Veel mensen ervaren angst rondom eten, wat kan leiden tot verschillende eetstoornissen en aanzienlijke impact op hun dagelijks leven. Deze angst kan zich uiten in diverse vormen, van specifieke fobieën tot meer algemene bezorgdheid over gezondheid en welzijn.

ARFID: Vermijdende/Restrictieve Voedselinnamestoornis

Bij de eetstoornis ARFID (Avoidant/Restrictive Food Intake Disorder) lukt het je niet om bepaald voedsel te eten. Het lukt je niet of je bent bang om het te eten. Je eet bepaald voedsel niet. Je wilt het niet eten door de geur, kleur of smaak. Ook kan het zijn dat je bang bent om te slikken of te stikken. Misschien heb je geen interesse in eten. Of je beleeft geen plezier aan eten. Je eet weinig omdat je veel eten vervelend vindt. ARFID is een ernstige ziekte die niet vanzelf over gaat.

Je kunt bij ARFID ook een angststoornis, autisme of ADHD hebben. Je hebt geen gevoel van honger. Je kunt hiermee geboren zijn. Je hebt een gevoelige mond. Je kunt hiermee geboren zijn. Je bent bijvoorbeeld heel gevoelig voor de smaak van eten. Je bent een keer heel ziek geweest van bepaald eten. Je hebt bijvoorbeeld erge buikpijn gehad of moest overgeven. Je hebt nare ervaringen met eten gehad. Als baby heb je voeding met een slangetje in je keel gehad (sondevoeding). Bijvoorbeeld omdat je te vroeg geboren was of een te laag gewicht had bij de geboorte. Misschien heb je je een keer heel erg verslikt. Of je hebt gezien dat iemand anders zich heel erg verslikte. Als een kind niet wil eten, is dat voor ouders moeilijk. Daardoor is er tijdens het eten veel stress. Als dit heel vaak gebeurt, wordt eten iets negatiefs.

Gevolgen van ARFID

Je lichaam krijgt te weinig voedingsstoffen. Je valt af en je weegt te weinig voor je lengte en leeftijd. Of misschien word je te zwaar. Bijvoorbeeld als je alleen krokante dingen kunt eten. Je krijgt dan te weinig voedingsstoffen binnen. Je kunt of durft niet samen met anderen mensen te eten. Je bent daardoor veel alleen. Je kunt weinig samen met anderen doen, omdat je bij een activiteit vaak ook samen eet.

Wat kun je doen bij ARFID?

  • Probeer ook over je eetproblemen te praten met mensen die je goed kent. Zoals iemand van je familie of een vriend. Of iemand van je school of werk. Dan voel je je minder alleen.
  • Je bent niet de enige met een eetprobleem. Veel mensen hebben problemen met eten.
  • Je kunt erover praten met andere mensen die ook ARFID hebben of hebben gehad. Dat kan heel fijn zijn. Zij snappen wat je meemaakt en wat je voelt.

Diagnose en behandeling van ARFID

Heb je problemen met eten? De huisarts meet en weegt je, vraagt naar je klachten en onderzoekt je. Ook kan de huisarts een bloedonderzoek doen. Als de huisarts denkt dat je ARFID hebt, stuurt deze je door naar een therapeut of ggz-centrum. Misschien denkt de huisarts dat er iets anders is waardoor je te weinig weegt. Dan stuurt die je door naar een kinderarts of andere arts. Deze doet meer onderzoek. Bijvoorbeeld tests om te kijken of je misschien een voedselallergie hebt.

Je maakt eerst een behandelplan met je behandelaar: meestal een psycholoog. In het behandelplan komen jouw doelen. Een goede klik met je behandelaar is belangrijk. Je moet je op je gemak en veilig voelen. Je moet je behandelaar vertrouwen en het gevoel hebben dat deze jou begrijpt. Is dit niet zo? In deze therapie leer je langzaam wennen aan het eten dat je nu niet eet. Als je bijvoorbeeld geen eten met stukjes durft te eten, dan ga je dit juist proberen. Als je jong bent, kunnen je ouders thuis samen met jou oefenen. Ook kan het zijn dat je jouw angstige gedachten over eten gaat bespreken. Je denkt bijvoorbeeld 'Als ik dat eet, zal ik stikken'. Je vervangt zo'n gedachte door een gedachte die je helpt.

Ook oefeningen om je te ontspannen en meditatie kunnen helpen. Misschien weeg je zo weinig dat je daar eerst voor behandeld moet worden. Je kunt dan bijvoorbeeld pillen met vitamines en andere voedingsstoffen krijgen. Misschien heb je ooit een nare ervaring met eten gehad. Je bent bijvoorbeeld een keer bijna gestikt. Misschien voelt voedsel in je mond heel vreemd aan. Een diëtist kan je veel leren over gezonde voeding. Je leert hoeveel en wat je moet eten om goed te groeien of om genoeg binnen te krijgen. Door de behandeling krijg je zelf weer controle over je leven.

ARFID versus andere eetstoornissen

ARFID kan lijken op een andere eetstoornis: anorexia of boulimia. Met ARFID kun je een overgevoelige mond hebben. Of je bent bang om te stikken. Met ARFID ben je niet bang om zwaarder te worden. Kinderen met anorexia of boulimia zijn wel bang om zwaarder te worden.

Anorexia Nervosa

“Iemand met een eetstoornis wil vaak nóg iets verder gaan. Bij anorexia nervosa - de meest voorkomende eetstoornis bij jongeren - uit dat ‘nooit genoeg’ zich niet in steeds meer, maar juist steeds minder eten. Anorexia nervosa openbaart zich vrijwel altijd in de puberteit en vooral bij meisjes. Van ’t Hof: “Heel veel meisjes worden dan onzeker over hun lichaam. Ze worden zich bewust dat hun eetgedrag effect heeft of hun lijf en dat ze dat dus kunnen beïnvloeden. Velen gaan lijnen. Toch zijn er maar weinig meisjes die een eetstoornis ontwikkelen. De meesten houden het lijnen niet vol.

Van ’t Hof: “De oorzaak is niet bekend. Soms zie je in families meerdere patiënten, dus mogelijk is er sprake van een genetische factor die leidt tot een verhoogde kwetsbaarheid. Ook komt de ziekte wat vaker voor bij kinderen die te vroeg en met een laag geboortegewicht ter wereld zijn gekomen. Er wordt regelmatig gesuggereerd dat de wijze waarop meisjes in de media worden gepresenteerd ook van invloed is. Dat is eigenlijk niet zo waarschijnlijk. Ondanks de enorme toename aan media-blootstelling, zien we nauwelijks een stijging van het aantal anorexiapatiënten.”

Behandeling van Anorexia Nervosa

De afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie/psychologie heeft een speciaal team van psychiaters en psychotherapeuten dat jongeren tussen de 12 en 18 met eetstoornissen behandelt. “Als jongeren hier komen, weten ze dat ze een eetprobleem hebben”, vertelt Van ‘t Hof. “De huisarts of een specialist in een regionaal ziekenhuis heeft dat al vastgesteld. Wij gaan na of er inderdaad sprake is van een eetstoornis of dat er misschien ook andere factoren een rol spelen. Natuurlijk zijn er soms ‘triggers’ die de eetstoornis hebben aangezet. De eerste stap naar herstel is eten.

Van ’t Hof: “Jongeren met anorexia hebben een angst voor eten ontwikkeld. Die moeten ze zien te overwinnen. De behandeling bestaat voor een belangrijk deel uit gesprekken. We weten dat de gezinsaanpak de beste resultaten oplevert. Ouders, broers en zussen worden nauw betrokken. Tijdens de gesprekken leggen we uit dat de eetstoornis een hardnekkig probleem is en dat de patiënt geen blaam treft. De prioriteit ligt bij het stoppen met afvallen. Tijdens dat proces komen allerlei angsten naar boven, bijvoorbeeld dat wij de patiënt, in haar of zijn beleving, vet willen mesten. We proberen die angst weg te nemen met ‘tegen-denken’.

Aanvullend worden individuele contacten met de psychotherapeut ingezet. Dat gebeurt als er sprake is van sociale angst, veel piekeren of een negatief zelfbeeld. En er wordt een ervaringsdeskundige ingeschakeld. Dat is iemand met een opleiding in de zorg die zelf ooit een eetstoornis had.

Onderzoek naar hersenactiviteit bij Anorexia

Gwen Dieleman is hoofd van de polikliniek Kinder- en Jeugdpsychiatrie/psychologie en coördinator van het patiëntgebonden onderzoek. Ze vertelt: “Ik zie veel jongeren met anorexia nervosa. Dat zijn over het algemeen meisjes (93%). Gemiddeld duurt het vier tot viereneenhalf jaar voordat de patiënt de eetstoornis overwonnen heeft. Uit internationaal onderzoek weten we dat bepaalde hersenfuncties bij volwassen vrouwen met anorexia zijn verstoord. Wij willen gaan onderzoeken of dezelfde veranderingen in hersenactiviteit en aandachtsprocessen ook worden gezien bij meisjes tussen de 12 en 22 jaar bij wie de diagnose ‘anorexia’ pas is gesteld.

Hypochondrie en angst voor ziekte

Bij klachten die iedereen wel eens heeft, denkt u meteen dat u erg ziek bent. U blijft bang. Bij hypochondrie bent u steeds bang dat u een erge ziekte heeft. Ook als een arts u goed heeft onderzocht en alles in orde is. U blijft bang voor een erge ziekte. Het is bijna niet mogelijk om u gerust te stellen. Angst kan zorgen voor klachten in uw lichaam. Die klachten maken u dan nog banger.

Hoe iemand met angst en klachten van het lichaam omgaat, lijkt voor een deel ook aangeleerd te zijn. Sommige mensen krijgen sneller last van angstklachten dan anderen. Noteer per dag je angstige momenten. Wat gebeurt er met u als u voelt dat u angstig wordt? Wat merkt u in uw lichaam? Wat denkt u dan? En wat doet u dan? Bekijk of het klopt dat u bij alles wat u voelt (pijn, jeuk, kramp) meteen denkt aan een erge ziekte. Kijk dan eens goed of die bange gedachten wel kloppen. En of er wel echt een reden is voor uw angst.

Omgaan met angst

  1. Maak van uw bange gedachten positieve gedachten. Bijvoorbeeld: ‘Mijn hoofdpijn kan ook komen doordat ik slecht heb geslapen.’ Of: ‘Mijn hart klopt snel omdat ik bang ben. Schrijf deze positieve gedachten op.
  2. Schrijf op wat u vanaf nu gaat doen als u zich angstig voelt.
  3. Laat mensen om u heen u helpen. Vertel hen waar u bang voor bent.
  4. Ga de angst niet uit de weg en probeer de angst niet minder te voelen met bijvoorbeeld alcohol, drugs of medicijnen die u rustig maken. Dat lijkt misschien even te helpen. Maar u leert niet met de angst om te gaan.

Als u last heeft van hypochondrie is het goed om uw huisarts om hulp te vragen. Als u een dagboek heeft bijgehouden, kan het helpen om daar met uw huisarts over te praten. U kunt uw angst er beter door begrijpen.

Vaak kunt u zelf dingen doen om uw angst minder te maken. Door praten en oefenen leert u veranderen hoe u denkt. En u leert om anders te reageren op angst. We noemen dit cognitieve gedragstherapie. Een praktijkondersteuner of een psycholoog kan u ook helpen als dat nodig is. De angst voor een erge ziekte komt soms weer terug. Ga dan weer naar uw huisarts.

Angst voor Aversieve Gevolgen van Eten

De eetstoornis ARFID kent drie verschijningsvormen. ARFID kan ontstaan door een overgevoeligheid voor de sensorische kenmerken van eten of doordat er geen interesse is in eten. Het kan ook zijn dat iemand bang is voor de aversieve gevolgen van het eten van bepaalde producten.

“Mensen met angst voor de aversieve gevolgen van eten vermijden het eten van bepaalde producten, omdat zij bang zijn dat er nare dingen gebeuren, tijdens of na het eten. Ze zijn bijvoorbeeld bang te stikken of erg ziek te worden”, vat Eric kort samen.

“Vrees is het vermijden van iets, omdat je verwacht dat daar iets engs of naars uit zal voortvloeien. Angst is het gevoel dat daarbij optreedt en waardoor ongewild (automatisch) lichamelijke symptomen kunnen optreden. Je hart kan bijvoorbeeld sneller gaan kloppen, de ademhaling gaan versnellen en/of je kunt misschien niet meer goed nadenken. Ook kun je gaan zweten of spanning in je keel krijgen waardoor slikken moeizamer gaat. Angst is dus het gevolg van vrees en veroorzaakt diverse, lichamelijke reacties.

“Normaal gesproken is angst een natuurlijke reactie, die nodig is om het gevaar af te kunnen wenden. Doordat je de respons op angst op geen enkele wijze kunt tegenhouden, hebben veel mensen een gevoel van controleverlies, wat als beangstigend wordt ervaren. Als je angstig bent, ga je dingen beter horen, voelen, ruiken en proeven. Stel dat je bent geboren uit een angstige ouder, opa of oma, dan zit er een bepaalde gevoeligheid om angst te ontwikkelen in je DNA. Het is in dit geval belangrijk dat de opvoeder dat tijdig oppikt, zodat dit zich niet zal ontwikkelen tot een angststoornis.”

“Als je het hebt over trauma`s door verslikken, braken, een allergische reactie op eten of hevige buikpijn na het eten, waardoor iemand niet meer durft te eten, kan dit ernstige gevolgen hebben voor de voedselinname en ervoor zorgen dat er een eetstoornis ontstaat. Iedereen heeft zijn eigen manier om met angst om te gaan. Sommige mensen vechten, anderen vluchten (Fight-or-flight response). Vluchters zijn mensen die ervoor kiezen de situatie die zij beangstigend vinden te vermijden.”

Voedselneofobie

“Er zijn ook kinderen en volwassenen die bang zijn om nieuwe smaken te proeven, dat noemen we ook wel voedselneofobie.” Hier zijn drie redenen voor: een afkeer van de smaak of geur van bepaald voedsel, het idee dat bepaald voedsel je fysiek in gevaar kan brengen of walging, waarbij het voedsel meteen weer wordt uitgespuugd. Bij het weigeren van voedsel door neofobie gaat het niet om een machtsstrijd tussen ouder en kinderen, maar om angst om eten te proeven.” In dit geval is er vaak ander voedsel beschikbaar, dat minder angst oproept.

Om angst voor eten te ontwikkelen hoeft er dus niet altijd sprake van een trauma te zijn. Het kan ook zijn dat je een bepaalde associatie hebt met eten, waardoor je het niet meer kunt eten. Mensen kunnen eetproblemen ontwikkelen doordat zij, na een beangstigende ervaring met eten, een negatieve koppeling tussen oorzaak en gevolg hebben gemaakt. Door deze angstige gedachten te gaan controleren en ze er stapsgewijs van te overtuigen dat de verwachte reactie uitblijft, gaan zij ervaren en meer en meer geloven, dat hun angsten ongegrond zijn geweest.

Het is belangrijk om uit te zoeken waardoor de eetproblemen zijn ontstaan en erachter te komen of er sprake is van een primair- of een secundair eetprobleem. Tot slot geeft Eric mee dat het goed is om een stukje zelfinzicht te ontwikkelen, zodat je weet wat je angstig maakt- en op welke momenten dit voornamelijk opspeelt. Vermijden betekent op de korte termijn vermindering van klachten, maar op de langere termijn versterk je juist je angsten en ga je meer en meer vermijden.

GAS: Gegeneraliseerde Angststoornis

Je veel zorgen maken om veel dingen, ook al is daar eigenlijk geen reden voor. Dat gebeurt bij GAS. Zo kan het zijn dat je je heel druk maakt om je gezondheid, terwijl je gezond bent. Of je maakt je zorgen om ontslagen te worden, terwijl het eigenlijk prima gaat op je werk. situaties die je zorgen erger maken ga je uit de weg.

Er kan sprake zijn van GAS als je minimaal 6 maanden dagelijks angst en zorgen ervaart over verschillende dingen in je leven. In het begin kan je merken dat je vaak angstig, onrustig, gespannen of zenuwachtig bent. Je weet dan niet goed waarom dit is. Daarna krijg je vaak lichamelijke klachten, zoals hartkloppingen, zweten, misselijkheid of duizeligheid. Met deze klachten kom je vaak bij je huisarts.

GAS gaat meestal niet vanzelf over, maar door behandeling kunnen de klachten minder worden. De behandeling bestaat uit cognitieve gedragstherapie, medicijnen of een combinatie van beide. Tijdens deze therapie krijg je hulp om anders om te gaan met angstige situaties en gedachten.

Emetofobie: Angst voor Overgeven

Emetofobie, de angst voor overgeven, kan ervoor zorgen dat je bepaalde alledaagse situaties gaat vermijden. Wanneer je aan emetofobie, of overgeefangst lijdt ben je extreem bang om geconfronteerd te worden met overgeven. Emetofobie is een angststoornis en gaat vaak samen met onder andere smetvrees, een eetstoornis, paniekaanvallen en/of constante misselijkheid.

Waar je juist onbezorgd van het leven en alledaagse zaken wilt genieten, is de angst voor het braken het enige waar je aan kunt denken. Je weet waarschijnlijk wel dat de angst irrationeel is, maar dat maakt het niet makkelijker. Als je emetofobie hebt ben je vaak bang om zelf over te geven en om anderen te zien overgeven.

Emetofobie kan vervelende gevolgen hebben. Je kunt angst voor voedsel ontwikkelen wat kan leiden tot (extreem) gewichtsverlies. Ook komt agorafobie vaak voor. Je bent dan bang dat je op een plek of in een situatie terechtkomt waarin jij geconfronteerd wordt met overgeven. Je blijft liever in je eigen vertrouwde omgeving en zie je vrienden en familie steeds minder.

Wat te doen bij emetofobie

  • Praat met anderen over jouw situatie.
  • Begrijp hoe jouw lichaam werkt.
  • Probeer te relativeren.
  • Schrijf jouw gedachten op als je de angst voelt opkomen.
  • Zoek afleiding.

Het kan van tevoren een hele opgave lijken, maar emetofobie is erg goed behandelbaar. Cognitieve gedragstherapie wordt vaak gebruikt. Hiermee leer je jouw niet helpende gedachten te veranderen in helpende gedachten. Als de angst voortkomt uit een nare herinnering kan ook EMDR een uitkomst bieden.

labels:

Zie ook: