eerste doel waarom God ons heeft begiftigd met het (algemene) vermogen om lief te hebben ─die uitnemende en bijzondere kracht van onze ziel─, is dat wij ze op Hèm zouden richten; dat ze een middel zou zijn van onze verbondenheid aan Hem. O, wat is Goddelijke liefde een bijzonder zoete zaak, wanneer de Heere eerst Zijn liefde in ons hart uitstort en er zo voor zorgt dat wij Hem hartstochtelijk beminnen!
Het Heilig Avondmaal
Waarom heeft de Heere Zijn Heilig Avondmaal ingesteld? Dan is het Avondmaal er niet in de eerste plaats om het geloof te verzekeren, maar om het te versterken, dat is: de geloofsdaden en -oefeningen op te wekken en uit te halen naar Hem, zodat je je door niets meer laat tegenhouden ─bijvoorbeeld door de aanklagende stem in je geweten—, om gelovig gebruik te maken van de Heere Jezus en Zijn volkomen Offerande. Dan treur je over al wat je ziel van Hem scheidt. Dan wens je je aan Hem te verliezen, in Hem gevonden te worden, niets te zijn in jezelf en alles te zien en te zoeken en te vinden in Hem.
De Tale Kanaäns
Voor veel mensen is het een gewoonte geworden om in bepaalde termen uitdrukking te geven aan hun ervaringen. Hun persoonlijke geloofservaringen. Ik had pas met iemand een gesprek en die vertelde me dat het zo’n wonder was: eerst in Bethel en daarna in Pniel... Zo zijn er misschien wel duizend uitdrukkingen of meer.
Een zinsnede als deze: "Als Lot door God uit Sodom te zijn geplukt en nu op weg te zijn naar Zoar. Waarbij Zoar symbool staat voor Jezus." Vind ik persoonlijk heel verkeerd. Je hebt gelijk, er klopt dan een heleboel niet meer. We komen met deze soort spreekwijzen op het terrein van de allegorie. Wat is allegorie? Een manier van spreken waarmee je iets anders zegt dan je op het eerste gezicht lijkt te zeggen.
Jezus zegt "worden als een kind." Dat wil zeggen ongecompliceerd en onbevangen gewoon zeggen wat je bedoelt. Bij allegoriseren zegt de spreker eigenlijk wat er in die Bijbeltekst staan 'moet'. Hij luistert niet naar de Bijbel, maar hij laat de Bijbel zeggen wat hij wil en wat hij denkt. De spreker laat zich niet gezeggen door de Bijbel.
Lastig! Zo lastig is dat niet. Jezus heeft zelf zijn apostelen de opdracht gegeven het evangelie overal ter wereld te prediken. Stel je eens voor: De hele wereld dreigt ten onder te gaan aan een dodelijk virus. Een wetenschapper geeft jou een medicijn waarmee de hele wereld gered kan worden. Hij geeft je er zelfs een bijsluiter bij. Zou je dan dit medicijn en de bijsluiter niet zo duidelijk mogelijk aan heel de wereld voorhouden? Niet in beeldspraak, niet in de tale Kanaäns, niet in allegorie.
Is de huidige prediking in de reformatorische kerken nog evangelieverkondiging? Ja natuurlijk, men spreekt over Jezus, en over behoud. Maar gaat het nog om ellende, verlossing en dankbaarheid? Of preken we vooral voor een groep ingewijden die aangesproken worden in allegorie en standaard uitdrukkingen? Dit is een verkeerde ontwikkeling.
Mee eens! Het innerlijk verstaan van een gelijkenis wordt door Heere Zelf geleerd. Calvijn schrijft hier toch duidelijk dat Jezus door de gelijkenissen in juist bedekte termen sprak. Tale kanaans is zowieso een arrogante naam voor oud-hollands. Er is ook een mooie, lieflijke vorm van de tale Kanaans ; Zoete banden zijn het die mij binden, met des Heren lieve volk, ja het zijn mijn harte vrinden, hunne taal is mijne tolk.
Geestelijke herkenning over kerkmuren heen
Ds. D.E. van de Kieft ervaart geestelijke herkenning, waarbij hij oog heeft voor kernpunten in het geestelijk leven. „De waarheid luistert nauw. De Heere woont in meerdere kerkverbanden; daar heeft Hij Zijn knechten en Zijn volk. De Heere werkt door de kerkverbanden heen, maar wel overal hetzelfde. Dan mag je elkaar herkennen. Verschillend van karakter, maar met eenheid in het geestelijk leven.”
Je herkent elkaar in de grote werken Gods, tijdens het ontmoeten van mensen of onder de preek. Dat dezelfde wegen en gangen gepreekt en beleefd worden. Die gangen zo vol roem en eer, zijn aan Gods volk gebleken. Dan voel je dat Christus in het middelpunt staat. Dan is de mens niets, maar ontvangt Hij de eer. Dan valt er verbinding. Die maak je niet, die ontvang je.
Bij die hartetolk, daar vindt herkenning plaats. Dat raakt dus de Schriftuurlijke bevinding, niet het taalgebruik. Je merkte de bediening van Gods Geest. Dan sluit je zo iemand in het hart. Met zo’n man zou je wel in één kerkverband willen zitten. Dat is gelukkig vaker met predikanten van meerdere kerkverbanden zo geweest. Terwijl er met anderen een scheiding gevoeld wordt. Met de Gereformeerde Gemeente en de Oud Gereformeerde Gemeente op Urk voelen we ons eensgezind. Dan ervaar je dat je door één Geest geleid worden.
De rechte leer is, waar God op het hoogst verheerlijkt wordt, de mens op het diepst vernederd wordt, waar de verloren zondaar op het bondigst vertroost wordt in Christus. Dat Goddelijke werk geeft ootmoed, eerbied, verwondering. Dát verbindt. Verbinding krijg je, dat kun je niet maken.
Het Hogepriesterlijk gebed
De Heere Jezus bidt in het Hogepriesterlijk gebed om eenheid onder Zijn discipelen en Kerk. Opdat zij allen één zijn, zoals er eenheid is binnen de Drieëenheid. Waarheid en leugen verdragen elkaar niet. Dat zie je in de kerkgeschiedenis.
In de praktijk is het daarbij de vraag of er sprake is van onwetendheid of bewuste dwaling. Bij onwetendheid moeten we onderwijs geven vanuit Gods Woord om de waarheid te verdedigen. Blijft men tegen de waarheid strijden, dan valt de scheiding.
Wanneer iemand zegt: ik ken Jezus; oordeel niet direct, maar vraag door. Al leidt de Heere Zijn kinderen verschillend, men leert dezelfde zaken. Sommigen worden uit de wereld toegebracht, anderen worden als kerkmens bekeerd.
Gebed voor de toekomst
Mijn gebed is dat de Heere in alle kerkverbanden getrouwe predikanten wil zenden. Het is mijn gebed of de Heere onbekeerde predikanten wil bekeren. Of Hij in alle kerkverbanden mensen wil toebrengen. We bidden met het ‘Onze Vader’: ‘Uw naam worde geheiligd, Uw koninkrijk kome, Uw wil geschiede.’ Het is mijn wens dat het werk Gods mag doorgaan.
labels:
Zie ook:
- Courgette Zoete Aardappel Soep: Gezond & Smaakvol!
- Vegetarisch Recept met Zoete Aardappel: Gezond & Heerlijk!
- Vegetarisch Recept met Pompoen & Zoete Aardappel: Heerlijk & gezond!
- Johma Salades in de Aanbieding bij Jumbo: Heerlijk en Voordelig!
- Vier Microgolfovens met Grill Test – Ontdek de Beste Keuze voor Jouw Keuken!




