Zout is een essentieel mineraal voor de mens en speelt een cruciale rol in verschillende aspecten van ons leven, van voedselconservering tot wegenveiligheid. Het wordt gebruikt als smaakversterker, vervult een belangrijke functie in ons lichaam en wordt gebruikt om gladheid te bestrijden. Maar hoe wordt zout gewonnen en waar komt het vandaan?
Traditionele Zoutwinning op Bali
Het meest oostelijke puntje van Bali, waar onder andere Amed ligt, beschikt over prachtige duikmogelijkheden. Vroeger voorzagen de lokale mensen hun families op die manier in het levensonderhoud. Tegenwoordig vindt dit proces alleen nog plaats in een aantal kleine gemeenschappen rond Amed en Tejakula. De stukken land waarop de zogenaamde zoutfarms zich bevonden, worden namelijk opgekocht en bebouwd met bungalows voor toeristen. Dit heeft als gevolg dat er nog maar een aantal traditionele zoutfarms in Bali zijn.
Gedurende vijf dagen verbleven wij bij een van deze traditionele zoutfarms. De eigenaar van de Salt Farm Villa’s in Tejakula liet ons het zoutproces van dichtbij zien, en legde uit hoe het zoute water omgezet wordt in ongeraffineerd zout, zonder de toevoeging van jodium. Het produceren van zout op deze traditionele manier is zwaar en tijdrovend werk.
Hieronder volgt een beschrijving van het traditionele zoutwinningsproces in Bali:
- Stap 2: Vervolgens wordt de grond glad gemaakt zodat deze gelijkmatig kan drogen.
- Stap 12: De laatste stap voordat het zout verpakt wordt is het schoonmaken ervan.
Dit eindproduct is van zeer hoge kwaliteit, omdat het een onbewerkt product is. Er wordt geen jodium toegevoegd en de smaak van het zout is daardoor heel puur. Dit product is daarom veel gezonder dan het bewerkte zout wat in de supermarkt te vinden is. Een zoutfarm produceert gemiddeld 1.000 kilogram per maand. De gemiddelde verkoopprijs per kilo is €0,15.
Als je Amed of Tejakula bezoekt, beperk je dan niet alleen tot het duiken, de Lempuyang-tempel en de watervallen die in het noorden te bezichtigen zijn.
Zoutwinning in Zeeland: Een Historisch Perspectief
Zeeland is een provincie waar je, als je goed in de wind staat, haast altijd het zilt van de zee kunt ruiken. Zout is jarenlang een belangrijke pijler van de economie geweest. Al in de ijzertijd werd er aan zoutwinning gedaan, blijkt uit sporen die zijn gevonden bij Oostkapelle. Tussen vondsten van een nederzetting van een paar honderd jaar voor Christus zaten rechthoekige staafjes gebakken klei. Die werden gebruikt als steunmateriaal voor potten waarin pekel werd ingedampt tot zout. Bij Koudekerke zijn driepootjes gevonden. Ook die werden gebruikt bij de productie van zout.
Er werd een pot op geplaatst en een vuurtje onder gestookt. Of dat gebeurde met zoute veengrond of zout water is onbekend. Maar wel duidelijk is dat het zout ook naar buiten de regio werd vervoerd. De Romeinen hadden veel zout nodig om de voorraden van hun leger goed te kunnen bewaren. Zout was zo belangrijk voor ze dat de staat een monopolie had op de productie. Er waren zelfs speciale zoutambtenaren. Het zout dat overbleef na de bevoorrading van het leger werd commercieel verhandeld door zouthandelaren. Dat de zoutproductie van groot belang was in de Romeinse tijd blijkt ook uit het feit dat er maar liefst elf locaties zijn gevonden die verband houden met de Romeinse zoutwinning.
Bij de meeste daarvan zijn resten van ovens en stookplaatsen gevonden, maar bij Kapelle is een deel van een houtconstructie gevonden die dienstdeed als zoutpan. Overigens ging het zout winnen niet altijd goed. Er is een zoutcontainer in de Middelburgse Mortierewijk gevonden met potten die op een te hard gestookt vuur hebben gestaan. De Romeinen produceerden in Zeeland ook vissaus (allec). Een deel van het Zeeuwse zout werd als grondstof voor dit vloeibare zout gebruikt. Verder werd het gemaakt uit schelpdieren als mosselen en kokkels en van kleine vissen zoals ansjovis en sprot en zo’n vijftien verschillende kruiden. De vissaus werd, net als het zout, door handelaren buiten de regio verhandeld. Bij Aardenburg werd veel vissaus gemaakt.
Middeleeuwse Zoutwinning: Zoutzieden en Moernering
Zoutwinning was een belangrijke bron van inkomsten in de middeleeuwen. Het werd geproduceerd bij Goes, Reimerswaal, Tholen, Vlissingen, Zierikzee en in Zeeuws-Vlaanderen. Het proces om zout te winnen werd zoutzieden genoemd. Er werd turf gestoken in de vele veengebieden die de provincie rijk was. De turf werd verbrand en de as die overbleef, werd met zeewater vermengd. Dan volgde een proces van mengen en inkoken. Dat gebeurde in zoutketen - simpele houten gebouwtjes. Na afloop bleef er zout over en het afvalproduct zelas. Dat werd op grote hopen gegooid. Ook in de middeleeuwen was het gros van het zout bedoeld voor de export. De zoutwinning was op haar hoogtepunt in Zeeland in de veertiende en vijftiende eeuw. En het ging om veel zout.
In de zoutketen kwamen behoorlijk giftige dampen vrij en regelmatig gingen deze houten gebouwen in vlammen op. Zo’n brandende zoutkeet was ook de oorzaak van de grote stadsbrand in Goes aan het eind van de zestiende eeuw. Vanwege dat risico werden de keten uiteindelijk vaak nét buiten de stad gebouwd. Het grootste gevaar zat hem echter in het afgraven van veen (ook moernering of darinc delven genoemd). Dat verzwakte de kustverdediging. Veel verdronken gebieden (bijvoorbeeld Oud-Rilland, Stavenisse en Reimerswaal) lagen vlakbij moerneringsgebieden. Ook Moggershil op Tholen ging ten onder door moernering. Buitendijks kun je nog op veel plekken sporen van moernering zien. Bij Rilland aan de Westerscheldekust, bijvoorbeeld.
Uiteindelijk werd het darinc delven verboden omdat het te gevaarlijk was. Het duurde nog een paar eeuwen voordat men zich ook compleet hield aan het verbod op veen afgraven. Tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog is het zelfs even opnieuw in zwang geraakt omdat er toen gebrek aan brandstof was. Nadat de moernering was gestopt, is Zeeland nog wel enige tijd doorgegaan met de verwerking van zout uit het buitenland. Arnemuiden, Goes, Reimerswaal en Zierikzee werden belangrijke zoutcentra.
Moderne Zoutwinning in Nederland
In Nederland wordt steenzout gewonnen uit de diepe ondergrond. Hierbij wordt gebruik gemaakt van oplossingsmijnbouw waarbij zout ondergronds wordt opgelost met water dat via een injectieput in het steenzout wordt gepompt. Het zoute water (pekel) wordt weer opgepompt en verwerkt tot zoutproducten. Op deze manier worden holtes (cavernes) gevormd. Afhankelijk van de diepte en de wijze van afwerking worden deze holten door natuurlijke krachten en de relatieve vloeibaarheid van zout in de loop der tijd weer dichtgedrukt.
Het Voorkomen van Steenzout in Nederland
De belangrijkste steenzoutvoorkomens in onze ondergrond bevinden zich in gesteentelagen van de Zechstein Groep (afgezet tussen ca. 251 en 260 miljoen jaar geleden) en de Röt Formatie (afgezet tussen ca. 238 en 244 miljoen jaar geleden). Dit zout is destijds ontstaan in ondiepe, deels afgesloten zoutmeren. Door het verdampen van het zeewater, heeft het zout zich afgezet op de bodem van het meer. De afzettingen van een evaporiet-cyclus gaat van onder naar boven van kalksteen, dat bij normale saliniteit van het zeewater wordt afgezet, over in anhydriet en uiteindelijk bij verder toenemen van de saliniteit in steenzout en kalium-magnesium zouten. Bij influx van een grote hoeveelheid vers zeewater start een volgende cyclus. Zodoende zijn in Nederland in een vier tot vijftal Zechstein evaporiet-cycli tientallen tot enkele honderden meters dikke steenzoutpakketten gevormd.
Steenzout komt vandaag de dag zowel voor als gelaagde pakketten, als zoutkussens of als zoutpijlers. Zoutkussens en -pijlers ontstaan pas na afzetting van het steenzout. Door toenemende begraving onder jongere gesteentelagen, gedraagt zout zich relatief plastisch, onder invloed van hogere temperaturen. Bij langzame bewegingen (breuken) in de ondergrond en variërend gewicht van het afdekkende gesteentepakket, kan het zout zich kunnen concentreren in een kussenvormig lichaam waarna het uiteindelijk kan ontwikkelen tot een zoutpijler. Zoutkussens zijn meer geleidelijke welvingen in het zoutpakket terwijl zoutpijlers smalle, steile structuren betreffen die door de bovenliggende gesteentelagen heen zijn gebroken en een hoogte van meer dan 2,5 km kunnen bereiken.
Het Bepalen van Potentiële Winbaarheid
Voor het bepalen van het regionale potentieel voor zoutwinning worden de volgende geologische en technische afwegingen gemaakt:
- Diepte van het zoutvoorkomen (top zout)
- Diepte is niet in directe zin beperkend voor exploitatie, maar het bepaalt wel de wijze van winning en de mogelijkheden voor latere benutting van de cavernes voor bijvoorbeeld opslag van stoffen.
Er is onderscheid tussen:
- Diepere winning (>1500 m) in gelaagde of kussenvormige zoutafzettingen. De ontstane oplossingsholtes zijn niet geschikt zijn voor opslag. Zij zijn te instabiel doordat het zout op die diepte zodanig plastisch is dat zij snel worden dichtgedrukt.
- Ondiepere winning (<1500 m) in zoutpijlers, gelaagde of kussenvormige zoutafzettingen waarbij ontstane oplossingsholtes zodanig stabiel zijn dat zij open kunnen worden gehouden
- Gesommeerde dikte van steenzoutlagen binnen de hoofdlaag
De diepte, dikte en zuiverheid van de steenzoutlaag bepaalt de economische winbaarheid. Het volume is tevens een belangrijke factor bij de veiligheid en stabiliteit van een caverne. Het totale zoutvolume moet voldoende zijn dat er na uitlogen van een caverne voldoende zout resteert om zowel een sterk genoeg dak als wanden te vormen.
Voor diepe zoutvoorkomens zijn diktes geringer dan 200m aangemerkt als “beperkt interessant” voor economische winning. Mede omdat het zoutpakket mogelijk niet geheel zuiver is en worden afgewisseld met andere gesteentesoorten. Voor ondiepe zoutvoorkomens is het belangrijk dat er een voldoende grote holte met een stabiel dak kan worden aangelegd. Daarom wordt binnen het interval 0 - 1500m diepte uitgegaan van 300m als gunstige zoutdikte voor grote/hoge cavernes en 50m dikte voor kleine/lage cavernes.
- Kwaliteit van het zout
Winning richt zich op zoutlagen waarvan de samenstelling zo zuiver mogelijk is en waarbij zo min mogelijk sprake is van niet-/slecht-oplosbare delen. Op basis van boorgatmetingen wordt de samenstelling/homogeniteit van het zout bepaald. Met seismische data worden de zoutpijlers geclassificeerd naar gunstig en ongunstig (zo laat de seismische data zien waar zich grote anhydrietbanken binnen de zoutlagen bevinden).
- Omvang zoutstructuur
Bij de aanleg van cavernes moet worden uitgegaan van een veilige afstand tussen de begrenzing van het zoutlichaam en de caverne, alsmede tussen cavernes onderling. Ook moet er voldoende gesteente overblijven om een stabiel dak te vormen. Als algemene rekenregel wordt bij cavernes met een diameter van 90m een afstand van 300m tussen de centrale as van de cavernes aangehouden. De afstand tussen de caverne en de zijkant van de zoutpijler moet dan minimaal 150m bedragen. Sommige zoutstructuren zijn vanwege hun vorm en (geringe) omvang ongunstig zijn voor aanleg van cavernes.
Mogelijke Interferenties en Hergebruik van Zoutholtes
Zoutwinning vindt plaats in een geïsoleerde holte, die door dikke zoutpakketten van de omgeving worden gescheiden. Hierdoor is de kans op directe interferentie (druk, gas- of vloeistofcommunicatie) met omliggende functies zeer gering tot nihil. De volgende aandachtspunten gelden bij de aanleg van een winning:
- Indien de zoutlaag een afsluitend pakket vormt voor een onderliggende activiteit, dan dient er voldoende afstand te worden gehouden.
- De bodemdaling door zoutwinning telt op bij daling veroorzaakt door andere activiteiten in de directe omgeving. Bodemdaling moet dus in samenhang worden beoordeeld.
Zoutwinning kan ruimte bieden voor toekomstige opslagfuncties, mits de dimensionering voldoet aan de eisen van de opslagfunctie. Dit geldt met name voor diepteligging ( i.v.m. de druk) en het volume. Zoutholtes zijn met name interessant voor de opslag van aardgas, stikstof, perslucht, waterstof of gasolie. Opslag van CO2 is technisch mogelijk, maar minder interessant dan lege gasvelden, die veel grotere volumes CO2 kunnen herbergen.
Zoutwinning Uit Zee
We noemden het al eerder, de meest veelvoorkomende manier om zout te winnen is door zout uit de zee te halen. Maar hoe wordt zout gemaakt vanuit de zee? Specialisten zorgen er eerst voor dat het zeewater in een bassin gepompt wordt, waarna er verdamping plaatsvindt. Dit vindt plaats door natuurlijke verdamping dankzij blootstelling aan de zon en de wind. Zodra het water verdampt is, blijft er enkel nog zout over.
Zoutwinning in Zoutmijnen
In een zoutmijn vinden we een andere zoutsoort, namelijk gedroogd zout. Dit zout is door de jaren heen achtergebleven waar zeeën zijn opgedroogd. Vrijwel een gelijk proces aan hoe de verdamping werkt bij zoutwinning uit de zee, alleen is het hier op natuurlijke wijze zonder toedoen van de mens gebeurd. Dit type zout bevindt zich diep onder de grond en is enkel te bemachtigen door putten te boren die soms wel honderden tot wel duizend meters diep gaan.
De Geschiedenis van Zeeuwsche Zoute
Zeeland en de zoutwinning kennen een lange en turbulente geschiedenis. In de middeleeuwen bracht de zoutwinning en -handel veel welvaart naar de provincie. Voor de zoutwinning was veel turf nodig. Doordat door overmatige turfwinning het laaggelegen land verzakte werd turfwinning in de 16e eeuw verboden. Toch heeft Zeeland de band met zout nooit helemaal verloren en sinds 2019 wint Zeeuwsche Zoute weer ‘echt’ Zeeuws zout uit de Oosterschelde.
Hieronder volgt het proces van Zeeuwsche Zoute:
- Het begint allemaal bij het zeewater uit de Oosterschelde. Het water wordt bij vloed gepompt uit de wateren bij Bruinisse op Schouwen-Duiveland, waar het water al op natuurlijk wijze gezuiverd is door mosselen en oesters. Vervolgens wordt het zeewater in onze zoutloods extra gefilterd.
- Schoon water is voor ons niet voldoende. Aangekomen in de zoutloods filteren we het nog eens extra om ook de microplastics uit het water te halen. Ook andere resten zoals achtergebleven zeewier halen we uit het water. Uiteraard blijven de natuurlijke mineralen van het zeezout behouden. In de kookketel warmen we het zeewater langzaam op. Het water verdampt waardoor het zoutgehalte toeneemt.
- We verplaatsen het (extra) zoute water in kleinere, open zoutpannen. In de zoutpannen verwarmen we het zeewater verder. Hiervoor gebruiken we alleen maar groene windenergie uit Zeeland. Door het verwarmen in de zoutpannen ontstaan op het wateroppervlakte piramidevormige zoutkristallen.
- Nu komt het ware ambacht van de zoutwinning aan de orde. We weten door onze kennis en ervaring precies wanneer de zoutkristallen klaar zijn voor de volgende stap. Bij de ideale situatie worden de zoutkristallen zorgvuldig uit de pannen geschept en vervolgens langzaam gedroogd in onze zoutovens.
Natuurlijke Indamping van Zout
Na een duik in zee loop je terug over het strand. Door de warme zon is al het water op je lichaam al verdampt voor je bij je handdoek bent. Er blijft een witte waas achter op je huid. Wanneer je aan je vinger likt, trek je een lelijk gezicht: 'Iaks! Zout!' Tussen de 300 en 200 miljoen jaar geleden gebeurde in Nederland iets vergelijkbaars: het klimaat was warm en droog en in de ondiepe zee die Nederland bedekte verdampten miljarden liters water. Het daarin opgeloste zout bleef achter als steenzout. Dikke pakketten hiervan liggen nu kilometers diep onder Nederland. Door de unieke eigenschappen is het oorspronkelijk in lagen afgezette zout vervormd tot ware zoutbergen in de Nederlandse ondergrond.
Steenzout is een indampingsgesteente, ook wel evaporiet genoemd (evaporatie = verdamping). Het wordt door de geoloog haliet genoemd, door de scheikundige natriumchloride (NaCl). Nadat water verdampt is, blijven de daarin opgeloste stoffen zoals zout achter. Ter hoogte van Nederland lag tijdens het Perm en tijdens een gedeelte van het Trias een binnenzee en er heerste een warm en erg droog klimaat. Hierdoor verdampte er veel water. Het in het water opgeloste zout bleef achter en door herhaaldelijk instromen van nieuw zeewater dat verdampte, ontstonden dikke zoutpakketten.
Behalve uit zeewater kunnen indampingsgesteenten ook ontstaan door verdamping van (zoet) rivierwater, zoals ook nu nog te zien is in zoutmeren in Noord-Afrika, het Midden-Oosten en Noord-Amerika. De samenstelling van de afgezette zouten verschilt echter sterk door de variatie in de opgeloste stoffen. In Nederland bevonden zich zoutmeren tijdens het Laat-Perm en Laat-Trias.
Het Proces van Neerslaan
Zouten kunnen maar in beperkte mate in water oplossen. Vergelijk het met oplossen van suiker in je thee: als je er te veel suiker in doet dan blijft er suiker in je kopje achter. Bij het verdampen van water gebeurt in principe hetzelfde. Er wordt dan alleen geen zout toegevoegd, maar water weggehaald (verdampt), waardoor de concentratie zout hoger wordt. Wanneer deze een bepaalde waarde overschrijdt, kunnen de zouten niet meer in oplossing blijven en vormen zich zoutkristallen, die naar de bodem zakken en daar opstapelen. Dit proces noemen we neerslaan.
Er zijn verschillende soorten zout. Steenzout (haliet) is er daar één van, gips is een ander voorbeeld. Gips is slechter oplosbaar dan haliet. Hierdoor zal het bij een lagere zoutconcentratie al kristallen vormen en neerslaan: dit gebeurt wanneer ongeveer 70% van al het zeewater is verdampt. Steenzout is beter oplosbaar en zal dus langer in oplossing blijven: pas als 90 % van het zeewater verdampt is zal het neerslaan.
Wanneer de zoutconcentratie door verdamping van water toeneemt, zullen dus eerst de moeilijk oplosbare zouten neerslaan en daarna pas de beter oplosbare. Wanneer de zoutconcentratie in het water weer afneemt, door bijvoorbeeld toevoer van zoet water, wordt de indampingsreeks onderbroken. De reeks kan dan in omgekeerde volgorde verlopen en eerder afgezette zouten kunnen weer oplossen. Bij een grote toevoer van zeewater kan de indampingscyclus zelfs weer helemaal opnieuw beginnen. Hierdoor ontstaan er verschillende cycli die in de afzettingen te herkennen zijn. In Nederland zijn er in de Zechstein (Laat-Perm) vier of vijf van deze cycli aangetoond.
Voor het neerslaan van steenzout is een zoutconcentratie van 90 % nodig.
Ideale Omstandigheden voor de Vorming van Steenzout
Er zijn een aantal voorwaarden voor de vorming van steenzout:
- er moet een woestijnklimaat heersen. Het moet warm en droog genoeg zijn om voldoende water te kunnen verdampen.
- de zee moet enigszins afgesloten zijn van open zee.
- er moet daarentegen wel een kleine verbinding zijn met open zee. Dit zorgt ervoor dat er toch zoutwater aangevoerd wordt. Door het neerslaan van zout in de binnenzee wordt de concentratie zout in het water weer lager. De vorming van steenzout zou ophouden wanneer er geen nieuwe aanvoer is.
- er moet weinig aanvoer van zoetwater zijn. Hoe meer zoetwater aangevoerd wordt, hoe lager de concentratie zout.
Bij een combinatie van een woestijnklimaat (verdamping) en een ondiepe zee, waar weinig rivieren in uitmonden en die in beperkt contact staat met een oceaan, kan de zoutconcentratie toenemen en kan steenzout gevormd worden.
Eigenschappen van Steenzout
Steenzout heeft een aantal opmerkelijke eigenschappen waarmee het zich onderscheidt van andere gesteenten in de Nederlandse ondergrond. Zo gedraagt het zich op dieptes beneden een kilometer als een dikke stroop. Opmerkelijk is verder dat, in tegenstelling tot andere afzettingen (zand, klei, kalk), de dichtheid van steenzout constant is en niet met de diepte toeneemt. Bij andere gesteenten is dit wel het geval. Beneden 500 meter is steenzout daardoor lichter dan andere gesteenten. De combinatie van beide eigenschappen leidt ertoe dat steenzout de neiging heeft zich naar boven te bewegen. Dit gebeurt meestal bij breuken in de ondergrond. Het steenzout vloeit dan traag (halokinese) naar plaatsen waar de druk van het bovenliggende gesteentepakket het geringst is.
Een verdikking van zout waarbij de bovenliggende lagen niet worden doorbroken wordt zoutkussen genoemd. Is het zout wel door die lagen heengebroken en ver omhoog gekomen, dan spreekt men van een zoutpijler. Door dit proces kunnen gedurende vele miljoenen jaren ondergrondse zoutbergen ontstaan. Op sommige plaatsen ligt het zout in ons land hierdoor enkele tientallen meters onder het aardoppervlak, terwijl de basis van de zoutlaag op drie tot vier kilometer diepte ligt.
De dikste zoutpakketten in Nederland dateren uit het Laat-Perm (Zechstein). Tijdens deze periode lag er in West-Europa een grote binnenzee, het Zechsteinbekken, dat van tijd tot tijd nog net in contact stond met de oceaan. Hier werd vanaf zo'n 260 miljoen jaar geleden in totaal een kilometer steenzout gevormd in een aantal verschillende indampingsfasen. De omstandigheden in dit toenmalige Zechsteinbekken zijn vergelijkbaar met de huidige omstandigheden in het verdampingsbekken in de Kaspische zee, de Kara Bogaz Gol, een vrijwel geheel van open zee afgesloten lagune waar nu jaarlijks zo'n tien centimeter haliet wordt gevormd. Het warme droge woestijnklimaat, dat tijdens het Zechstein heerste, zorgde voor veel verdamping. Er waren weinig rivieren die zoetwater aanvoerde. Kortom, de ideale omstandigheden om indampingsgesteente te vormen.
De Geschiedenis van Zoutwinning in Nederland
In Nederland is steenzout voor het eerst aangeboord in 1887 in Twickel, nabij Hengelo. Men was eigenlijk op zoek naar zoet grondwater toen men onverwachts op 470 meter diepte steenzout uit het Trias tegenkwam. Nederland importeerde toentertijd nog zout uit het buitenland. Pas toen tijdens de Eerste Wereldoorlog de zoutaanvoer vanuit het buitenland stagneerde, begon Nederland zelf met het winnen van zout. Het was ten slotte, bij gebrek aan koel- en vrieskasten, nagenoeg de enige manier om voedsel te conserveren. Zout was vroeger zelfs zo'n belangrijk en waardevol product dat Romeinse soldaten gedeeltelijk in zout uitbetaald kregen. Ons woord salaris is dan ook afgeleid van het Latijnse woord salarium, dat zoutrantsoen betekent! Om een idee te geven van de vroegere waarde van zout: met vijf kilo zout kon je een huis kopen in Amsterdam. Tegenwoordig heb je voor zo'n huis minstens een half miljoen kilo zout nodig!
Methoden van Zoutwinning
Vanaf de Romeinse tijd werd zout gewonnen door veen dat verzadigd was met zeewater te drogen, te verbranden en vervolgens de zoute as te raffineren tot zuiver zout. Toen deze manier niet meer toegepast werd, ging Nederland zout importeren. Pas toen het steenzout in eigen bodem werd ontdekt is men in Nederland weer zout gaan winnen. In het buitenland wordt veel zout gewonnen door ondergrondse mijnbouw. Dit heeft men in Nederland ook overwogen, maar nooit toegepast. In Nederland wordt steenzout gewonnen door oplossingsmijnbouw. Hierbij wordt zoetwater in de grond gespoten waardoor steenzout oplost. De oplossing (pekel) wordt vervolgens naar boven gepompt. In een zoutraffinaderij wordt de pekel vervolgens gereinigd en tot schoon zout ingedampt, of via chemische processen omgezet in chloor en natriumhydroxide.
Bij het oplossen van het steenzout ontstaan ondergrondse holtes, ook wel cavernes genoemd. Deze moeten tijdens de winning goed in de gaten gehouden worden: als ze te groot worden is er kans op bodemdaling of, in uitzonderlijke gevallen, zelfs instorting. In Barradeel, waar op zeer grote diepte (2500-3000 m) zout uit de Zechstein gewonnen wordt, is de bodem inmiddels meer dan 32 centimeter gedaald!
Naast de zoutwinning in Barradeel wordt er ook bij Zuidwending en Winschoten zout uit de Zechstein gewonnen. Bij Hengelo wordt zout uit het Perm gewonnen. Op deze locaties wordt het zout op iets minder grote dieptes gewonnen: tussen 600 en 1600 meter. De totale Nederlandse zoutproductie bedraagt nu zo'n vier tot vijf miljoen ton per jaar. Nederland is daarmee de grootste zoutproducent van Europa en een van de grootste van de wereld.
labels:




