Cryptische poëzie over eten is een fascinerend onderwerp dat de complexiteit van taal en de verborgen betekenissen in het werk van verschillende dichters blootlegt. In deze analyse duiken we diep in de wereld van de poëzie, waarbij we ons richten op de manier waarop dichters op een raadselachtige en uitdagende manier over eten schrijven.

De uitdaging van interpretatie

De dichter Nijhoff is beroemd geworden om zijn veelvuldig geciteerde uitspraak ‘De schrijfmachine mijmert gekkepraat. / Lees maar, er staat niet wat er staat.’ Het is een pleidooi om achter de visualiseerbaarheid van de beelden en woorden naar andere betekenissen te zoeken. Bij Kouwenaar lijkt de situatie precies omgekeerd: de lezer wordt geconfronteerd met poëzie die op het eerste gezicht complex en ontoegankelijk is (veel minder verhalend dan die van Nijhoff), maar die letterlijker genomen zou moeten worden dan de meeste lezers geneigd zijn te doen.

De gedichten uit de bundel Zonder namen vallen op door een sterke semantische coherentie: er zijn veelvuldig associatieve verbanden te leggen tussen afzonderlijke woorden, zonder dat de thematische inhoud van het vers als geheel duidelijk wordt. In de meeste gedichten treden intensieve assonantie en alliteratie op. Ook zijn zich herhalende syntactische patronen, bijvoorbeeld de opbouw waarbij het gedicht als het ware één hoofdzin vormt, onderbroken door bijzinnen: vgl. ‘daarom’ uit de tweede reeks.

In de bundel Zonder namen kan een aantal thematische complexen worden gesignaleerd die de structuur van de bundel bepalen: poëticale thematiek (waarin we een taalfilosofische component kunnen onderscheiden naast een opvallende beeldspraak die het stoffelijke van de poëzie accentueert), reflectie op tijd, herinnering en dood. Het betreft hier geen afzonderlijke thema's, maar thema's die vloeiend in elkaar overlopen.

'Zonder namen': een poëticale stellingname

De titel Zonder namen werd door Kouwenaar niet alleen aan de bundel als geheel toegekend, maar ook aan het eerste deel daaruit èn aan een gedicht binnen dat eerste deel. Klaarblijkelijk drukt de uitspraak ‘zonder namen’ een poëticale stellingname uit die van belang is voor de verzameling gedichten. Dit is ook op te maken uit het feit dat deze uitspraak weerklinkt in de titel van de gedichten ‘zonder kleuren’ uit de eerste reeks en ‘niet naamloos maar zonder namen’ uit de vijfde reeks.

In de eerste strofe stelt een dichterlijke ‘ik’ zich tegenover ‘de gedachten van velen’ die krioelen rond ‘de namen’. ‘Velen’ zou kunnen refereren aan een bepaalde groep van traditionele dichters (de Criterium-dichters) waartegen de Vijftigers verzet aantekenden, zoals Kusters (1986, p. 143) veronderstelt. Maar ‘velen’ kan ook minder literatuurhistorisch opgevat worden, als taalgebruikers in algemene en alledaagse zin, die achteloos met de taal omgaan.

In de tweede helft van de eerste strofe wordt de poging te benoemen analoog gesteld aan de poging de ruimte te ervaren: het ‘naamloos ding dat een berg is’ te beklimmen. Na deze wat raadselachtige vergelijking tussen de activiteit van dichter en bergbeklimmer, volgt in de tweede strofe het credo van het dichterschap; het zwijgen toonzetten (in muziek brengen) en ‘de naam’ verzwijgen ‘uit eenvoudige blindheid’. De dichterlijke ‘ik’ beseft dat de stilte de meest adequate weergave is van dat wat hij om zich heen meent waar te nemen. Stof, feit en tijd moeten gezeefd worden ‘door vlees’ en zo wordt iets (de poëzie) gemaakt.

Hoe hoger men komt, hoe meer ‘uitzicht’ er is ‘op een hard ding dat ruimte loslaat en uitspaart’ en hoe sneller de huizen achtergelaten worden ‘hoe groter men woont’. Hier wordt het woord ‘ding’ uit regel 4 herhaald. Ook hier zou dit woord synoniem kunnen zijn voor ‘berg’. De bergbeklimmer ervaart de ruimte als veel indrukwekkender dan degene die in het laagland op de grond staat. Het harde ‘ding dat ruimte loslaat en uitspaart’ zou een andere berg kunnen zijn waar hij zicht op heeft: een berg die met zijn contouren de ruimte in het dal tekent.

In de vierde strofe volgt een uitspraak die aansluit op het poëtologisch credo uit strofe twee: ‘zeer werkelijk is de slaap en de gestilde honger / zeer denkbaar want niet benoemd’. Hier worden de primaire lichamelijke ervaringen slapen en eten voorgesteld als ‘werkelijk’ en ‘denkbaar’ en als het tegengestelde van taal: ‘niet benoemd’.

Voor de meeste dingen bestaan geen namen. Weinig lichamelijke (vleselijke) ervaringen kunnen precies onder woorden gebracht worden. Er tekent zich een verbijsterende kloof af tussen de reële gewaarwordingen van stof, feit en tijd aan de ene kant en de dingen aan de andere kant. Tot twee keer toe spreekt de dichterlijke stem in ‘zonder namen’ over ‘het ding’, naamloos en hard, dat synoniem is voor de berg, die als metafoor voor het dichterschap gezien kan worden. Het ding staat hier dus voor de poëzie.

Het gedicht als ding

Het gedicht als ding stelt zich lijnrecht op tegenover een gedicht als gevoel, als ontboezeming. Binnen zijn context brengt het gedicht als ding zeer heterogene zaken met elkaar in verband. Er is geen verhalend element dat deze heterogeniteit tot eenheid verbindt.

Op ‘zonder namen’ volgt het gedicht ‘met leestekens’. Deze tekst wordt beheerst door de vele leestekens die opgenomen zijn: punt, komma, puntkomma en dubbele punt. De titel is een reactie op het voorgaande programmatische gedicht (zonder versus met), maar levert ook op ironisch wijze een letterlijk commentaar op wat in de tekst zichtbaar wordt. Inhoudelijk wordt aan het slot van het gedicht commentaar geleverd: ‘het genot is gelijk een overdrijving, / grenzeloos.’ (p. 219). Alsof de poëticale standpuntbepaling in ‘zonder namen’ te zwaarwichtig is uitgevallen, neemt de dichterlijke stem hier even pauze voor een (typografische) grap, waarmee hij dan nogmaals een indirecte poëticale uitspraak doet: het gaat niet om mij, om mijn gevoelens of intenties, maar om dat wat zich aan de oppervlakte van de tekst voordoet.

In ‘zonder kleuren’, het vijfde gedicht uit de eerste reeks, resoneert een aantal gedachten die we in ‘zonder namen’ aantroffen. De titel biedt tegenwicht aan ‘zonder namen’ in die zin dat ook kleuren overbodig blijken: ‘Kleuren - het komt nog zo ver / dat ik ze afzweer’. De dichterlijke stem streeft ernaar te schrijven met een pen met kleurloze inkt: ‘zoals een blinde niet ziet / wat men zegt dat er is / maar zegt wat hij tast en betwijfelt’ (p. 220). Opnieuw worden we geconfronteerd met blindheid. In ‘zonder namen’ zag de dichter zich gedwongen te zwijgen uit ‘eenvoudige blindheid’, hier streeft hij ernaar te spreken zoals een blinde met zijn gevoelige tastzin spreekt en zijn eigen nooit waarneembare wereld creëert.

Niet spreken maar waarnemen, dat is het motto van deze woordvoerder. Dit idee kunnen we als de taalfilosofische component van Kouwenaars dichterschap beschouwen. De wetenschap dat taal het enige middel is om de werkelijkheid vorm te geven stuit op de paradox dat de meest werkelijke dingen niet onder woorden te brengen zijn. Woorden refereren niet onmiddellijk aan de werkelijkheid.

In ‘alles is er’ wordt dit helder beschreven: het is ochtend, er is licht, er zijn letters, maar: ‘de werkelijkheid [is] / op de grens van een werkelijkheid’ (p. 235). Alles is er en de dichter heeft woorden tot zijn beschikking om dit alles te benoemen, maar toch kan hij daarmee de werkelijkheid zoals zij is niet weergeven. Hij blijft balanceren op de rand van de en een werkelijkheid. Hij beseft dat zijn dichterschap geblokkeerd wordt door zijn onvermogen met namen de reële wereld op te roepen. Er rest hem niets dan ‘er ziende het zwijgen toe doen’ (p.

Het schrijven met kleurloze inkt resulteert natuurlijk in een niet leesbaar gedicht: als de letters zich niet met hun kleur (meestal zwart) aftekenen tegen het witte papier, zijn zij onzichtbaar en bestaan zij eigenlijk niet.

In ‘niet naamloos maar zonder namen’ uit de laatste reeks van de bundel keren deze poëticale standpunten nog eens terug. De nuance tussen naamloos en zonder namen heeft betrekking op de dichterlijke stem. Hij weet dat hij een naam draagt, dat hij bestaat en herinneringen met zich meevoert: ‘zoals ik een naam draag en zwaar op de aarde / liggend en staande, benoem [...] bezworen memoires, herinneringen’ (p. 271). Maar hij weet ook dat hij de dingen die hem omringen los van hun geijkte naam moet aanschouwen. Dat hij hun naam als vanzelfsprekendheid moet afwijzen. En dat hij bijvoorbeeld niet in staat is de smaak van een specifiek gerecht te benoemen.

Net als in ‘zonder namen’ wordt ook in dit vers het lichamelijke voorgesteld als iets primair werkelijks of stoffelijks dat zich aan naamgeving onttrekt. De ‘ik’ beschrijft het genot van eten en doet een poging de ervaring van het proeven weer te geven: ‘zich duur- / zaam te goed doen [...] / hazepeper en room: de volle kort- / stondige vrolijkheid die de huig hekelt’.

Evenals ‘zonder namen’ heeft dit gedicht eigenlijk geen einde: er staat een afbreekstreep die ons verder in het luchtledige laat wat betreft een definitieve punt achter het gedicht.

'Een voorjaarsmaaltijd': poëzie en eten verweven

In de derde reeks gedichten, ‘een voorjaarsmaaltijd’, lezen we opnieuw over de verweving van poëticale thematiek en beelden die met eten te maken hebben. Deze reeks sluit aan op een gedicht uit een eerdere bundel van Kouwenaar, De stem op de derde etage, waarin te lezen stond: ‘Een voorjaarsmaaltijd eet de vrede / van een lichte avond’ (p. 209). Alle acht verzen uit deze reeks zijn titelloos en beginnen met een hoofdletter. Vier van de gedichten worden niet afgesloten, maar eindigen met een afbreekstreep of puntloos. Zo wordt gesuggereerd dat zij in elkaar overlopen. Alle acht variëren zij op hetzelfde thema van de ‘voorjaarsmaaltijd’ en vormen met elkaar een samenhangende cyclus.

Het voorjaar trekt aandacht, doordat in de voorafgaande gedichten uit de tweede reeks diverse keren de herfst en winterkou werden beschreven. Het woord ‘voorjaarsmaaltijd’ refereert op twee manieren aan tijd: de suggestie wordt gewekt van een nieuw seizoen (denk aan de beginregel van Gorters Mei: ‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’) in combinatie met de handeling van eten die met een dagelijkse regelmaat terugkeert.

Het eerste vers uit deze cyclus opent met een omschrijving van de poëzie: ‘Poëzie - ik eet / om den brode’. De dichterlijke stem eet om te bestaan. We worden als lezer geconfronteerd met de vraag of hij de poëzie zelf eet of iets anders terwijl hij de poëzie aanspreekt. Is dit een parodie op het traditionele beeld dat de poëzie ‘brodeloze kunst’ is (zij levert geen middelen van bestaan op, de dichter is arm)? In de tweede regel stelt de ‘ik’ zich berustend op: ‘Laten wij / vlees blijven en doodgaan.’ De hele menselijke existentie komt tenslotte nergens anders op neer dan lichaam zijn en afsterven.

Het vlees zijn (in de zin van bestaan en brood nodig hebben om te leven) uit de derde regel weerklinkt in de slotregel waarin een vrouw (de ‘waarheid’) letters opeet en vlees spuwt. Haar maaltijd bestaat uit letters die zij fijnmaakt en als vlees weer afgeeft. Het woord is vlees geworden.

Eten is een vorm van vernietigen en verwerken. Dat wat gegeten is, komt als iets anders, iets nieuws, tevoorschijn. Als de poëzie in verband wordt gebracht met eten is het juist deze metamorfose van het materiaal waar het om gaat: de omzetting van de ene stof/substantie tot de andere.

Het vleesworden van woorden wordt in het tweede gedicht uit ‘een voorjaarsmaaltijd’ tegengesproken. Taal is helemaal niet in staat vlees (stoffelijk, tastbaar) te worden: taal is lucht. Taal maakt gedachten, ‘maar gedachten zijn lucht’, gedachten zijn ‘niets / dan springlevend doodgaan’. Taal is ‘zo dun / dat er geen soldaat onder wegschuilt / alleen levenden / gaan er dood aan - (p. 245). Bescherming hoeven we van de taal niet te verwachten. De poging steeds maar weer te benoemen ontneemt ons eigenlijk het leven. Toch is het ploeteren met taal (het doorzeuren, malen) niet alleen maar negatief.

In het derde vers schrijft de ‘ik’ ‘elk woord is uiteindelijk goed -’ en in het vijfde vraagt hij zich af of het woord uiteindelijk grond vindt en wortel schiet (‘ontkiemt’). In het achtste gedicht daarentegen is de toon weer minder hoopvol: ‘De wijsheid een witte kelder. Des- / ondanks dichtende. Zwarter gedicht. Zo / word ik weer dommer, lekker / biefstuk etend en oppassend / voor doodgaan’ (p. 251). Hier wordt eten voorgesteld als noodzakelijk kwaad om de dood tegen te houden. Eten omdat het lichaam gevoed moet worden om afsterven tegen te gaan. Eten en schrijven gaan tegen de wijsheid in.

De dood als constant thema

Er worden in deze bundel verschillende indringende beelden van de dood gepresenteerd. Op de eerste plaats valt op dat de dood overal tijdens het leven aanwezig is: ‘een mens / sterft meer dan hij kan leven / of herboren wordt’ (p. 267) is een gedachte die diverse malen gelezen kan worden.

In het veertiende gedicht van de tweede reeks filosofeert de dichterlijke stem over de niet vast te stellen balans tussen dood en leven: de wereld verwisselt ‘de ene dood / met het andere leven’ maar waarschijnlijk is het omgekeerde evenzeer gel...

labels:

Zie ook: