In de loop van de middeleeuwen neemt het aantal altaren in de kapittelkerken en in alle grote stadsparochiekerken overstelpend toe. In het algemeen gaat die groei door tot rond 1550, zodat er ook relatief zeer jonge altaren in een oudere kerk kunnen optreden.

Vanaf ongeveer het begin van de 14de eeuw stichten rijke particulieren, gegoede koopmans- en ambachtsgilden en geestelijke broederschappen ter ere van hun patroonheilige en ter gedachtenis van hun overleden (familie)leden een beneficie, dat wil zeggen een fonds, een inkomstenbron, waaruit zij de diensten van een priester, een vicaris, kunnen bekostigen aan een bestaand of aan een nieuw door hen opgericht altaar.

Aan het hoogaltaar of aan het gewone parochiealtaar mogen zulke beneficiën niet verbonden en zulke diensten niet verricht worden, want zij vallen buiten de gewone liturgie en zielzorg. Daarom ook moeten die altaren laag bij de vloer en klein zijn.

Meer beneficiën kunnen aan één altaar gehecht worden, zodat vaak een accumulatie van patroonheiligen op één altaar plaats vindt, vandaar dus die lange heiligennamenreeksen die men voor één altaar in de documenten aantreft. Vaak is het onmogelijk uit te maken welk beneficie van zulk een altaar het oudst en wie de eigenlijke stichter is.

De koopmans-, ambachts- en schuttersgilden kunnen voor hun kerkelijke feesten en memoriediensten een eigen altaar of zelfs een eigen kapel als aanbouw van een kerk stichten, maar de twintig gilde-altaren in de Sint Jan zijn lang niet alle door gilden gesticht. Overigens moet men zich ook niet voorstellen, dat alle altaren en alle daaraan verbonden vicarieën en beneficiën in handen van even talrijke priesters waren: meer verplichtingen konden aangegaan en meer inkomsten ontvangen worden door één beneficiant of vicaris, die dan bovendien ook nog kanunnik kon zijn.

Vaak is de impuls tot stichting van een college van kanunniken uitgegaan juist van die toename van het aantal altaren en vicarissen, heren die zich dan tot gemeenschappelijke koordiensten verplichtten, zoals hierna nog ten aanzien van de confraternitas in de Sint Salvator van Brugge opgemerkt wordt.

Bij gebrek aan archivalia zijn voor de Sint Jan weinig stichtingsdata van altaren aan te geven, de grootscheepse wijding van 1522 betreft altaren die als opvolgers van die uit het afgebroken oude schip en een onbekend aantal geheel nieuwe, te zamen achttien, beschouwd moeten worden.

Nadat de Sint Jan in hervormde handen was gekomen, werden de altaren het eerst verwijderd. De gilden werd meteen in 1629 gelast het hun toebehorende uit de kerk te halen en in januari 1630 werden de laatste altaren afgebroken.

Men heeft echter geen aanleiding gezien om ook de natuurstenen altaaraanzetten weg te hakken; als vanouds kregen zij tegelijk met de pijlerbasementen hun kalk- en schilderbeurten, zodat tot op vandaag deze opmerkelijke constructies nog te bezichtigen zijn. Zowel architectonisch als symbolisch zijn zij een interessant gegeven.

Architectonische Kenmerken en Inrichting

Alleen van enkele retabels worden resten elders bewaard, van de altaarblokken zelf heeft er een aantal sporen achtergelaten doordat zij aansloten bij een met natuursteen beklede aanzet die verheeld is met de westkant van de natuurstenen pijlerbasementen en die nooit weggekapt is. Alle veertien schippijlers hebben zulk een blokvormige aanzet.

Hiermee is dan tevens een altaartype geschapen, wellicht in 1445, wanneer het Sint Eligiusaltaar gefundeerd en gebouwd is tegen de eerste noordelijke schippijler, dat in de middeleeuwse architectuur uitzonderlijk is. In geen van de andere grote Brabantse gotische kerkgebouwen komt het voor.

Het massieve blok (stipes) heeft een geprofileerde plint en een geprofileerd tafelblad (mensa), waar één opgaande peerkraal van de pijler als het ware doorheen steekt. Aan de kant van de zuidelijke zijbeuken zijn de altaaraanzetten tegen de twee meest oostelijke schippijlers (de twee van Naamse steen) voorzien van een diepe boognis (rondboog met toten) voor de plaatsing van ampullen.

Het feit dat de overige aanzetten zulk een nis niet hebben, doet vermoeden, dat het eigenlijke, verdwenen altaarblok daarin voorzag. Die verdwenen altaarblokken mag men zich voorstellen als uitgevoerd in steen of hout (veeleer hout) met één altaartrede (suppedaneum) en al of niet met een op de mensa staand beeld, schilderij of retabel (gebeeldhouwd, gesneden, geschilderd) uitgerust en door zijdelingse roeden met schuifgordijnen afgeschermd.

Tussen 1485 en 1512 is dit type altaaraanzet ook toegepast in het schip van de Dom van Utrecht. Het Domschip is weliswaar in 1674 verwoest, maar de interieurtekeningen van Pieter Saenredam uit 1636 en het schilderij van Hendrik Cornelisz. van Vliet uit 1672 laten heel duidelijk zulke aanzetten zien.

Door deze ordening vooraf voorkwam de bouwmeester, dat het pijlerbasement door willekeurige altaarplaatsingen en - aanhechtingen verminkt werd (zoals bijvoorbeeld in de Stephanusdom te Wenen) en schreef hij als het ware standaardmaten voor de altaren voor.

Gramaye rondde het aantal altaren in de Sint Jan op vijftig af, twee meer dan er waren. Misschien ten overvloede zij nog iets gezegd over de functie van al die altaren.

Interieurveranderingen en Vernielingen

De herhaalde wijzigingen van het interieur zijn uiteraard gevolg van verandering van liturgische behoeften en van smaak, maar ook volgen vernieuwingen op vernielingen. In de beeldenstorm op 22-23 augustus en nogmaals op 10 october 1566 zijn onder meer ten onder gegaan: de apostelbeelden in het koor, het triomfkruis en de beelden van het gotisch oxaal, het gotisch sacramentshuis, het Marianum in het schip, werk van meester Jasper Mabry.

Gespaard bleef het grote altaarretabel van de Lieve Vrouwe Broederschap, eerst dank zij gewapende bewaking, later doordat het buiten de kerk in veiligheid gebracht was. Dit kostbare werk heeft tot 1629 smaakveranderingen doorstaan.

Renaissance Houtsnijwerk

In 1567 kopen kerkmeester Jan van Liebergen en schrijnwerker Jan Schalcken in Amsterdam, Spaarndam, Haarlem, Dordrecht en Gouda voor enige honderden guldens ‘blauw’, ‘Coerlands’, ‘vack’- en ‘cnor’-hout aan. Jan Schalcken behoorde, met zijn vader Adriaan en zijn broer Cornelis tot de belangrijkste kunstsnijders in Den Bosch; in 1563 werkte hij met acht gezellen.

Hoewel van verschillende ‘antyxsnijders’ werkzaamheden in en om de Sint Jan tussen 1567 en 1570 vaststaan, kunnen de makers en de datum van het renaissance houtsnijwerk van de koorafsluiting, de bisschopszetel (oostelijke zitplaats met baldakijn van de zuidelijke koorbankenrij) en de tochtvangers in het transept niet nauwkeurig aangewezen worden.

Behalve Jan Schalcken worden tussen 1567 en 1570 genoemd zijn knechts de groote Geeraert, Geeraert van Utrecht, Meijnaert de Lansknecht, de jonge Schalcken, Joost de andere Lansknecht, Cornelis de antyxsnijder, de jonge Lawken de antyxsnijder, de jonge Fries de antyxsnijder, Jan van Cleve, Hans van Brussel, den Duitsch, Peter van Erkelens en Hans van Tienen.

Volgens Mosmans hebben op de bisschopszetel de betalingen aan Goort den franssen screijnwercker en Cornelisken den antyxsnijder in 1567 en 1569 betrekking. In juli 1567 werkte een Cornelis Borger enkele dagen in de loods.

In de kronieken over de beeldenstorm wordt gemeld, dat de preekstoel zorgvuldig gespaard werd, op grond waarvan Mosmans aanneemt, dat de huidige kuip toen reeds bestond en dat de mededeling in een rekening van 29 november 1567, ‘... doen men den stoel richtten’, alleen betrekking heeft op het klankbord met baldakijn.

In augustus 1567 komt Cornelis Bloemarts, antyxsnijder, uit Gorcum naar Den Bosch en in april 1568 volgt een afrekening met hem door de kerkmeesters. Hij is terzijde gestaan door een knecht uit Gorcum en een zekere Cornelis en de jonge Fries. Hij zou dus zeer wel de maker van dat baldakijn kunnen zijn.

Doch het is ook bekend, dat in 1569 zich Anthony van Helmont uit Antwerpen in Den Bosch vestigde om voor de Sint Jan en de Lieve Vrouwe Broederschap te werken, op een tijdstip dus, waarop de kuip al voltooid was, maar het is niet uitgesloten, dat hij al eerder in Den Bosch werkzaam is geweest. Het is dan ook tenslotte niet uit te maken, of Cornelis Bloemarts dan wel Anthony van Helmont of beiden aan de preekstoel gewerkt hebben, of ook aan andere inventarisstukken.

De Torebrand van 1584 en Herinrichting

Dat werk heeft niet lang stand gehouden. Tijdens de grote torenbrand van 1584 gaat het in vlammen op, het gotisch oxaal wordt onherstelbaar beschadigd, behalve het oxaalorgel ging ook het grote orgel van Hendrik Niehoff tegen de westtoren verloren. De preekstoel bleef gespaard.

De brandschade van 1584 werd door plebaan R. Sweerts aangegrepen om tot een grootscheepse herinrichting naar de eisen en de smaak des tijds te komen. Hij liet wel veel intact (koorafsluiting, preekstoel, doopvont), maar de hoofdmomenten van de ruimte, hoogaltaar, oxaal en groot orgel kregen een nieuwe, barokke gedaante.

In 1610 lieten de kerkmeesters een tekening maken van het oxaal in de Lieve Vrouwekerk van Antwerpen, door Raphael Paludanus (van den Broeck) in 1592-1596 ontworpen, dat op zijn beurt het voorbeeld van het oxaal in de kathedraal van Doornik volgde, in 1571-1574 door Cornelis Floris gemaakt.

Ook lieten de kerkmeesters houten modellen maken, een met vijf bogen, twee ingangen en drie altaren, een met drie bogen. In hetzelfde jaar werd met de steen- en beeldhouwer Coenraad van Norenberch, die in 1608 het Bossche burgerrecht verworven had, een contract gesloten voor de bouw en versiering van een oxaal met drie bogen.

Inmiddels werden de resten van het gotische oxaal verwijderd: op 10 augustus 1612 betaalde de kerk de geringe kosten ‘Voor opbreken van den steen en tou maken ende inbrengen van den voet van den oxaal’. De zeer zware fundering met bak- en natuursteen, die in 1982 ter plaatse is aangetroffen, schijnt veel ouder te zijn en al voor het 15de-eeuwse oxaal gediend te hebben. In 1613 is het nieuwe voltooid en geplaatst. Het bestaat uit zwart marmer (dat wil zeggen gepolijste zwarte Doornikse of Naamse steen), rood marmeren zuilen met grijsmarmeren kapitelen, en albasten beelden en reliëfs.

Aan de frontzijde staan op de entablementen de beelden van Petrus, de Moeder Gods, Johannes Evangelist en Paulus. Op consoles boven de bogen staan in de gedaante van vrouwefiguren Fides, Spes en Caritas aan de voorzijde, Justitia en Pax opzij.

De vakken tussen de beelden en aediculae zijn gevuld met een zone van balusters en daaronder reliëfs, die aan de schipzijde episoden uit het leven van Christus voorstellen, aan de koorzijde het Laatste Oordeel en de Zeven Werken van Barmhartigheid. In de boogzwikken bevinden zich engelenfiguren. De friezen tussen de lijsten zijn gevuld met acanthusranken, maskers, cartouches en ander ornament in de stijl van Cornelis Floris.

Op het oxaal stond een kruis met albasten corpus, dat verdwenen is. Aan de koorzijde stond boven de middenboog een albasten Salvatorbeeld, dat in 1649 verkocht schijnt te zijn maar geen spoor heeft nagelaten. Bij wijze van acroteriën stonden op de balustrade tien koperen kandelaars, in 1613 gegoten door Anthony Jansen. Het beeldhouwwerk is niet alles van één hand, het beeld van Johannes Evangelist is door Hendrick de Keyser gemaakt.

De toeschrijving van de beelden van Petrus, Paulus en Justitia aan Nicholas Stone, door Elisabeth van Neurdenburg bepleit, wordt echter door Charles Avery bestreden. Die grote rol van Coenraed blijkt ook uit het slepende financiële geschil tussen hem en de kerkmeesters, waarin de Antwerpse beeldhouwers Jeronimus Duquesnoy en Hans van Mildert vergeefs bemiddelden en dat nog voortduurde toen de kerk al in hervormde handen was.

De stad heeft de aanvullende kosten gedragen, maar ook de kerk heeft voor het oxaal en de bijkomende kosten van orgel en altaren, zo veel moeten opbrengen dat zij daarvoor een aanzienlijk huis in de Kerkstraat moest verkopen.

Voor het nieuwe oxaal bouwde Jan Jansz. van Weert in 1616-1617 een orgel, dat in 1617 gekeurd werd door Dr. John Bull, de vermaarde organist van de Onze Lieve Vrouwekerk te Antwerpen.

Onder de gewelven van het oxaal, te weerszijden van de middendoorgang, werden twee altaren geplaatst: op 30 november 1626 sloten de kerkmeesters een contract met Mr. George Duer steenhouwer voor ‘het maeken van eenen altaer onder het oxael (...) gelijck den altaer bijde barbiers aen dander sijde’.

Een eerste ontwerp voor een nieuw hoogaltaar wordt in 1613 geleverd: ‘Item den Ingenieurs oft mrs van oxael in St. Deze steenhouwer had echter niet de opdracht tot uitvoering, want daarvoor was al in juni een contract afgesloten met de Antwerpse beeldhouwer Hans van Mildert.

Doordat hij veel werk uitbesteedde en niet voldoende controle uitoefende op de voortgang en het transport, werd het, alle aanmaningen van de kerkmeesters, notariële acten en briefwisseling ten spijt, bijna een jaar te laat opgeleverd. De ‘jasperen’ zuilen werden door Dusart te Givet gemaakt, Adriaan Denbri was de beeldhouwer van ornamentwerk zoals saters, Erasmus Quellien houwde de kapitelen, Forcy Cardon acht consoles, de albasten beelden en reliëfs zijn waarschijnlijk door Hans van Mildert zelf gemaakt.

Op een onderbouw waartegen de zandstenen altaartombe was geplaatst, verrees het hoge retabel van korinthische orde, bestaande uit twee paar verspringende zuilen van rood marmer op zwarte postamenten, daarboven een omgekornieste kroonlijst met witmarmeren fries, met een gebogen fronton, doorbroken door een frontispice met een nis.

In de nis stond een albasten beeld van Sint Jan Evangelist, boven zijn hoofd de duif van de heilige Geest in een cartouche, op het ronde tympaan daarboven stond een albasten beeld van de Moeder Gods tussen geknielde engelen.

Op de gebogen fronton-fragmenten te weerszijden van het frontispice vleiden zich de vrouwefiguren voorstellende Pax en Justitia, wellicht een toespeling op het Twaalfjarig Bestand (1609-1621). Voor dit retabel is een ander doek gemaakt dan Saenredam in zijn weergave afbeeldt.

Terzijde van het hoogaltaar, aan de noordkant, stond een kunstwerk waarvan geen ...

labels:

Zie ook: