Vandaag de dag, met de luxe van een overvloedige keuze aan voedsel, is het belangrijk om stil te staan bij de offers en aanpassingen die mensen tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben moeten maken om te overleven. In die tijd was er weinig eten en viel er al helemaal niets te kiezen. Wat aten de Nederlanders tijdens de oorlogsjaren?
Het Eetpatroon Voor de Oorlog
Voor de oorlog uitbrak, was het eetpatroon van de Nederlanders anders dan we misschien verwachten. In de jaren dertig was er sprake van een behoorlijke crisis. De meeste mensen nemen tegenwoordig aan dat door welvaartsgroei de kwaliteit en veelheid aan voeding in de twintigste eeuw alleen maar toenam (met uitzondering van de jaren ’40). Dit is wel enigszins het geval, maar het is niet helemaal juist.
Na de beurskrach van 1929 raakte de Westerse economie in een depressie. Er volgde een periode van jarenlange economische misère. Er was ongekend hoge werkloosheid, die Nederland daarna ook nooit meer heeft gezien. De strakke hand van onze premier destijds, Hendrikus Colijn, hielp niet mee. Door het rigide, strenge beleid, werd Nederland nog vele malen harder geraakt door gevolgen van de beurskrach, was de werkloosheid hoger dan in omringende landen én duurde het veel langer voordat Nederland uit deze crisis kon opkrabbelen.
In de jaren dertig aten mensen namelijk behoorlijk vet en rijk. Zoals het citaat van Ina Boudier-Bakker al laat zien, werden er vooral veel dierlijke producten geconsumeerd, met daarnaast veel aardappelen. Een typische maaltijd bestond uit vet vlees, zoals spek of klapstuk, met aardappelen en (mee)gekookte groente en fruit. Vis was goedkoper dan vlees, dus armere mensen aten vooral paling, haring en mosselen.
Het belangrijkste component was vet: bij het ontbijt stond er volle melk en roomboter op tafel, en het brood was wit. Groente werd niet belangrijk gevonden en vaak gesubstitueerd door fruit. In de 1937 deelde de Nederlandse overheid voor het eerst melk uit aan Rotterdamse schoolkinderen. Dit was om ervoor te zorgen dat kinderen, ondanks de armoede, voldoende melk te drinken kregen. Dit is zowel vreemd als tekenend voor de voeding gedurende de jaren dertig. Aan de ene kant was er grote armoede, maar aan de andere kant was er meer dan genoeg voedsel. Echter, omdat het crisis was, was iedereen uitermate bang dat dit op elk moment voorbij kon zijn.
De Impact van de Oorlog op de Voedselvoorziening
In het jaar 1939 begonnen er al enkele zaken te veranderen. Suiker kwam als eerste product ‘op de bon’, zoals ze dat noemden. Middels distributiebonnen werd voedsel verdeeld onder de bevolking. Suiker werd het eerste voedingsmiddel waarmee werd geoefend met dit distributiesysteem. Iedereen had recht op 500 gram suiker per twee weken. Per persoon per dag wordt zo’n 68 gram suiker gegeten.
Nederland was al enkele decennia vóór de bezetting in sterke mate afhankelijk van zowel import als export. Import omdat we vooral granen, plantaardige olie en noten uit andere landen importeerden en export omdat we de meeste groente exporteerden (zoals je hierboven al kon lezen, aten de Nederlanders dit toch niet zelf op). De landbouw werd dan ook drastisch aangepakt doordat akkerbouw de veeteelt verving. Dit betekende dat ook het dieet van de Nederlanders drastisch veranderde: ze konden veel minder vlees en zuivel eten en veel meer granen. Dat werd ervaren als een sterke verarming. Desalniettemin bleven melk, boter en kaas, hetzij in mindere mate, beschikbaar. Omdat de meeste kippen werden geslacht, waren eieren bijna niet meer verkrijgbaar. Het witte brood wordt bruin. Er werd veertig procent minder suiker geconsumeerd en koffie, thee, specerijen en chocolade werden steeds moeilijker verkrijgbaar.
Vlees was steeds moeilijker verkrijgbaar, al ontvingen mensen wel vleesbonnen. Ook de visserij komt stil te liggen, doordat de nazi’s zich de boten toe-eigenden. Nederlandse huisvrouwen worden vermaand om aardappelen niet te schillen en korter te koken. Zo wordt alles van de aardappel gebruikt en gaan er weinig voedingsstoffen verloren. Omdat er meer groente wordt verbouwd en er nauwelijks nog wordt geëxporteerd, wordt groente een belangrijk onderdeel van het Nederlandse menu. Ook zijn er alleen nog inheemse vruchten verkrijgbaar.
De Duitsers richtten in 1941 het Voorlichtingsbureau van den Voedingsraad op. Dit staat tegenwoordig bekend als Stichting Voedingscentrum Nederland. Dit werd opgericht door de Duitse bezetter om een dreigend vitamine C tekort onder de Nederlandse bevolking te voorkomen.
Het Distributiesysteem
De bedoeling van het bonnensysteem, dat al voor de oorlog werd geïnitieerd, was dat schaarse producten eerlijk verdeeld werden en hamsteren werd voorkomen (klinkt bekend dit). Elke Nederlander kreeg een persoonlijke kaart, waarmee je bonnen kon ophalen in het distributiekantoor. Op de bonnen stonden nummers met producten en hoeveelheden. Welk nummer wanneer geldig was werd via de krant bekend gemaakt. Omdat de kaart en dus de bonnen alleen aan legale Nederlanders werden uitgereikt, was het verzet actief om de bonnen te stelen en vervalsen om zo aan eten voor onderduikers en illegalen te komen. Het was trouwens niet zo dat een bon de kosten voor een product verving: je moest nog steeds netjes je boodschappen betalen, alleen de bon gaf aan op welk deel jij recht had.
Vanwege dit distributiesysteem bloeide er een zwarte markt op van voedingsmiddelen. Mensen handelden illegaal in producten om te overleven of om te profiteren van de schaarste. Omdat er steeds minder luxe producten waren, kwamen er steeds meer namaakproducten. Deze werden “surrogaat” genoemd. Cichorei, een soort bittere andijvie, werd bijvoorbeeld gebruikt voor surrogaatkoffie. Ook thee was niet meer verkrijgbaar.
Iets dat mij altijd bevreemde als ik dagboeken las uit de periode van de oorlog, mensen hoorde vertellen in interviews of wanneer ik boeken las of films zag, was dat de horeca leek te floreren. Maar wat bleek, dat wás ook zo: mensen verveelden zich en zochten afleiding. Mensen gingen dus gewoon uit eten en naar het café. Soms moest je in een restaurant wel met bonnen betalen, als er bijvoorbeeld vlees in een gerecht zat. Er waren wel allerlei nieuwe regels waaraan de horeca zich diende te houden. Zo mocht er vanaf augustus 1941 geen Frans meer gebezigd worden op de menukaart. Bouillon werd zodoende ‘vleesnat’ en de menukaart heette vanaf toen ‘spijskaart’. Ook drank is niet meer vrij verkrijgbaar en werd schaars. Bier was beschikbaar, maar de kwaliteit liep hoe langer de oorlog duurde, hoe meer terug.
Schaarste en Creativiteit
Hoe verder de oorlog vordert, hoe minder voedingsmiddelen er toegankelijk zijn. De overheid stimuleert de bevolking om groente en fruit te ‘rapen, plukken en verzamelen’ en om zelf voedsel te verbouwen. Hierdoor wordt er steeds meer groente, fruit en aardappelen gegeten.
Het meest bijzondere was nog wel dat de Nederlanders kennelijk zó van vlees hielden, dat huisdieren niet meer veilig waren.
De omstandigheden zijn in zowel de Europese concentratiekampen, als de Jappenkampen een stuk schrijnender. De gevangenen krijgen eerst slechts twee maaltijden per dag en later nog maar één. Die maaltijden bestaan uit groenteafval, zoals kool en aardappelschillen, en water. Soms krijgen ze een klein stukje hard brood, gemaakt van zaagsel. Het eten is van erg slechte kwaliteit en met regelmaat bedorven. ’s Ochtends is er een klein bekertje ‘koffie’, gemaakt van water dat vol bacteriën en ziektes zit. Vele mensen worden ziek of sterven van de ondervoeding.
De Hongerwinter
In de winter van 1944 gaat het volledig mis in het westen van Nederland. Het zuiden is dan al bevrijd en de spoorwegmedewerkers staken. De Duitsers worden ondertussen ingesloten door de geallieerden, waardoor voedingsdistributie geen prioriteit is. De winters in de oorlog waren allen koud, maar die van 1944 is nóg strenger. Al deze omstandigheden zorgen ervoor dat het Westen raakt afgesneden van de toevoer van noodzakelijke voedingsmiddelen en brandstof. Er is geen vet meer beschikbaar en alles wat er maar te verzinnen is verdwijnt in de houtkachel. Speelgoed, kunst, brieven, persoonsdocumenten: niks kan gespaard blijven.
Voorheen werden de steden met zuivel bevoorraad door het platteland, maar door de bombardementen en de spoorwegstaking zijn er bijna geen toegangswegen meer beschikbaar. Er zijn alleen nog aardappelen en brood verkrijgbaar, maar daarvan is er veel te weinig om de bevolking te voeden. Dit is dan ook de periode waarin de bloembollen worden gegeten, net als suikerbieten. Er wordt informatie verspreid over hoe je deze het best kun bereiden, maar het is niet voor niets dat dit in ons collectief geheugen gegrift staat.
Begin 1945 leverde het Rode Kruis Zweeds wit meel aan de steden. Mensen waren dolblij en konden eindelijk weer eens brood bakken. In diezelfde periode werden 40.000 stadskinderen naar het platteland geëvacueerd, zodat ze daar goed konden eten.
De Bevrijding en de Jaren Daarna
Toen Nederland werd bevrijd, was het hongerprobleem niet acuut opgelost. Er werden voedselpakketten gedropt, maar het duurde soms wel weken voordat iedereen hier toegang toe had. Er was dus ook na de oorlog nog veel honger. Het duurde bovendien jarenlang eer de internationale handel weer op gang kwam. Daardoor bleven veel producten, met name luxeproducten, nog jarenlang enkel op de bon verkrijgbaar. Er was weliswaar geen honger meer, maar nog wel grote schaarste. In 1947 staken de huisvrouwen dan ook tegen de kleine hoeveelheden vlees die beschikbaar zijn.
Na de oorlog werd er dan ook besloten dat er in Nederland nóóit meer honger mocht zijn. Dat heeft geresulteerd in een gigantische agrarische operatie, met enorme productieoverschotten tot gevolg.
De Centrale Keuken in Zwolle
De Rijksoverheid nam in het voorjaar van 1941 het initiatief om overal in den lande noodkeukens te openen. Gemeentes werden opgeroepen dergelijke keukens in te richten, waarbij werd opgemerkt dat de keukens zo eenvoudig mogelijk gebouwd moesten worden; liefst van hout. Zo kon zoveel mogelijk geld ten goede komen aan het verstrekken van warme maaltijden. Verwachte moeilijkheden met de voedselvoorziening en het bevorderen van een zuinig gebruik van de schaarse voedingsmiddelen waren de redenen om tot het inrichten van noodkeukens over te gaan.
De maaltijden zouden zoveel mogelijk in overeenstemming met de geldende voedingsleer worden samengesteld: dus voldoende vet, vezels en voedingswaarde. De maaltijden werden niet contant betaald. Ongetwijfeld was dit bedoeld om snelheid bij de uitdeling van de maaltijden te garanderen. Bij inlevering van vier vleesbonnen, een halve vet of boterbon en een kwart peulvruchtenbon kreeg men een knipkaart. Op vertoon van die knipkaart kon men of wel een dagkaart à 13 of 25 cent krijgen, of wel een halve weekkaart aanschaffen. In beide gevallen werden er vakjes op de knipkaart ongeldig gemaakt door een knipje. De maaltijden konden ook thuis worden bezorgd à 30 cent per week.
De Centrale Keuken in Zwolle was in beginsel in staat om 6000 porties per dag te leveren aan de bevolking. Dit kon eventueel worden opgevoerd tot 12.000 porties per dag indien er twee keer gekookt werd. Het eten werd niet alleen uitgeleverd aan de Nieuwe Markt. Er waren aanvankelijk ook uitdeelposten ingericht in de Tweede Weidjesstraat, de Vechtstraat en de Musschenhage. In speciale gamellen werd het eten daarheen vervoerd en daarna uitgedeeld. Later werd nog een uitdeellokaal aan de Rembrandtlaan in gebruik genomen.
Hoewel er in 1941 in totaal zo'n 168.000 porties geleverd werden, betekent dit teruggerekend maar ongeveer 950 porties per dag; veel minder dus dan waarmee rekening gehouden werd. De Centrale Keuken draaide dan in dat jaar ook met verlies. Blijkbaar was de nood onder de Zwollenaren nog niet zo hoog gestegen en konden zij zich op andere wijze van voedsel voordien. Zwolle lag immers te midden van een land- en tuinbouwgebied en de aanvoer van voedsel zal de eerste tijd niet al te problematisch geweest zijn.
In de loop van de jaren zou echter de behoefte aan de warme maaltijden van de Centrale Keuken stijgen. De maaltijden werden vanaf eind 1941 ook via fabrieken verstrekt. Op deze wijze werden de werknemers voorzien van een voedzame maaltijd en waren zij dus in staat hun werk naar behoren te verrichten. Het aantal porties dat werd uitgereikt steeg tot zo'n 2000 per dag. Tot september 1944 zou tussen de 3,5 en 5% van de Zwollenaren dagelijks een warme maaltijd van der Centrale Keuken betrekken. Nog steeds bleek de voedselsituatie niet nijpend. Daar kwam bij, dat er in Zwolle ook volkstuintjes in gebruik genomen worden om zelf nog wat groente of aardappelen te verbouwen.
In de voorschriften van het rijk uit 1941 werd uitgegaan van een grote variatie in het door de Centrale Keuken uit te delen eten. In Zwolle werden er, afhankelijk van de grondstoffen, zes menu's aangeboden, liefst bestaande uit aardappels, vlees en groente. Naarmate de oorlog vorderde nam de variatie af en ook de hoeveelheid van de verschillende ingrediënten. De gemeente legde wel een zo groot mogelijke voorraad groente, aardappelen en peulvruchten aan en sloeg deze onder andere op in molen De Passiebloem. Desondanks werd er zuinig met de grondstoffen omgesprongen.
Pas na de zomer van 1944 groeide het aantal dagelijks porties snel. Dit kwam ook, doordat de Organisation Todt - die in Zwolle en omgeving verdedigingswerken aanlegde tegen de naderende geallieerden - maaltijden afnam voor de werkers en gravers. Om toch voor de eigen bevolking voldoende maaltijden te kunnen bereiden, werden noodkeukens ingericht in melkfabriek De Eendracht in de Berkumstraat, de Blokmelkfabriek in de Kamperpoort en in het gebouw van de Noordoostpolderwerken aan de Vondelkade. Voor een noodkeuken in Assendorp werden voorbereidingen getroffen. Het aantal medewerkers bedroeg in februari 1945 al ruim 80. Per dag werden er dan soms ook ruim 15.000 porties bereid en uitgedeeld, wat betekent dat naast de werkers van de Organisation Todt bijna een kwart van de Zwolse bevolking gevoed werd met de maaltijden van de Centrale Keuken en de noodkeukens.
Niet alleen het gebrek aan voedsel als gevolg van de slechte oogst van 1944 en de slechte weersomstandigheden deed de behoefte aan warme maaltijden van de Centrale Keuken groeien, maar ook de schaarste aan brandstof - gas werd nog maar twee maal per dag 30 minuten verstrekt - en de stroom vluchtelingen die opgang gekomen was in de Hongerwinter. De kwaliteit van het eten was inmiddels echter achteruit gegaan. De hoeveelheid vlees per portie was gedaald, terwijl de hoeveelheid aardappels relatief groeide. Over het geheel genomen daalde de hoeveelheid vast voedsel in de porties. Het vet was vervangen door melkpoeder, waardoor de houdbaarheid beperkt werd: het eten werd gauw zuur. De kwaliteit van de andere voedingsmiddelen liet in deze maanden ook ernstig te wensen over. Per persoon waren er per dag slechts enkele plakken beschikbaar van wat doorging voor brood.
Toch kan niet gezegd worden, dat er in Zwolle een werkelijke Hongerwinter heeft plaatsgevonden zoals in het westen van het land. Hoewel menigeen met een rammelende maag zal hebben rondgelopen, gaat het te ver om te stellen dat in Zwolle mensen van de honger zijn omgekomen. Zij die op hun zoektocht naar eten in de winter van 1944/1945 bij Zwolle de IJsselbrug overkwamen, werden in de stad opgevangen en werden voorzien van het nodige om weer verder te kunnen trekken.
De eerste weken na de bevrijding van Zwolle op 14 april verbeterde de voedselsituatie nauwelijks. Pas na juni 1945, toen de oorlog in Europa definitief was beslecht, kwam het verkeer weer op gang en kon de eerste oogst plaatsvinden. Gas en electriciteit werden nog steeds mondjesmaat geleverd, zodat er nog steeds behoefte bestond aan maaltijden van de Centrale Keuken.
Conclusie
Dus wat blijkt, mensen in de oorlog aten eigenlijk wel een beetje zoals wat vandaag de dag de mode is. Het beperken van vet, zuivel, vlees en vis, veel groente en veel zelf verbouwen. Mensen werden uit pure noodzaak zelfvoorzienend. Dat is geen vrijheid, maar een overlevingsstrategie.
Tegenwoordig hoef je, ondanks misschien grote angst voor een toiletpapiertekort in maart 2020, je echt nergens zorgen over te maken. Je hóéft niet zelfvoorzienend te gaan leven of een moestuin beginnen, je mág! En je mag ook net zo vet en vleesrijk eten als de Nederlander in de jaren dertig. Dat staat in schril contrast met de ruwe overgang die Nederland in 1940 meemaakte en bewijst voor mij hoe belangrijk vrijheid is. Je bent vrij om te kiezen wat je eet, wanneer je eet en hoe je het eet.
labels:
Zie ook:
- Koolhydraatarme Soep: Heerlijke Recepten & Wat Je Eet Ebij!
- Eten voor de TV: Snelle & Gemakkelijke Recepten voor een Gezellige Avond
- Taart Eten Utrecht: De Beste Adressen voor een Zoete Verwennerij
- Gezond Eten Zonder Koken: Snelle, Makkelijke & Voedzame Ideeën!
- Pizza Plus Aanbieding: De Beste Deals voor Jouw Pizza Avond!
- Pizza met Zuurkool: Verrassend Lekker & Anders!




