Naast de waarden dierenwelzijn en de integriteit van het dier zijn er ook nog andere waarden die een rol spelen in de omgang met dieren. Van oudsher hebben mensen ook ervaren dat dieren voor hen van nut kunnen zijn. Zo zijn dieren een bron van voedsel geworden en zijn er werkdieren, proefdieren en huisdieren ontstaan. Dit gebruik kan botsen met de waarden dierenwelzijn en integriteit van het dier en maakt dat er een spanning ontstaat tussen de belangen van de mens en de belangen van het dier.
Hoe ga je daarmee om? Welk belang weegt zwaarder? De juiste oplossing is niet altijd op voorhand duidelijk. Wanneer er een conflict tussen waarden is en het morele probleem niet of zeer moeilijk oplosbaar is, heb je te maken met een ethisch dilemma. Geen enkele oplossing komt tegemoet aan alle waarden die in het geding zijn, aan iedere oplossing zitten wel nadelen. Niet alleen kun je zelf voor een dergelijk dilemma komen te staan, maar ook tussen mensen met verschillende opvattingen ontstaan ethische dilemma's.
Ethische theorieën
Mensen kijken verschillend naar ethische kwesties en redeneren verschillend over wat ze goed of fout handelen jegens dieren vinden. Dit weerspiegelt de complexiteit van het denken over wat het goede is om te doen. Mensen hanteren in hun redeneringen verschillende argumenten. Vanuit de ethiek is naar deze argumenten gekeken en zijn een aantal ethische theorieën geïdentificeerd die een rechtvaardiging geven voor een keuze of handeling. Deze theorieën zijn behulpzaam in discussies over morele vragen, omdat argumenten van mensen met deze theorieën beter kunnen worden begrepen en geduid.
Drie regelmatig terugkomende ethische theorieën zijn:
- Gevolgenethiek of consequentialisme: Of een handeling jegens een dier goed of fout is, wordt volgens deze theorie bepaald door te kijken naar de gevolgen van die handeling. Ons handelen is moreel juist indien de gevolgen bijdragen tot meer geluk of minder lijden. Het morele aspect in deze strategie is dat we niet uitgaan van het eigenbelang maar van het belang of nut voor iedereen. Het utilisme kijkt naar nut, een handeling is moreel juist als zij het grootste mogelijke overwicht van goede over kwade gevolgen voor een zo groot mogelijke groep tot stand brengt. Het utilisme is de meest voorkomende variant van de gevolgenethiek (ook wel consequentialisme genoemd). De grondleggers van deze gevolgenethiek zijn de filosofen Jeremy Bentham (1748-1832) en John Stuart Mill (1806-1873). Maar daarbij is wel de vraag met de gevolgen voor wie rekening moet worden gehouden? Alleen mensen of ook dieren, het milieu, de natuur?
- Plicht- of beginselethiek (ook deontologie genoemd): Of een handeling jegens een dier goed of fout is, wordt volgens deze theorie bepaald door te kijken naar de aard van de handeling. Is de handeling an sich juist? Aan een handeling die als moreel juist wordt beoordeeld, ben je verplicht je te houden. Immanuel Kant (1724-1804) is de grondlegger van de plichtethiek. Een voorbeeld van de plichttethiek is dat de handeling 'liegen' een moreel onjuiste handeling is en dat je dat dus niet behoort te doen. De gevolgen van een handeling zijn niet irrelevant, maar deze theorie stelt dat de vraag of een handeling moreel juist of onjuist is niet alleen afhankelijk kan zijn van de (toevallige) gevolgen. Vanuit de gevolgenethiek kan hier anders naar worden gekeken. Een 'leugentje voor eigen bestwil' kan bijvoorbeeld moreel juist zijn, omdat de gevolgen van het liegen positief zijn.
- Deugdethiek: In de deugdethiek gaat het in eerste instantie om de vraag ‘wat voor een persoon behoor/wil ik zijn’ en pas in tweede instantie om het geven van regels en principes en om de vraag welke handeling of keuze moreel juist is. Een deugd is geen handeling maar een karaktertrek. Deze zorgt dat je kiest voor het goede. Voorbeelden van deugden zijn: eerlijkheid, integriteit, compassie, vriendelijkheid, matigheid. Aristoteles (384 v. Chr. - 322 v. Chr.) is de grondlegger van de deugdethiek. Al deze deugden leiden tot een bepaald gedrag jegens anderen. Wat deugdzaam is kan per context verschillen. In de praktijk kan deugdethiek complementair zijn aan de plichtethiek.
Zorgethiek
De zorgethiek is een ethische theorie die ook steeds meer in het kader van de dierethiek wordt gebezigd. Deze ethiek is afkomstig uit de gezondheidszorg en legt de nadruk op (zorg)relaties die mensen met elkaar hebben. Mensen zorgen samen samen voor een leefbare wereld door wederkerige relaties met elkaar te onderhouden. Het achterliggende idee van de zorgethiek is dat relaties een intrinsieke waarde hebben.
De basis van de zorgethiek wordt gevormd door de erkenning van het feit dat ieder mens als gevolg van zijn of haar lichamelijkheid en kwetsbaarheid afhankelijk is van de zorg van anderen. Goed leven is een vorm van leven die recht doet aan deze afhankelijkheid. Volgens de zorgethiek heb je als mens ten opzichte van medemensen waar je een speciale relatie mee hebt, andere plichten dan met hen die verder weg van je staan. Wanneer je de zorgethiek vertaalt naar relaties met dieren gaat het om de mate waarin een dier leeft in een omgeving die door de mens wordt bepaald.
Bij dieren die worden gehouden en leven in een omgeving die voornamelijk door de mens wordt bepaald zoals huisdieren, productiedieren, proefdieren en werkdieren, zou dat betekenen dat je een grote 'specifieke zorgplicht' hebt. Dat wil zeggen dat je als mens zorg moet dragen voor het welzijn van het individuele dier.
Veranderende moraal en nieuwe vraagstukken
Er zullen zich altijd weer nieuwe ethische vraagstukken in relatie tot de omgang met dieren voordoen. Nieuwe wetenschappelijke kennis. Waarden en normen (de moraal) die in de loop der jaren veranderen. Zo hechten we nu veel meer belang aan een gezond milieu, dierenwelzijn en biodiversiteit dan aan het begin van de 20e eeuw. Een zeer recent voorbeeld van een verandering in moraal is het verbod op de nertsenhouderij in Nederland per 1 januari 2024. Op deze algemene vraag zullen de meeste mensen antwoorden dat dieren niet mogen lijden en met respect moeten worden behandeld. Maar wat betekent dat precies in concrete situaties?
Conflicten en polarisatie
Uiteenlopende opvattingen over het houden van dieren kunnen leiden tot polarisatie, conflicten zelfs. De verwarring is vaak groot doordat in de discussie verschillende ethische beginselen door elkaar worden gehaald.
De vijf vrijheden van Brambell
Het dierenwelzijnsbeleid dat jarenlang is gevoerd, heeft geleid tot enkele aanpassingen hier en daar. Maar aan de zogeheten vijf vrijheden van Brambell, die tot dusver leidend waren bij de beoordeling van het welzijn van gehouden dieren, wordt nog altijd niet volledig voldaan. Dieren in de veehouderij hebben doorgaans geen honger en dorst, maar ze ervaren geregeld ongerief en zijn kwetsbaar voor allerlei ziekten. Ook de vrijheid om normaal gedrag te vertonen en de vrijheid van angst en spanning zijn onvoldoende gegarandeerd. Daarnaast zijn integriteitsschendingen aan de orde van de dag.
Het morele kompas van Gremmen
Om de immorele aspecten van de veehouderij te kunnen aanpakken, moet er een specifieke ethiek komen, vindt Gremmen. Bestaande ethische benaderingen zijn elk afzonderlijk ontoereikend, of niet toepasbaar. Ze brengen oplossingen die een einde moeten maken aan morele systeemfouten niet dichterbij. In de contractethiek heeft het dier geen morele status.
De vier bestaande ethische benaderingen, met een centrale plaats voor de zorgethiek. De mate waarin intrinsieke waarde en autonomie worden toegekend aan dieren is bepalend voor de ethische beginselen die men kan hanteren. De contractethiek is de belangrijkste ethische benadering voor de moderne, economisch georiënteerde veehouderij. Dieren hebben geen morele status. Er is een verschil in relaties tussen mensen onderling en de relaties tussen mensen en andere dieren.
De welzijnsethiek is gebaseerd op het streven naar welzijn van alle betrokken partijen, dus ook van dieren. Belangen van mensen en dieren zijn in principe hetzelfde. Vanuit deze ethiek geredeneerd is veehouderij per definitie uitgesloten, omdat daarin de belangen van mensen voorop staan. De dierenrechtenethiek houdt in dat mensen en dieren dezelfde rechten hebben. Dieren hebben een morele status. Veehouderij is per definitie uitgesloten.
Geen van de vier ethieken kan volgens Gremmen dienen als moreel kompas voor het houden van grote aantallen dieren. Hij zocht daarom naar een alternatief en kwam uit bij de zorgethiek, met als belangrijke waarden respect en zorgvuldig handelen. Hij integreert ze in een nieuw ethisch kompas, waarin zorgzaamheid gebaseerd op zorgethiek een centrale plaats inneemt. Over de ene as zet hij de mate van intrinsieke waarde van dieren uit en over de andere as de mate van autonomie.
Volgens Gremmen is er inmiddels consensus over dat systemen moeten worden aangepast aan het dier en niet omgekeerd. Maar de vertaling naar de praktijk laat nog op zich wachten.
Dierenwelzijnswetten
Er zijn verschillende wetten, richtlijnen en regelgevingen die wereldwijd zijn aangenomen om het concept van dierenwelzijn wettelijk vast te leggen. Een goed voorbeeld van dergelijke wetgeving is de Animal Welfare Act 2006 in het Verenigd Koninkrijk. Volgens deze wet hebben eigenaren en verzorgers van dieren een juridische verantwoordelijkheid om goed voor de dieren in hun zorg te zorgen. Dit houdt in dat aan al hun behoeften moet worden voldaan, inclusief het bieden van geschikte leefomstandigheden en een passend dieet.
Het belang van dierenwelzijn
- Ethische overwegingen: Dieren met mededogen en respect behandelen weerspiegelt de waarden van onze samenleving.
- Impact op het milieu: Betere dierenwelzijnspraktijken kunnen sommige milieueffecten verminderen en duurzaamheid stimuleren.
- Zorgwekkende kwesties op het gebied van de volksgezondheid: Het waarborgen van goed dierenwelzijn kan helpen het risico van ziekteoverdracht te verminderen en de volksgezondheid te bevorderen.
- Economische voordelen: Investeren in dierenwelzijn kan aanzienlijke economische voordelen opleveren voor sectoren die afhankelijk zijn van dieren.
Grondrechten voor dieren?
Moeten dieren daarom grondrechten krijgen? En als dát een stap te ver is, zijn er dan alternatieven om ze een betere rechtspositie te geven? Dat zijn vragen waarop Janneke Vink in haar promotieonderzoek uit 2019 antwoord geeft.
Het meest gehoorde argument om dieren geen grondrechten te geven, is dat ze geen plichten kunnen dragen. Maar er zijn ook mensen die onze regels niet begrijpen en dus geen plichten kunnen dragen. Denk aan baby’s of mensen met een geestelijke handicap of ernstige dementie. Het is dus niet zo dat je alleen rechten kunt hebben als je ook plichten kunt dragen. Dat dieren geen plichten kunnen dragen hoeft dus geen beletsel te zijn om ze grondrechten te geven.
Op korte termijn ligt het grondwettelijk opnemen van dierenwelzijn als staatsdoelstelling daarom meer voor de hand. Door dierenwelzijn in de Grondwet op te nemen, erkent de staat zijn verantwoordelijkheid hiervoor. Dat geeft mensen die opkomen voor dierenbelangen een stevigere stok om mee te slaan, bijvoorbeeld richting een minister die verantwoordelijk is voor de handhaving van dierenwelzijnsregels.
De vraag moet eigenlijk ook niet zijn of het juridisch haalbaar is om dieren rechten te geven. Als wij als samenleving vinden dat het rechtvaardig is, dan moeten we ervoor zorgen dat het kan. Ik kan me voorstellen dat huisdieren en dieren die qua intelligentie het meeste op ons lijken, zoals chimpansees, orka’s en olifanten de meeste kans maken om ooit in aanmerking te komen voor grondrechten.
labels: #Hamburg
Zie ook:
- Plastic Soep & Dieren: Gevolgen & Oplossingen
- Dieren Taart Maken: Inspiratie & Simpele Recepten
- Bakkerij Koers Dieren: Vers Brood & Heerlijk Gebak
- Ontdek de Verbazingwekkende Waarheid: Fabels en Feiten over Eten, Drinken en Gezondheid!
- Ontdek De Absolut Mule Cocktail: De Ultieme Verfrissende Klassieker Die Je Moet Proberen!




