Het Gouden Ei, de derde thriller van Tim Krabbé, verscheen in juni 1984. De roman, die 98 bladzijden telt, is verdeeld in vijf hoofdstukken. Het boek kreeg veel aandacht in de pers en was vrijwel onmiddellijk een commercieel succes. In 1988 werd het verfilmd door George Sluizer onder de titel Spoorloos, naar een scenario van Krabbé zelf. De film kreeg een Gouden Kalf en de Prijs van de Nederlandse Filmkritiek.
Verhaallijn
In de zomer van 1975 zijn Rex Hofman en zijn vriendin Saskia Ehlvest op weg naar hun vakantiebestemming in de buurt van Dijon. Op aandringen van Saskia stopt Rex bij een Total-benzinestation. Hij tankt en ze rusten even uit aan de rand van het parkeerterrein. Als ze erg lang weg blijft, gaat Rex haar zoeken, maar ze is nergens te bekennen. De caissière herkent haar van een foto en zegt dat ze een half uurtje geleden geld heeft gewisseld. De politie wordt gebeld, maar die laat weten nu nog geen actie te willen ondernemen.
Acht jaar later is Rex met zijn vriendin Lieneke op vakantie in Italië. Als ze op het strand een partijtje badminton spelen met twee Fransen, blijkt dat Rex nog regelmatig met zijn gedachten bij Saskia is. Nadat hij Lieneke ten huwelijk heeft gevraagd, zegt Rex tegen haar: ‘[A]ls ze terugkwam zou ik bij jou blijven. Maar als ik terug mocht naar dat benzinestation dan zou ik dàt doen.’
In 1950 vraagt de 16-jarige Raymond Lemorne zich af wat er zou gebeuren als hij van het balkon van de tweede verdieping zou springen. Hij doet het en ligt zes weken in het ziekenhuis. In 1971 - hij is dan leraar scheikunde, getrouwd en vader van twee dochters - komt een soortgelijke gedachte bij hem op: hij redt een kind uit het water en vraagt zich opeens af: ‘Maar zou ik nu ook in staat zijn een misdaad te plegen?’ Drie jaar later begint hij met zijn voorbereidingen: hij maakt in zijn schoollaboratorium chloroform en richt zijn vervallen buitenhuisje in voor zijn plannen. Hij wil een buitenlandse jonge vrouw kidnappen en doden, maar hij slaagt er niet in iemand in zijn wagen te lokken. Totdat een jonge vrouw in de winkel van een benzinestation hem aanspreekt over de sleutelhanger die hij in zijn hand heeft. Ze stapt bij hem in.
Enige maanden na zijn vakantie met Lieneke plaatst Rex advertenties in Franse kranten met foto's van Saskia, in een laatste poging iets over haar lot te weten te komen. Op de terugweg wordt hij aangesproken door een Fransman die zich voorstelt als Raymond Lemorne en zegt dat hij weet wat er met Saskia is gebeurd. Hij wil alles vertellen, ‘maar er is maar een manier waarop ik dat kan doen. Door u hetzelfde te laten ondergaan.’ Rex rijdt met Lemorne naar Frankrijk en ze stoppen bij het bewuste Total-station. Lemorne geeft hem een bekertje koffie met een slaapmiddel. Als Rex wakker wordt, blijkt hij op een matras in een soort doodkist te liggen: ‘Dit moest zijn wat er met Saskia gebeurd was,’ beseft hij.
Lieneke ontvangt Rex' brief en probeert ruim een week later contact met hem op te nemen. Maar van Rex noch Saskia ‘werd ooit nog iets vernomen - ze leken van de aardbodem verdwenen’.
Thema's en Motieven
De belangrijkste thema’s in het boek zijn de omgang met de dood van een geliefde en onzekerheid. Het boek laat zien hoe Rex omgaat met de verdwijning van Saskia en de onzekerheid die daar bij hoort.
Een belangrijk motief in het verhaal is het gouden ei zelf. Het komt vaak terug in het boek door middel van de nachtmerries, maar is ook een symbool voor de angst en eenzaamheid die Rex voelde tijdens de 8 jaar van de vermissing van Saskia én die Rex en Saskia gevoeld hebben tijdens hun ontvoering zelf. Het begrip ‘ei’ is normaliter verbonden met geboorte en bescherming, maar hier staat het voor totale eenzaamheid en dood.
De hele roman draait om het gegeven van het opgesloten zijn. Dat komt al tot uiting in de titel, die verwijst naar een droom van Saskia: ‘Toen ze klein was had ze eens gedroomd dat ze opgesloten zat in een gouden ei dat door het heelal vloog. Alles was zwart, er waren niet eens sterren, ze zou er altijd in moeten zitten, en ze kon niet doodgaan. Er was maar één hoop. Er vloog nog zo'n gouden ei door de ruimte, als ze tegen elkaar botsten zouden ze allebei vernietigd zijn, dan was het afgelopen. Maar het heelal was zo groot!’
Het motief van het opgesloten zijn komt nog op een andere manier voor. De reden dat Saskia er zo op aandringt om benzine te gaan tanken, hoewel dat helemaal niet nodig is, heeft te maken met een vroegere vakantie van hen, toen ze 's nachts zonder benzine kwamen te zitten en Saskia drie uur in de auto moest wachten tot Rex terugkwam met een jerrycan: ‘De beklemming in het kleine zwarte hok van de auto had haar bijna gek van angst gemaakt.’
Toch heeft ook de letterlijke opsluiting op nogal morbide wijze een positief aspect, want voor Rex betekent die niet slechts de dood, maar in zekere zin ook een verlossing uit zijn eenzaamheid. Zijn verlangen om één te worden met Saskia en om haar lot te ontraadselen wordt verwezenlijkt wanneer hij op zijn beurt in de doodkist ligt. ‘Er was maar één ding dat telde: weten wat er met Saskia gebeurd was. De bevrediging van dat verlangen zou samenvallen met de vernietiging van het bevredigde.’
Dood en liefde - de twee thema's van het boek - zijn verbonden met het gouden ei. Als de dood een gouden ei is, dan rest na de dood slechts de totale eenzaamheid. Met de symboliek van het ei hangt het motief van de sleutel samen, die immers ook tegelijk verwijst naar opsluiting en bevrijding.
Personages
De belangrijkste personages in Het Gouden Ei zijn:
- Rex Hofman: Een sociale, vriendelijke en vastberaden man.
- Saskia Ehlvest: De vriendin van Rex.
- Raymond Lemorne: Een 41-jarige Franse man.
- Lieneke: Een vriendin van Rex nadat Saskia ontvoerd is.
Lemorne is het voorbeeld van iemand die volstrekt gewetenloos is. Rex Hofman is een heel ander figuur. Maar er moet een zekere verwantschap tussen beide mannen bestaan, anders is het psychologisch volkomen onaannemelijk dat Rex aan het slot met Lemorne meegaat in de wetenschap dat hij zal sterven. Die overeenkomst ligt in het zelfbeschouwende van hun karakter. Beiden kunnen naar zichzelf kijken alsof ze iemand anders zijn.
Stijl en Structuur
Het verhaal is verteld door een auctoriale verteller. Het verhaal is niet-chronologisch geschreven. Hoofdstuk 1 speelt zich af in 1975, het jaar van de vermissing van Saskia. Hoofdstuk 2 speelt zich al 8 jaar later af, tijdens de nieuwe vakantie van Rex en Lieneke. Hoofdstuk 3 gaat echter terug in de tijd en stelt Raymond Lemorne voor en de manier waarop hij de ontvoering en moord pleegde. Er wordt veel gebruik gemaakt van versnellingen en vertragingen om spanning op te wekken. Het boek begint in medias res: de lezer begint middenin in de reis en de personages worden niet eerst voorgesteld.
Tim Krabbé heeft een prettige schrijfstijl. Hij neemt geen omwegen en beschrijft alles kort en bondig. Hierdoor leest het boek lekker en snel. De stijl van Krabbé zorgt dat iedere lezer geboeid raakt door het verhaal. Je wil doorlezen en niet stoppen, want het boek verveelt nooit.
labels: #Ei




