Het lijkt zo’n oerhollands fenomeen: een frikandelletje speciaal of een kroketje uit de muur eten, of in de snackbar Mexicano curry of een berenklauw met pindasaus bestellen.
De Oorsprong van de Automatiek
Veel mensen denken dat de automatiek iets typisch Nederlands is. De automatiek is echter ontstaan in Duitsland.
In 1896 presenteerde de Deutsche Automaten Gesellschaft tijdens een tentoonstelling in Berlijn een ‘electrisch-automatisch restaurant’. De bedenker, Max Sielaff, patenteerde zijn idee en startte het bedrijf AUTOMAT, dat rond de eeuwwisseling ook automaten ging leveren aan de Verenigde Staten.
In 1902 opende daar de eerste automatiek van het bedrijf Horn & Hardart. De automatiek werd wereldwijd populair, vooral in de jaren 50. New York werd toen zelfs de automatiek hoofdstad genoemd.
Horn & Hadart hadden toen meer dan 150 automatieken in de VS, waar inmiddels ook snacks en broodjes werden verkocht. Behalve in Nederland. Daar bleef de automatiek onverminderd populair.
De oorspronkelijke bedenker van de automatiek was de Berlijnse ingenieur Max Sielaff in 1888. Kort daarop werden er zo’n 10.000 stuks verspreid door heel Duitsland.
Sielaff patenteerde zijn idee en startte het bedrijf AUTOMAT, dat omstreeks de eeuwwisseling ook automaten ging leveren aan de Verenigde Staten. In 1902 opende zich daar de eerste automatiek van het bedrijf Horn & Hardart, in Philadelphia. Tien jaar later was de eerste automatiek op Times Square een feit.
Maar in plaats van hamburgers, friet en frikadellen werden daar taarten en gebakjes uit de muur verkocht. Tegen 1941 had Horn & Hardart maar liefst 157 winkels en automatieken in Philadelphia en New York, waar zo’n 500.000 klanten per dag kwamen snacken.
Tot de opkomst van grote fastfoodketens als McDonalds en Burger King in de jaren ’70, bleven de automatieken erg populair aan de Oostkust. Daarna stierf het concept er langzaam uit.
In 2006 probeerde het bedrijf Bamn! Food - met behulp van een automatiekdealer uit Groningen - de automatiek weer terug naar New York te brengen. Na drie jaar tijd bleek dit idee helaas toch onsuccesvol.
Maar ondanks dat veel andere landen het concept links hebben laten liggen, prevaleert de automatiek nog steeds in Nederland.
FEBO: Een Nederlands Icoon
FEBO is toch wel de bekendste automatiek van Nederland. En bestaat dan ook al 77 jaar!
In 1941 startte Johan van de Borst zijn banketbakkerszaak Febo. Die oorspronkelijk zou worden gevestigd aan de Ferdinand Bolstraat. Vandaar de afkorting dus. Maar dat liep allemaal wat anders. Uiteindelijk kreeg Johan zijn eerste pand aan de Amstelveense weg. De naam was al vastgelegd dus liet hij het maar zo.
Het huidige Febo begon ooit als ‘Maison Febo’ in 1942. De winkel was oorspronkelijk een bakkerij opgericht door bakker Johan de Borst. Maar tegen 1960 was de ambachtelijke bakkerswinkel al uitgegroeid tot een automatiek waarin De Borst zijn zelfgemaakte kroketten verkocht, die veel rapper over de toonbank bleken te gaan dan zijn warme broodjes.
De naam FE-BO is uiteraard een samenvoegsel van de plek waar De Borst oorspronkelijk voor ogen had zijn bakkerij te beginnen: de Ferdinand Bolstraat in de Pijp. De eerste zaak kwam uiteindelijk echter terecht aan de Amstelveenseweg. Toch behield De Borst zijn oorspronkelijke bedrijfsnaam.
Pas in 1993, toen Febo reeds een begrip was in Nederland, was de eerste Febo in de Ferdinand Bolstraat een feit. Inmiddels is Febo een heuse miljoenenfranchise met meer dan 66 filialen - waarvan maar liefst 22 in Amsterdam - die hun succes nog steeds grotendeels danken aan het frisse automatiek-concept.
De keten draait jaarlijks een omzet van zo’n €12 miljoen, met een winst van zo’n €200k. Opmerkelijk is dat mensen automatiekverkoop als een typisch Nederlands ding zien.
Wonderbaarlijk genoeg overleefde het concept het vooral in Nederland, waar onder meer Febo bleef vasthouden aan deze vorm van voedselverstrekking ‘uit den muur’.
Febo is haast net zo Hollands als kaas, klompen, molens en boerenkool. En de automatiek lijkt in Nederland dan ook nog lang niet aan z’n einde te zijn gekomen.
Over de Amsterdamse automatiekenketen Febo doen vele verhalen de ronde. Daar zit heel wat onzin bij.
Hardnekkig is de mythe dat de firmanaam is afgeleid van de achternaam van oprichter Johan Izaäk de Borst (1920-2008) en zijn meewerkende zwager Piet le Feber. Zo ging het niet, schrijft Ubel Zuiderwijk, auteur van het jubileumboek uit 2011 Febo - een fenomeen. Hij citeert Johan de Borst zelf: "Oorspronkelijk was het de bedoeling in de Ferdinand Bolstraat een bakkerij te openen. Het kwam er niet van. Maar omdat de afkorting Febo al als bedrijfsnaam in de statuten stond, liet ik het daar maar bij."
Bakkersschoolleerling Johan Borst trok in 1938 zijn eerste vleeskroket 'uit de muur' bij Heck's Cafetaria in de Reguliersbreestraat (geopend 1932), dat een voorhoederol had bij de introductie van zowel de automatiekformule als de popularisering van de kroket. Kort daarop at hij in Gouda zijn eerste portie patates frites.
Op 11 augustus 1941 nam hij bakkerij De Tijdgeest over, op de Amstelveenseweg (nummer 274) bij de Karperweg. In zijn Maison Febo bakte hij de eerste jaren vooral brood en banket. "Echt ouderwets lekker Paas-krentenbrood bakt FEBO het geheele jaar door", was de reclameleus.
Na de oorlog kwamen de kroketten erbij en rond 1950 waren ze al een groot verkoopsucces. Het ging zelfs zó goed dat De Borst in 1960 zijn bakkerij verkocht en de aan de straat gelegen slaapkamer van zijn woning Karperweg 3 (net om de hoek) verbouwde tot automatiek. De familie verhuisde naar Slotermeer.
Johan de Borst leidde de zaak met strakke hand. Hij hechtte zeer aan goede omgangsvormen: personeel dat hem tutoyeerde kreeg op staande voet ontslag. Intussen groeide het bedrijf stormachtig. Het eerste filiaal opende in 1966 in de Spaarndammerstraat (66) en het maakwerk werd verplaatst naar een heuse productiekeuken in Noord. Daarna ging het snel, mede door de introductie in 1975 van de franchiseformule.
Eigenwijze franchisenemers als Jan van Boven (Amsteldijk; als 93-jarige daar nog steeds) en John Wijsmuller (diverse filialen in de binnenstad) brachten de conservatieve De Borst vaak tot wanhoop, maar hij moest toegeven dat hun nieuwlichterij met frikadellen, hamburgers en milkshakes groot succes had. Zoon Hans (de tweede directeur) voegde er grillburgers aan toe.
De populairste Amsterdamse filialen (sinds 1976 werd ook de rest van Nederland veroverd) waren de twee voormalige lokethuisjes op het Stadionplein, het ene een automatiek (1972), het andere Broodjeszaak Olympia (1975). Vele bekende Amsterdammers werden er stamgast: de spelers van Ajax, maar ook theatersterren uit de stal van Joop van den Ende, die zich hier verzamelden om het land in te gaan. En ook crimineel Willem Holleeder - met zijn klandizie was men minder blij.
De beide 'Febo-huisjes' verdwenen in 2013 voor de omstreden herinrichting van het Stadionplein, maar op 23 mei is daar een gloednieuwe vestiging geopend. De huidige directeur Dennis de Borst, kleinzoon van Johan, werkte de laatste jaren ijverig aan een nieuw imago. Het schreeuwerige knalgeel van de lichtreclames was toch echt wat te ordinair, vond hij.
En helaas bleken maar weinig mensen te weten dat alle producten 'ambachtelijk' en 'dagvers uit eigen keuken' worden bereid. Vandaar de luxueuzere huisstijl en de veelvuldige verwijzing in lijstjes aan de muur naar de klassieke receptuur van 'Opa de Borst'.
De Kroket: Een Belangrijk Product in de Automatiek
In Nederland wordt met een kroket meestal een vlees-kroket bedoeld. Vleeskroketten worden als typische snack bij de meeste snackbars verkocht. Voor de Nederlandse automatiek zijn zij zeer belangrijk, omdat zij handzaam zijn, makkelijk voorbereid kunnen worden (in tegenstelling tot patates frites) en dus snel te verkrijgen zijn, en hun smaak ook na een half uur warm bewaren nog behouden.
Ze worden los, op een broodje (“broodje kroket”) of samen met friet gegeten. Kleinere kroketjes, meestal gemaakt van aardappelen of groenten, worden ook in andere landen gegeten als bijgerecht bij een uitgebreide maaltijd.
De vleeskroket is gemaakt van een salpicon van vlees (een soort dikke ragout), die in koude toestand tot een rolletje wordt gevormd. De rundvleeskroket en kalfsvleeskroket zijn luxe varianten. Daarnaast bestaan er ook goulashkroketten.
Kroketten worden gemaakt door een dikke saus of, bij groenten, een puree te maken voor de vulling. Eventueel wordt de vulling ook vermalen. Nadat het mengsel is afgekoeld wordt de kroket gevormd, waarna deze zodanig door ei, bloem en paneermeel wordt gerold dat de kroket aan alle kanten goed afgesloten is en het geheel bij de volgende bewerking niet kan barsten. Hierna wordt de kroket gefrituurd waardoor er een knapperig korstje ontstaat en de ragout weer warm wordt.
De luchtige korst koelt vrij snel af maar de vulling blijft lang warm, waardoor bij het eten enige voorzichtigheid geboden is.
In Nederland worden 300 miljoen kroketten per jaar geconsumeerd.
De gemiddelde kroket heeft een lengte van 10,5 centimeter en een diameter van 3 centimeter.
De vleeskroket komt waarschijnlijk oorspronkelijk uit Frankrijk. In een druk uit 1705 van Le cuisinier royal et bourgeois, (eerste druk 1691) die werd geschreven door François Massialot, de kok van Lodewijk XIV, staat al een recept voor kroketten (‘croquets’). Volgens culinair deskundige Johannes van Dam is dit het oudste recept.
De oudste Nederlandse recepten van kroketten dateren van 1830. Het oudst bekende Nederlandse recept dat in gedrukte vorm verscheen, is van de kok van koning Willem I in een appendix bij de heruitgave van 1851 van het kookboek “Moderne Kookkunst” van Maria Haezebroeck.
Deze kroketten dienden, anders dan de oorspronkelijke ‘koninklijke voorgangers’ vooral als restverwerking van gaar vlees. Kroketten werden in het begin van de twintigste eeuw geserveerd als tussengerecht in een uitgebreid menu, na de soep en vóór het hoofdgerecht. De ontwikkeling van chic tussengerecht naar snack gebeurde na de Tweede Wereldoorlog.
Andere Populaire Snacks
De frikandel werd ‘bedacht’ in 1954 door slagersknecht Gerrit de Vries uit Dordrecht. Door een wijziging in de warenwet moest hij zijn populaire gehaktballen veranderen. Ze mochten namelijk niet meer dan 6% zetmeel bevatten. Hij loste dit creatief op door niet het recept maar de vorm aan te passen: in plaats van een bal serveerde hij een worstvorm.
Jan Beckers, van Beckers snacks, maakte een aantal jaar later van de gehaktworst een glad exemplaar van fijngemalen vlees. In een frikandel zit voornamelijk seperatorvlees. En dat is dus niet slachtafval (fabel!) maar vlees dat achterblijft op het karkas na fileren. Grotendeels kippenvlees en varkensvlees.
Ook de Mexicano is bedacht door Gerrit de Vries. Pittig gekruid gehakt in een geperste plak met ribbels. Ontwikkeld in 1984 en gemaakt van voornamelijk paardenvlees. Dit keer liet hij (in tegenstelling tot de frikandel) de naam wel patenteren. Niemand anders mag de Mexicano dan ook gebruiken.
De bitterbal is eigenlijk het kleine ronde zusje van de kroket. Een gefrituurd en gepaneerd balletje vleesragout. Maar waar komt de naam dan vandaan? Bitterballen werden vroeger vaak gegeten bij een ‘bitterje’, een sterk alcoholisch kruidendrankje.
Nergens kun je zo veel verschillende snacks krijgen als in Nederland. Vaak zijn deze nergens anders ter wereld verkrijgbaar.
Ken jij ze, het lianboutje (gehakt aan een stokje), de smulrol (gefrituurd flensje met gekruid vlees en groente), pikanto (een iets dikkere en stevige frikandel), eierbal (ei in een bitterbaljasje), berenhap (in plakken gesneden gehaktbal aan een prikker met uienringen) ook wel berenklauw genoemd?
Automatiek: Meer dan Alleen Eten
Overal ter wereld kun je eten en drinken uit automaten halen. Maar nergens is “snacken uit de muur” zo’n alledaags fenomeen als in Nederland.
De gevels met warme snacks zijn vaderlandse folklore geworden en dankzij het hoofdstedelijke familiebedrijf Febo is Amsterdam de hotspot. Toch opende het bedrijf pas in 1960 zijn eerste automatiek. Dat was dertig jaar nadat Nederland op grote schaal kennis maakte met automatieken.
De eerste hausse was namelijk in crisistijd, na de beurskrach op Wallstreet van 1929, toen in Nederland schraalhans keukenmeester was. De voedingsbodem voor een snel geserveerde goedkope hap was gunstig en dus bood de automatiek uitkomst. De ene na de andere opende zijn deuren en de automatiek begon aan een zegetocht.
Vooral slagers en bakkers startten automatieken, maar ook ’s lands grootste horecaconcern Heck’s roerde zich flink. Dagblad Het Vaderland kreeg al snel lucht van deze trend en legde het fenomeen in 1931 uit aan zijn lezers: “De automaat is een machine.
Ja, rond 1930 werd in ons land de automatiek gemeengoed, maar zijn hoogtijdagen beleefde hij in de jaren ’50 van de twintigste eeuw. Met dank aan de winkelsluitingswet van 1952. Deze wet dicteerde dat bij slagers, bakkers en andere neringdoenden de tent voortaan om zes uur ’s avonds op slot moest, maar de wetgevers hadden buiten de automatiek gerekend.
Duitse fabrikanten kregen van Nederlandse ondernemers orders om loketten te maken die aan de achterzijde konden worden bijgevuld. Zodoende konden de retailers ook na zes uur gewoon verder gaan met de verkoop. De automatiek prikkelt tot op de dag van vandaag de Nederlandse handelsgeest, maar toch is ons land niet de bakermat van de verwarmde snackmuren.
Al vanaf het einde van de negentiende eeuw kwamen allerlei vormen van automatenverkoop op, die vooral hun oorsprong vonden in Duitsland. Zodoende kon je ruim eeuw geleden al in verschillende wereldsteden staande een hapje eten in zogenaamde “automatische restaurants”. Zo’n restaurant was omgeven door muren van automaten, die vaak in Jugendstil waren verfraaid.
Het was destijds eerder een gimmick dan een solide business en de experimenten met de automatische restaurants waren eigenlijk nergens een lang leven beschoren. De enige stad waar het fenomeen wel volop wortel schoot was New York.
Daar deed horecaconcern Horn & Hardart aan het begin van de twintigste eeuw van zich spreken. Horn & Hardart was begonnen in Philadelphia, maar zijn Automats ontwikkelden zich tot een typisch Newyorks fenomeen. De automatiek veroverde The Big Apple stormenderhand.
De mild geprijsde lekkernijen van Horn & Hardart sloten dan ook naadloos aan bij de levensstijl in de snel groeiende metropool, waar van een kapitaalkrachtige middenklasse nog geen sprake was. Newyorkers verdrongen zich bij de loketten van Horn & Hardart om voor een nickle sandwiches, fruit en cakes uit de muur te trekken.
Horn & Hardart groeide dankzij de Automats snel. In 1919 had New York 15 cafetaria’s en automatieken, in 1932 waren dat er 32. Om een zo breed mogelijk publiek aan te spreken, draaide de marketingmachine op volle toeren. Bij Horn & Hardart moest iedereen zich op zijn gemak voelen en waren alle sociale klassen van harte welkom.
Nee, niemand voelde zich te goed om zijn eten uit de vaak fraai gedecoreerde muren van Horn & Hardart te trekken. Kunstenaars, schrijvers, dansers, filmers en muzikanten betoonden zelfs openlijk hun liefde aan de Automat. Edward Hopper, Amerika’s eigen Rembrandt, wijdde één van zijn bekendste schilderijen aan The Automat. Componist en liedjesschrijver Irving Berlin eerde de Automat in zijn werk; zijn musical Face the Music draaide zelfs om de Newyorkse automatiek. Ook filmacteur Gregory Peck stak de loftrompet, en Marilyn Monroe bezong in 1953 met haar zwoele hese stem de Automat in haar evergreen Diamonds Are A Girl’s Best Friend.
Ja, de automatieken van Horn & Hardart waren een attractie van jewelste. Ze stonden afgebeeld op menige Newyorkse ansichtkaart. Dat dit tegenwoordig niet meer het geval is, komt doordat Horn & Hardart niet meeging met de tijd. Het vervreemdde hierdoor de opkomende middenklasse van zich. Dat was het begin van het einde.
In 1966 kwam het concern in de rode cijfers terecht, in 1991 sloot de laatste Automat in New York. Daarna kwam het tussen de Newyorkers en de automatiek nooit meer goed. Zij zochten en vonden hun heil bij McDonald’s, Burger King en Wendy’s. De automatiek had voorgoed afgedaan.
Amsterdam nam het stokje over van New York. Op de erfenis van de bloeiende Nederlandse automatiekcultuur in de jaren ’30 en ’50 bouwde Febo in Mokum een klein imperium. Amsterdam werd de nieuwe automatiekhoofdstad van de wereld. Dat was op het nippertje, want als Febo in 1960 niet was begonnen, was de automatiek in ons land zeker net zo roemloos ten onder gegaan als in New York.
Rond 1955 telde ons land nog duizenden automatieken, maar in 1960 was dat aantal al flink geslonken. De daling bleef doorzetten. Febo groeide echter, mede dankzij de verse snacks uit eigen fabriek, gestaag en tegen de trend in. Het concern trok de automatiek door een diepe crisis en vanaf 1990 zette zowaar de groei weer in. Tankstations, discotheken en cafetaria’s begonnen weer te investeren in snackloketten om hun bijverkoop te stimuleren.
De Muur werd gered van de ondergang en zo kan het zijn dat anno 2012 geen Nederlandse stad compleet is zonder gevels met verwarmde snackloketjes. Sterker, de automatiek is zelfs gaan behoren tot ons erfgoed. Dit betekent dat je de automatiek te pas en te onpas tegenkomt als figurant.
Mannenmagazine Playboy gebruikte hem in advertenties om abonnees te werven. Een vacaturebank zette de automatiek in om zijn ‘vette banen’ onder de aandacht te brengen. Popzender 3FM zamelde geld in met de automatiek. Via automatieken worden kunst, telefoonabonnementen, brillen en speelgoed aan de man gebracht. Het Nationaal Historisch Museum exposeerde in een automatiek voorwerpen uit de vaderlandse geschiedenis. En natuurlijk worden via de loketten andere voedselproducten verkocht dan kroketten, frikandellen en hamburgers alleen. Menige boer heeft groot uitgevallen luikjes op zijn erf om verse eieren, groenten en fruit te promoten. Meesterkok Albert Kooy stopte haute cuisine in de snackloketjes.
De mechanische automatiek zelf innoveert ondertussen rustig verder. Hij ging op de digitale toer. Dit betekent dat we eigenlijk niet meer kunnen spreken van “iets uit de muur trekken”, want we moeten namelijk duwen op een knop, waarna een luikje zich met geruisloze precisie opent. Betalen kan met een pasje of de mobiele telefoon. Hiermee is de automatiek helemaal bij de tijd, al is de automatiek natuurlijk nu al voor eeuwig deel van onze cultuur.
Die zongen immers: “’t Land dat zorgt voor iedereen. Geen hond die van een goot weet. Met nasiballen in de muur. En niemand die droog brood eet.” En wat te denken van de vaderlandse volksrap bij uitstek? In Het land van… van Lange Frans & Baas B horen we: “Het land van gierig zijn. Een rondje geven is te duur. De vette hap van Febo. Trek je uit de muur….” Trouwens, ook de beginregels van Benny Neymans evergreen Vrijgezel zijn onverwoestbaar: “Hij is zo zielig, zo alleen.
De Opkomst van het Snackwezen in Nederland
In opdracht van de Stichting Vrienden Fastfood bracht Ubel Zuiderveld in 2008 door middel van een canon de geschiedenis van snacks en fastfood in Nederland voor het eerst in beeld. “Willen we het heden begrijpen, ons wagen aan voorspellingen, of uitspraken doen over de toekomst, dan zullen we het verleden moeten kennen”, aldus Frans van Rooij.
De Friese onderwijzer Kornelis de Vries (1854-1929) kweekt het Bintje. Deze aardappel - vernoemd naar een schoolmeisje - komt in 1910 op de markt. Het Bintje - stevig, ovaalvormig, neutrale smaak - groeit uit tot de frietaardappel.
Frites rukt vanuit België noordwaarts op naar onze contreien. Er zijn aanwijzingen dat een Vlaamse friturist rond 1905 op de kermis van Bergen op Zoom als eerste in Nederland frites verkoopt. Een eeuw daarvoor kwam het recept voor frites al voor in Franse kookboeken. In België ontwikkelde zich vanaf 1850 een frituurcultuur.
Joden zorgen voor de verspreiding van de frituurcultuur in Europa. De Eerste Wereldoorlog moet voor menig inwoner van het neutrale Nederland de eerste kennismaking zijn geweest met de frites. Geïnterneerde Britse militairen bereiden her en der fish & chips. Belgische vluchtelingen bakken bij gastgezinnen hun Vlaamse frites.
Vooral veel joodse venters verkopen in Amsterdam snacks op straat. Gekookte eieren, uitjes, zure pekelbommen, haring, komkommer in het zuur. Nasjen is synoniem voor snacken. Vanaf het einde van de negentiende eeuw openen veel joden broodjeszaken.
De term ‘cafetaria’ - oorspronkelijk Amerikaanse zelfbedieningsrestaurants - komt in zwang dankzij Heck’s, eigendom van een Maastrichtse brouwerij. Naar voorbeeld van Britse tearooms, groeit Heck’s uit tot een horeca-imperium van belang met vestigingen in het hele land. Heck’s - en Ruteck’s - laat de gewone man kennis maken met een hapje en een drankje buitenshuis.
Middenin de crisistijd, in 1933, opent Heck’s in Leiden de eerste echte cafetaria. Met kleine gerechten voor een milde prijs. De frituurcultuur burgert in Zuid-Nederland in. In de jaren-1930 openen de nodige patates fritesbedrijven daar hun deuren. Bekend adresje is eetsalon Van Dam in Eindhoven. De ovens zijn kolen gestookt. Als saus kun je - naar Belgisch voorbeeld - piccalilly ofwel pickels krijgen.
Een nieuw fenomeen maakt furore in Nederland. De automatiek. In 1931 opent Heck’s zijn eerste loketautomaat in Amsterdam. De automatiek - een Duitse vinding - blijkt een uitkomst voor middenstanders, die via loketverkoop de winkelsluitingswet van 1952 proberen te omzeilen (winkels moeten voortaan om zes uur dicht).
De eerste signalen van internationalisering. In de grote steden in de Randstad openen de eerste Chinese restaurants hun deuren. Op Katendrecht in Rotterdam begint een fish & chips-zaak. In meer Nederlandse steden - zoals Den Haag - wordt (vaak vergeefs) gepoogd de Engelse fish & chips te laten inburgeren.
Joodse broodjeszaken en ijssalons verdwijnen in de loop van de Tweede Wereldoorlog van het toneel. Als de schaarste zich doet gelden, gaat onder meer frituurvet op de bon. De (rundvlees)kroket verovert Amsterdam, als delicatesse die uit de hand gegeten wordt. De kroketsnack is een Nederlands fenomeen - de herkomst is Frans.
De Amsterdamse bakkerij-kokerijen Febo en Van Dobben beginnen in de jaren ’40 met de verkoop van kroketten, later gevolgd door Kwekkeboom. Ruim twintig jaar nadien is sprake van een scheidslijn tussen bakkerskroketten (de Amsterdamse school, blokjesvlees) en slagerskroketten (de Zuid-Nederlandse school, draadjesvlees).
Een hausse aan nieuwe spijsverstrekkende bedrijven. Voor cafetaria’s, broodjeszaken en aanverwante zaken is een vergunning nodig. Frituurvet is nog op de bon - dus worden veel aanvragen afgewezen (en wordt clandestien paardenvet gebruikt). In 1948 krijgt het productschap Bedrijfshoreca 1500 aanvragen voor het starten van een klein horecabedrijf.
Steeds meer ijssalons gaan als bijverdienste frites verkopen. Het bestuur van de Nederlandsche Bond van IJsbereiders haalt er zijn neus voor op. Er ontstaan op regionaal en lokaal niveau aparte belangenclubs, zoals de Verpaba in Rotterdam; de Vereenigde Patat Frite-Bakkers.
labels: #Brood
Zie ook:
- Het perfecte Kamado Broodje Hamburger Recept: Tips & Tricks
- Broodje Mozzarella Tomaat Pesto AH To Go: Maak Het Zelf!
- Zelf Broodje Hamburger Maken: Het Perfecte Recept!
- Varkenshaas Marineren BBQ: De Beste Recepten & Tips!
- Ontdek Het Ultieme Chocoladetaart Recept Met Zelfrijzend Bakmeel – Simpel & Onweerstaanbaar!




