Michel Foucault (1926-1984) is een van de meest invloedrijke filosofen van na de Tweede Wereldoorlog. Zijn werk wordt gekenmerkt door een historisch en filosofisch onderzoek naar de vraag wie wij zijn. Foucault is bij uitstek een anti-identiteitsdenker. Tegelijkertijd is de vraag naar hoe we ons zelf vormgeven en tegelijkertijd worden gevormd door kennis en macht een terugkerend thema in zijn werk.
De drie periodes in Foucaults werk
Je kunt het werk van Michel Foucault verdelen in drie periodes. In alle drie speelt het ‘subject’, het ‘ik’ dat zichzelf vormgeeft en wordt gevormd, een centrale rol. De vraag wie wij zijn pakt hij historisch en filosofisch aan: wat in het verleden maakte het mogelijk dat wij nu zijn wie we zijn, en doen wat we doen? Welke mogelijkheden zijn er om de grenzen van dat zelf te overschrijden?
- Periode 1: Geschiedenis van de waanzin en Geboorte van de kliniek. Hierin stelt hij de vraag: Welke plaats heeft de gekte in ons denken? Welke plaats het lichaam? Het pathologische?
- Periode 2: Discipline, toezicht en straf en Deel I van Geschiedenis van de seksualiteit. De wil tot weten. In deze werken legt hij uit hoe subjectivering, in de betekenis van vormgegeven worden én jezelf vormgeven als een ‘ik’, ook disciplinering inhoudt: je wordt gedisciplineerd en je disciplineert jezelf. Die (zelf)disciplinering zie je bijvoorbeeld in het onderwijs, het leger en de gevangenis.
- Periode 3: Vanaf Deel II en III van de Geschiedenis van de seksualiteit. Het gebruik van de lust en De zorg voor zichzelf. Hierin stelt Foucault de vraag: Wie zijn wij in het heden? Waar zijn openingen om anders te zijn? Aanzetten tot een nieuw denken daarover vindt hij in de Oudgriekse en Romeins-Hellenistische zelfzorg.
Bekentenissen van het vlees: Een keerpunt in Foucaults denken
Met het christendom, dat hij in deel IV, Bekentenissen van het vlees, bespreekt, krijgt die zelfzorg een wending die tot op de dag van vandaag doorwerkt: we leerden het kwaad in onszelf te zoeken en te bekennen aan een leidsman - toen een geestelijke, nu een arts, rechter of pedagoog. Kunnen we daar nog van loskomen? Kan het anders?
Geschiedenis van de seksualiteit vormt het fascinerende testament van Michel Foucault. In dit onvoltooide laatste werk zijn we getuige van een omwenteling in zijn denken, waarbij een analyse van machtsstructuren gaandeweg wordt aangevuld met bestaansesthetica. In het verlengde van zijn eerdere werk begint Foucault met een ontmaskering van het moderne vertoog over seksualiteit als een verfijnd machtsspel, waarin wij als subjecten worden gevormd. Vervolgens richt Foucault zijn aandacht op de klassieke oudheid en het vroege christendom, waar hij een andere omgang met seksualiteit ontdekt. De Geschiedenis van de seksualiteit heeft in de wereld van vandaag nog steeds een sterke zeggingskracht.
De Geschiedenis van de seksualiteit in detail
Als we de titel analyseren, brengt deze ons tot twee conclusies: Foucault gaat spreken over een verleden tijd, en in dit geval zal deze scherpgesteld zijn op menselijk gedrag, ons seksueel handelen. Foucault gebruikt de literatuur van de oudheid om een geschiedenis te vormen en deze te verbinden aan het hedendaagse denken over seks. Tot zover is de opzet eenvoudig. Met het woord ‘seksualiteit’ maakt Foucault de situatie echter ingewikkelder.
Seks en seksualiteit zijn voor Foucault geen synoniemen. In het eerste deel, De wil tot weten, verklaart Foucault zich niet zo bezig te houden met ‘seksualiteit’. Ons denken over seksualiteit is namelijk bijzonder jong en ligt niet op hetzelfde raakvlak als het denken over seks in een ver verleden. Het feit dat het woord ‘heteroseksualiteit’ dertig jaar na het woord ‘homoseksualiteit’ in geschrift verschijnt in de Engelse taal spreekt boekdelen. Het is volkomen logisch om afwijkend gedrag eerst te benoemen; de status quo behoeft geen introductie. Pas zodra we de afwijking herkennen, erkennen en hevig ter discussie stellen, is er een impuls om een alternatief in het leven te roepen. Foucault beschrijft dit proces, maar anders dan je zou verwachten. Hij stelt namelijk dat de biechtcultuur - die is overgenomen uit de katholieke cultuur - rondom seks zich vanaf de achttiende eeuw concentreert op de seksuele periferie. We spreken daardoor niet minder over seks, zoals te verwachten bij de zogenaamde preutse victorianen, maar meer. Het onderwerp seks maakt daarbij een ommezwaai. Voorheen lag het accent nog op het bevorderen van ‘goede’ seks: een monogaam bestaan van man, vrouw en als gevolg kinderen. De aandacht verschuift naar ‘foute’ seks: seks buiten het huwelijk, met hetzelfde geslacht, of met minderjarigen. Als gevolg ontwikkelt zich een machtssysteem dat mensen naar ‘perversie’ indeelt. Hier ontstaat ‘seksualiteit’.
Deze nieuwe fascinatie met ‘foute’ seks begint vervolgens door te schemeren in het woord en de wet. Tot op de dag van vandaag is ons uitgangspunt dat seksuele voorkeur een intrinsiek deel uitmaakt van identiteit. Die lijkt deel te zijn geworden van onze natuur, en het loslaten van dit deeltje identiteit lijkt voor velen dikdoenerij en vaag geneuzel. Schouder aan schouder met Foucault zul je zien dat seks zich niet zo eenvoudig laat vaststellen.
Om deze gedachtegang op te wekken nodigt Foucault ons in het eerste deel, De wil tot weten, uit om stil te staan bij ons huidige referentiekader over seks. Hij schetst het verhaal van landelijk Frankrijk in de negentiende eeuw: een man wordt wegens zijn handelingen met minderjarige meisjes het onderwerp van psychiatrische evaluatie en de machtige arm van de wet. Zijn ‘perversie’ wordt het onderwerp van de taal. Foucault zoekt hiermee het extreme op, want met zijn woorden kan hij nog steeds rekenen op onze verontwaardiging.
Hierin ligt echter de kracht van Foucault: hij schetst de situatie zonder een oordeel uit te spreken. Hij verkondigt het seksuele handelen, de reactie van de maatschappij en het gevolg van deze sociale dynamiek. Hij doet geen emotionele uitspraken over het mislukken van het rechtssysteem, de omstanders of de betrokkenen. Wij hebben vervolgens de keuze om mee te gaan met ons huidige referentiekader over seks en seksualiteit, of ons erbuiten te zetten en de kans te nemen om de situatie te bevragen. De wil tot weten is daarmee meer dan enkel leesvoer. Het is een oefening die haar vragen impliciet stelt.
Seks in de Oudheid
Na deze revelatie zet Foucault in de volgende twee delen, Het gebruik van de lusten en De zorg voor zichzelf, zijn zinnen op de oudheid. Hiermee begint hij zijn onderzoek naar de evolutie van ons denken over seks sinds het oude Griekenland. Foucault schetst hiermee een andere realiteit dan we gewend zijn.
Uit het onderzoek van Foucault wordt duidelijk dat wat wij over de seks in het oude Griekenland denken te weten vaak een moderne generalisatie is. Wanneer je in een museum erotische graveringen in een beker ziet, en hoort dat seks ongestoord deel uitmaakte van de omgeving, slaat de fantasie makkelijk op hol. De Grieken zullen het wel constant over seks hebben gehad, het constant overal gedaan hebben, met wie of wat dan ook onder de blote hemel.
Toch blijkt de werkelijkheid anders. Foucault legt overzichtelijk uit hoe de Grieken dachten, namelijk middels een spectrum van seksuele uitingen. De sociale wet die hieruit voortvloeit duidt op een optimale vorm van seks, die zich baseert op leeftijd en kans op voortplanting. Het een heft het ander echter niet op: de hiërarchie van seks bepaalt een seksueel streven, maar verbant de alternatieven niet. Als resultaat spreken we niet over een ‘perversie’ die je absoluut moet laten, maar over een veelvormige seks als onderdeel van het menselijk bestaan.
In deel drie, De zorg voor zichzelf, maakt Foucault een sprong naar de Romeinen. Bij de Romeinen ontwikkelt zich een nauwer beeld over seks. Het spectrum aan seksuele mogelijkheden begint te vervallen, en er komt een duidelijker onderscheid tussen optimaal en alternatief. De maatstaven bewegen zich naar monogamie, man-vrouw-relaties en de tijdelijkheid van de knapenliefde. Deze grenzen, die bij de Grieken nog onder voorwaarde te overtreden waren, beginnen zich te vormen naarmate het volk zich steeds meer bekommert om het individu. Er vindt een evolutie plaats, naar een maatschappij die dichter bij ons staat. Een maatschappij die seks als ingeworteld deel van het zelf ziet.
Daarmee zijn deel twee en drie een logisch gevolg op De wil tot weten. Nadat Foucault ons doet stilstaan bij onze verklaringsdrang rondom seks en het individu, toont hij een denken dat niet volledig van ons vervreemd is. Seks is nog steeds rechtelijk bepaald, al dan niet strafrechtelijk, en wordt nog steeds gezien vanuit het oogpunt van een ‘menselijke natuur’. Daarentegen staan deze vormen van denken over seks ver genoeg af van ons huidige denken, juist omdat er geen wettelijke bepalingen omheen zijn gebouwd, en omdat diverse seksuele uitlatingen een kans op bestaan krijgen. Met De zorg voor zichzelf verbindt hij de ideeën van Het gebruik van de lusten met een problematiek die vandaag ook nog speelt: de opkomst en de gevolgen van één goede vorm van seks, die maatschappelijk voorrang krijgt.
Een incompleet verhaal
In 1984 gaf Foucault, vlak voor zijn dood, het tweede en derde deel uit. Een vierde deel, in 2018 voor het eerst uitgegeven in het Frans, bleef na zijn dood in de archieven achter; de wereld moest het doen met een incompleet verhaal. Het vierde deel betreft de vroegchristelijke periode, een belangrijk puzzelstuk gezien Foucaults nadruk op de katholieke biechtcultuur in De wil tot weten. Ook zijn deel twee en drie geschreven naar aanleiding van Foucaults onderzoek naar de vroegchristelijke periode, waardoor het ontbreken van deel vier nog problematischer is.
Foucaults Geschiedenis van de seksualiteit is aangeraden leesstof omdat het voorbij de grenzen gaat van de normen en waarden die we als maatschappij voor lief nemen, en ons confronteert met de veranderlijkheid van ons kijken naar seks en seksualiteit. Met zijn neutrale toon weet Foucault ons een ongegeneerd beeld te geven van andere vormen van seksualiteit en geeft hij ons ruimte te reflecteren over ons eigen seksuele denken.
Boeken van Michel Foucault
- Discipline, toezicht en straf
- Bekentenissen van het vlees
- Geschiedenis van de seksualiteit
- De geboorte van de biopolitiek
Sexualiteit, religie en het individu
Over de omslag die plaatsvindt in de eerste drie, door Foucault bij leven gepubliceerde delen van zijn Geschiedenis van de seksualiteit is al veel gezegd. Het eerste deel benadrukt nog (in het verlengde van De woorden en de dingen) de drang om de werkelijkheid onder woorden te brengen en zo binnen een regime van kennis te vangen. In de delen II en III verschuift het perspectief van de Victoriaanse Periode naar de oudheid en het thema naar de wijze waarop een individu zich, binnen het stramien waarin het leeft, een persoonlijkheid kan geven. Hoe zich, met andere woorden, binnen de structuralistische anonimiteit niettemin een individueel ‘zelf’ kan gaan aftekenen.
In het seksuele regime dat Foucault daarbij als leidraad neemt, zijn daarvoor aanvankelijk twee elementen bepalend: de wijze waarop de (bij de Grieken altijd mannelijke) persoon zich superieur bewijst aan de partner: de jongen, de vrouw. Én hoe hij dat is ten opzichte van zichzelf, doordat hij zijn eigen lust weet te beheersen. Opmerkelijk is dat Foucault dat eerder in esthetische dan in ethische termen vat. Stijl en vorm zijn belangrijker categorieën dan erkenning van de ander. Die ‘ander’ komt dan ook pas relatief laat in beeld: in de periode van het Keizerrijk, waarin het stoïcisme nadruk gaat leggen op de wederzijdse gelijkheid binnen het (huwelijks)paar en het gebod van trouw.
Christelijk
Christelijk is dat nog niet, maar aan de horizon begint de nieuwe religiositeit zich met haar specifieke ethische geboden wel af te tekenen. Ook dan blijft Foucault echter de nadruk leggen op de wijze waarop het individu zichzelf vormgeeft en blijft de reciprociteit daaraan ondergeschikt. Anders gezegd: zijn denken maakt wel plaats voor wat Ricoeur de ‘hermeneutiek van het ik’ genoemd heeft, maar blijft staan bij de erkenning van het individu.
Wel blijkt de strengere huwelijksmoraal, die de man nu tot monogaam gedrag dwingt, een duidelijke verbetering in de positie van de vrouw te betekenen, net als de opwaardering van het instituut ‘huwelijk’ zelf.
labels: #Vlees




