De geschiedenis van chocolade is een fascinerend verhaal dat zich uitstrekt over duizenden jaren en verschillende continenten. Van de oude beschavingen van Midden-Amerika tot de moderne Europese chocolatiers, chocolade heeft altijd een speciale plaats in de menselijke cultuur gehad. Laten we een duik nemen in de boeiende geschiedenis van chocoladewinkels en de oorsprong van deze geliefde lekkernij.

De Oorsprong in Midden-Amerika

3000 jaar geleden bewoonden de Olmeken, een van de oudste Midden-Amerikaanse beschavingen, een gebied ten zuiden van Veracruz aan de Golf van Mexico. Dit gebied was een tropisch regenwoud en aangezien cacaobomen hete, vochtige en schaduwrijke omgevingen nodig hebben, was het land van de Olmeken perfect. Rond de 4e eeuw, een aantal eeuwen na de ondergang van de Olmeken, hadden de Maya’s zich gevestigd in een grote streek ten zuiden van het huidige Mexico die zich uitstrekte van het eiland Yucatán in Midden-Amerika tot de Chiapas en de kust van Guatemala. Het klimaat en de omgeving was perfect voor de cacaoboom.

De klassieke Maya-beschaving bouwde prachtige stenen paleizen en tempels. De Maya’s ontwikkelden een systeem van hiërogliefen die ze op vellen schorspapier schreven. Er zijn nog maar vier boeken over van de Maya’s. Deze boeken staan vol met tekeningen van goden die rituelen uitvoeren voor het geloof. We weten van de Maya’s dat zij een bitter brouwsel maakten van de cacaobonen. In de boeken van de Maya’s worden verschillende manieren beschreven hoe je het kan maken en hoe je het op smaak kan brengen. Het kon een soort papje zijn, verdikt met maïsmeel, of een dunnere drank. Er zijn ook veel beschilderde kommen gevonden in de graven van de Maya’s. Dit wijst er duidelijk op dat ze cacao hebben gebruikt.

In 1984 werd er een graf geopend in Guatemala, dit graf bleek allemaal kommen te bevatten waarbij de bedoeling was dat ze daar chocolade uit dronken. Eén van deze kommetjes had een deksel met het Maya-symbool voor chocolade erop en er bleken nog restjes in te zitten van deze chocoladedrank. Na de ondergang van de Maya’s rond het jaar 900 bewoonden eerst de Tolteken en daarna de Azteken het oude gebied van de Maya’s.

De Azteken en Cacao

Hun koning Quetzalcoatl was niet alleen koning, maar ook god van de lucht. Koning Quetzalcoatl was een tijdlang ziek en hij werd toen overgehaald om een mysterieus drankje te drinken waardoor hij helemaal waanzinnig werd. Hij was ervan overtuigd dat hij zijn koninkrijk moest verlaten en hij ging weg op een klein vlot. Deze legende werd een onderdeel van de Azteekse mythologie en de Azteken waren ervan overtuigd dat in het jaar 1519 een koning met wit gezicht zou komen om het koninkrijk op te eisen.

In 1502 ging Christoffel Columbus voor de vierde en de laatste keer op reis naar het Caribisch gebied. Hij kwam terecht op het eiland Guanaja voor de kust van Honduras. Hij zou hier zijn begroet door de Azteken. Zij dachten dat hij de nieuwe koning was, omdat hij blank was. Daarom gaven de Azteken hem een zak met groot uitgevallen amandelen in ruil voor iets wat hij bij zich had. Toen de Azteken zagen dat Columbus niet wist wat hij ermee moest, legden ze hem het uit dat hij met deze bonen een hele bijzondere drank kon maken. De leider van de Azteken liet een paar van zijn bedienden deze drank maken en gaf deze drank aan Columbus.

Toen hij aankwam in de Nieuwe Wereld geloofde de toenmalige keizer van de Azteken, Montezuma II, dat hij de reïncarnatie was van Quetzalcoatl, wiens terugkeer datzelfde jaar was voorspeld. Al snel merkte keizer Montezuma II dat hij zich had vergist. Hernán Cortés zag meteen dat zijn positie niet helemaal veilig was. Hij wist een aantal Azteken voor zich te winnen en nam toen Montezuma gevangen. Binnen twee of drie jaar wist Hernán Cortés het hele koninkrijk van de Azteken te vernietigen. Hij vond de rijkdommen van de Azteken niet, daarom keerde hij zich tot de cacaobonen, in tegenstelling tot Christoffel Columbus zag Hernán Cortés wel de economische waarde van deze boon in. Niet alleen voor voedsel, maar ook als betaalmiddel. De waarde van de cacao als betaalmiddel was groot: een konijn kostte toentertijd 10 cacaobonen en een slaaf was voor 100 bonen te koop.

Hij besefte zich dat geld letterlijk aan de bomen kon groeien en stortte zich volledig op de handelsmogelijkheden. Cacao was goedkoop en redelijk winstgevend, dit lokte veel Spaanse kolonisten naar het Carabisch gebied. Al snel hadden de Spanjaarden plantages in Mexico, Ecuador, Venezuela, Peru en de eilanden Jamaica en Hispaniola (nu Haïti en de Dominicaanse Republiek). De Spaanse kolonisten probeerde het geheim van de cacao voor zichzelf te houden. Ze hadden hele grote winst door de bonen in Zuid-Amerika te produceren en daarna naar Europa te verschepen. Dit is uiteindelijk niet gelukt.

De Bereiding van Chocolade

De drank van de Azteken was bitter, vet en werd koud opgediend, dat is een groot verschil met hoe het nu is. Nu is het een zachte, rijke en romige drank. De maalsteen (metate) zou een belangrijke rol hebben gespeeld. Er is een hele gedetailleerde beschrijving gegeven van deze bereiding: “Voor dit doel hebben ze een brede, gladde steen nodig die goed is voor gebruik. Op deze steen malen ze de bonen klein."

Cacao werd voornamelijk gebruikt in een drank die men chocolaté noemde. Volgens José de Acosta gaven ze hoog op van de drank, wat hij dom en onterecht vond. Hij zei dat voor men die de drank niet kende het echt afschuwelijk smaakte. Ook had de drank een soort schuim erop en dat scheen erg ranzig. De Maya’s maakten de drank schuimig door de drank over te gieten van de ene naar de andere kom vanaf een bepaalde hoogte. De Azteken vonden later een instrument uit dat de Spanjaarden een molinillo noemden. Deze molinillo was een houten draaistok met een soort peddels aan het einde. De molinillo wordt nog steeds gebruikt in Zuid-Amerika. Het ontwerp is niet veranderd, maar er zijn prachtige potten en draaistokken van zilver.

Er werden nog meer ingrediënten gebruikt dan Thomas Cage had beschreven in zijn boek. De Spaanse historicus Sahagún noemt een hele lijst met chocoladedranken die edellieden dronken. Uit deze lijst bleek dat er rosse cacao, helderrode cacao, oranje cacao, zwarte cacao en witte cacao bestond. Er werd pas later suiker aan de chocola toegevoegd. Volgens een verhaal ontwikkelden de nonnen van Oaxaca, een Azteekse stad die tot 1522 door de Spanjaarden bezet was, nieuwe recepten voor de Spanjaarden. Ze voegden er wat suiker en andere zoete specerijen aan toe, zoals kaneel en anijs.

De Verspreiding van Chocolade naar Europa

In 1580 werd de eerste cacaofabriek in Spanje gebouwd. Vanaf dat moment verspreidde de populariteit van chocolade naar andere Europese landen. De Nederlanders plantten de boom in hun Oost-Indische gebieden Java en Sumatra aan het begin van de 17e eeuw. Vanaf die plek verspreidde de chocola zich over naar de Filipijnen, Nieuw-Guinea, Samoa en de rest van Indonesië. De Fransen vestigden zich in 1660 in Martinique en in 1677 in Brazilië, samen met de Portugezen. Aan het begin van de 19e eeuw plantten de Portugezen Braziliaanse cacaobomen op het eiland São Tomé, dit lag voor de West-Afrikaanse kust. Aan het einde van de 19e eeuw hadden de Duitsers zich gevestigd in Kameroen en de Britten in Sri Lanka.

Chocolade in Spanje

In de 16e eeuw werd chocola geïntroduceerd aan alle landen in Europa, dit kwam doordat de Spanjaarden het product mee naar huis namen. Eerst kwam chocola dus in Spanje en via verschillende handelsroutes is het zo naar Noord-Europa en Groot-Brittannië gegaan. In 1985 kwam de eerste lading cacaobonen uit Veracruz. Er werd een officiële handelsroute gevestigd. Een Franse vrouw die door Spanje reisde was niet echt onder de indruk van de chocoladedrank. Ze zei het volgende over de drank: “Ze drinken het drankje met zo veel peper en specerijen, dat het onvoorstelbaar is dat ze zich niet branden.”

Ook vond ze de gebitsverzorging en de gewoonten in Spanje niet goed. Chocoladehuizen (chocolaterías) kwamen snel het land in. Het was leuk om daar een middagje naartoe te gaan en een kopje te nemen van de bruine drank. Nu wordt er nog steeds veel chocoladedrank gedronken in Spanje. In Spanje en in de rest van Europa werd chocola altijd samengedaan met specerijen, koffie en thee. Het duurde even voordat chocolade werd gebruikt voor snoep en toetjes. Ook was chocola eerst alleen drank, maar al snel werd het een smaakmaker in pittige gerechten.

Chocolade in Nederland

De WIC (West-Indische Compagnie) begon in de 17e eeuw zelf cacaobonen naar Amsterdam te vervoeren. Toen de WIC cacaobonen naar Amsterdam begonnen te transporteren, werden deze bonen in kleine hoeveelheden doorverkocht aan buitenlandse kopers en zo werden er nieuwe fabrieken in Nederland gebouwd. Halverwege de 19e eeuw verruilden de Zaankanters (omgeving het huidige Zaandam) hun molens, waarmee ze ondertussen ook cacao, mosterd, verf en papier mee verwerkten, langzaamaan door stoommachines. In het gebied ontstonden grote multinationals zoals Verkade, Ahold, Bruynzeel, Honig en Duyvis en tot de dag van vandaag zijn deze bedrijven in de gemeente Zaanstad te vinden.

De Nederlanders hebben als zeevaarders een zeer belangrijke rol in de cacaohandel gehad. Oorspronkelijk was Zeeland het gebied waar veel cacaofabrieken stonden en nog steeds is Amsterdam de belangrijkste wereldhaven voor cacao. Vanuit Amsterdam werd de cacao aan Duitsland en Oostenrijk geleverd. De Italianen brachten het naar Zwitserland.

Chocolade in Italië en Frankrijk

Historici zijn het er niet over eens hoe chocola in Italië terecht is gekomen. Sommige mensen geloven dat dit halverwege de 16e eeuw gebeurde toen de verbannen graaf Emmanuel-Philibert weer aan de macht kwam. De meest logische theorie zou zijn dat chocola werd ingevoerd door een handelaar uit Florence die de hele wereld heeft rondgereisd opzoek naar nieuwe producten om te verkopen. Zijn naam was Antonio Carletti. Aan het begin van de 17e eeuw waren er al een hoop chocoladehandelaren in het noorden van Italië. Vooral rond Perugia en Turijn.

In Frankrijk begonnen de Fransen ook al snel van chocolade te houden. Volgens sommige mensen was er een netwerk tussen de Spaanse en Franse kloosters. Anderen zeggen weer dat chocolade als medicijn werd ingevoerd. De populairste theorie is, is dat chocoladedrank werd geïntroduceerd in 1615, tijdens de bruiloft van Lodewijk XIII en Anna van Oostenrijk (de jongste dochter van Filips II, Spanje). Anna, de nieuwe koningin scheen heel erg van chocola te houden en liet alle hovelingen kennismaken met de drank. Er waren daar een hoop liefhebbers van de drank.

Een paar jaar later bedacht Marie Antoinette, die ook heel erg van chocola hielt, de functie van chocolademaker: de koningin. Er werden chocoladefeesten gegeven aan het hof, in Frankrijk noemden zij die “chocolat du roi”. María Theresa (prinses van Spanje) trouwde in 1660 met Lodewijk XIV. Zij zou het volgende hebben gezegd: “Chocolade en de koning zijn mijn enige passies.”

De Ontwikkeling van Moderne Chocolade

Vroeger was chocola een hele erge vette drank. De drank bevatte cacaoboter, die er vaak bovenop dreef waardoor het er erg onsmakelijk uit zag. Fabrikanten hebben jaren gezocht naar een manier om de cacaoboter van het cacao te scheiden, maar dat lukte niet. In 1828 vond Coenraad van Houten, een Nederlandse chemicus wel een manier. Zijn machine kon 50% van de aanwezige cacaoboter verwijderen. Alleen dit was niet genoeg voor Coenraad van Houten, daarom ging hij nog een stapje verder. Hij behandelde het poeder met alkalische zouten om het gemakkelijker aan te kunnen leggen met water. Dit proces werd in het buitenland dutching genoemd. Coenraad van Houten bracht met deze methodes een revolutie in de chocolade-industrie.

Coenraad van Houten verkocht de rechten tien jaar later, daardoor kon de machine nu overal gebruikt worden. Tot de eerste klanten behoorden de Fry’s en de Cadbury’s. Deze bedrijven wilden elkaar altijd overtreffen. De Fry’s en de Cadbury’s kwamen al snel met hun eigen cacao-essence en maakten reclame voor de zuiverheid en de gemakkelijke bereiding van hun product. De oude poeders, die werden gemaakt met zetmeel, werden in deze reclames omschreven als namaak.

Nu de cacaoboter van de boon was gescheden, wisten bedrijven niet wat ze met de boter moesten doen, het was te goed om weg te gooien. Eén van de fabrikanten (naam onbekend) kwam op het idee om de cacaoboter te smelten en te mengen met gemalen cacaobonen en suiker. Het resultaat hiervan was een gladde en kneedbare pasta, waarin de suiker niet zanderig werd, omdat het goed oploste in het vet van de cacaoboter. Ook was de pasta erg dun en kon hij makkelijk in een mal gegoten worden. De Fry’s zegt dat zij de eerste waren die dit nieuwe product op de markt hebben gebracht. Ze noemden hun reep Chocolat Délicieux à Manger. Ze noemde hun reep zo, omdat producten in Franse stijl toen razend populair waren. In 1849 presenteerden ze deze reep op de handelsbeurs in Birmingham. De repen waren direct een razend succes en eetbare chocolade werd een rage.

Na te hebben geëxperimenteerd met room en chocolade kwam Milton Hershey in 1900 eindelijk met de melkchocoladerepen. De eerste chocolatiers waren te klein om zelf cacaobonen te importeren of om dure machines te kopen. Daarom kochten zij grote blokken chocolade van grote bedrijven en die smolten zij daarna om tot couverte voor hun eigen vulling.

Bekende Chocolademerken en Hun Verhalen

Verschillende chocolademerken hebben een rijke geschiedenis en hebben bijgedragen aan de evolutie van chocolade zoals we die vandaag kennen.

Lindt & Sprüngli

Een ondernemersgeest. Een chocoladerevolutie. De perfecte samenwerking. Dit is het verhaal over het ontstaan Lindt & Sprüngli. Het begon allemaal met de opening van David Sprüngli's kleine zoetwarenwinkel in Zürich. Het bedrijf groeide snel dankzij Sprüngli's passie en ondernemende karakter. Al snel was Sprüngli een bekende naam onder de chocoladefabrikanten.

In 1845 produceerden David Sprüngli en zijn zoon Rudolf Sprüngli-Ammann de eerste stevige chocoladereep in het Duitstalige deel van Zwitserland. Het werd meteen een succes. Lindt liet zich er niet door afschrikken en bleef experimenteren tot hij op een vrijdagavond na maandenlang testen zijn fabriek verliet zonder de concheermachine uit te zetten. De machine bleef de hele nacht en het hele weekend draaien. De chocolade die Lindt op maandag vond, was heerlijk zacht en smaakte zoals hij nog nooit eerder had gesmaakt. Chocolade was voor altijd veranderd.

Het geheim van zijn chocolade zat hem in het concheerproces dat hij had uitgevonden en dat een fijne smeltende textuur creëerde door de cacaomassa en cacaoboter gelijkmatig te mengen met andere ingrediënten zoals suiker en melk gedurende een langere periode. Lindt's concheertechniek creëerde een 'smeltende chocolade' die zo fijn en smakelijk was dat hij onmogelijk te weerstaan was. Johann Rudolf Sprüngli herkende een collega-chocoladekenner in Lindt. In 1899 ontmoetten de twee ondernemers elkaar. Johann Rudolf Sprüngli kocht het bedrijf voor een indrukwekkende 1,5 miljoen goudfrank - inclusief het merk Lindt en het geheime recept - stemde Lindt toe onder de voorwaarde dat hij nog steeds zeggenschap in het bedrijf zou hebben.

In 1932 werd de "Bâtons Kirsch" gelanceerd. In 1949 ontdekten de Lindt Meester Chocolatiers chocolade die zo onweerstaanbaar zacht was dat het vergeleken kon worden met gesmolten goud. Het kreeg de naam LINDOR. In 1952 verscheen de Lindt GOLD BUNNY voor het eerst. In 1969 bracht Lindt & Sprüngli de eerste LINDOR bonbons uit als kerstspecialiteit. In 2020, tijdens de 175e verjaardag van Lindt & Sprüngli, opende het Lindt Home of Chocolate zijn deuren.

Rousseau Chocolade

In 1997 neemt Guido Rousseau de leiding van het bedrijf over. In 2007 gaat Guido Rousseau voor de continuïteit in kwaliteit en groei van het mooie familiebedrijf. Het franchiseconcept doet zijn intrede in 2010 met winkels in Geleen, Weert, Heerlen, Echt, Stein, Panningen, Gulpen, Maastricht Centrum, Beek en Düsseldorf. Daarnaast de 8 eigen winkels in Sittard (fabriekswinkel) en Sittard Centrum, Venlo, Venray en Maastricht Brusselse Poort. In 2015 komt daar een eerste Brabantse vestiging bij, in Someren. In 2022 volgt een winkel in Den Bosch, in 2023 in Born, Oirschot en Sint Oedenrode en in 2024 in Klundert, Best, Oss, Roosendaal en Capelle aan de IJssel.

Martinez Chocolatier

De historie van Martinez reikt inmiddels 4 generaties terug. Het sprookje begon in 1952 met de eerste chocolaterie van Tiny en Wim Stam. Martinez is een echt Nederlands familiebedrijf dat veel waarde hecht aan teamwork.

De Bossche Bol

Als het over erfgoed gaat, dan gaat het meestal over historische gebouwen en voorwerpen. Maar er is ook culinair erfgoed. En onze Bossche chocolade bol valt zeker onder die categorie. Wie gaat zoeken naar de geschiedenis van onze - inmiddels internationaal bekende - lokale lekkernij komt verschillende verhalen tegen. De namen van verschillende Bossche bakkers, in verleden en heden, spelen een rol in het verhaal.

Zo komt de vraag op of de chocolade bol vroeger misschien onder een andere naam werd verkocht. Banketbakkerij De Klok in de Vughterstraat (van J. Lambermont) adverteert op 14 maart 1892 met roombollen. Enkele dagen later plaatst patissier G.J. Mandos-Baudoin, gevestigd in de Ridderstraat A300 (nu nr. 14) een advertentie. Hij meldt daar dat zijn chocolade roombollen ”dagelijks versch voorhanden” zijn.

In een advertentie op 19 januari 1903 komen we voor het eerst de naam ‘chocolade bol’ tegen: Banketbakkerij De Klok in de Vughterstraat (van J. Lambermont), meldt dat zijn chocolade bollen “steeds voorhanden” zijn. Josephus Johannes Lambermont bestierde sinds 1872 de banketbakkerij aan de “Vischstraat 16”. In 1920 kreeg hij pal tegenover zijn zaak een concurrent: de jonge Haagse bakker Henri van der Zijde (1892-1950) nam de bakkerij van Scheefhals over aan de Visstraat 25/ hoek Smalle Haven.

Henri van der Zijde adverteerde, net als Jos. Joh. Lambermont, zeer regelmatig en uitvoerig , o.a. in de Provinciale Noordbrabantsche en ’s-Hertogenbossche Courant. Uit onderzoek blijkt: er is geen enkele advertentie te vinden waarin Van der Zijde meldt dat hij chocolade bollen levert!. Tegenwoordig beschouwen de meeste Bosschenaren de chocolade bollen van bakker Jan de Groot aan de Stationsweg als ‘de enige echte’. Ze zijn dan ook ongekend populair.

Nederlandse Cacao- en Chocoladefabrieken

Naast de bekende merken zijn er ook diverse Nederlandse cacao- en chocoladefabrieken die een belangrijke rol hebben gespeeld in de geschiedenis van chocolade.

  • Blooker: Opgericht in 1824 in Amsterdam, stond bekend om de slogan "Halfelf Blookertijd".
  • Bensdorp: Opgericht in 1840 te Amsterdam, later verplaatst naar Bussum en uiteindelijk overgenomen door Barry Callebaut.
  • Droste: Bekend van de chocoladepastilles, opgericht door Gerardus Johannes Droste in Haarlem.
  • Korff: Begon in 1811 een winkel met een chocoladefabriek in Amsterdam, later bekend van de chocoladedrank Fosco.
  • Verkade: Gevestigd in Zaandam, toonaangevend in de productie van beschuit, chocolade en koek.
  • Pette: Chocoladefabriek te Wormerveer, later Pette-Boon, bekend van de Koetjesreep.
  • Hendrik de Jong: Cacao- en chocoladefabriek te Wormerveer, opgericht in 1809.
  • Driessen: Nijmeegse cacao- en chocoladefabriek.

Conclusie

De geschiedenis van chocoladewinkels is een boeiende reis door de tijd, van de oude beschavingen die de cacaoboon ontdekten tot de moderne chocolatiers die voortdurend innoveren. Chocolade heeft een lange weg afgelegd en blijft een geliefde lekkernij over de hele wereld. Of je nu geniet van een klassieke chocoladereep of een ambachtelijke bonbon, je proeft een stukje van deze rijke geschiedenis.

labels:

Zie ook: