De tekst neemt ons mee op een persoonlijke reis, doordrenkt met observaties en reflecties. Het startpunt is een vroege ochtend, wanneer het nog donker is, en de wandeling begint om half acht. Omdat het niet eerder licht is dan 7:00 uur om half acht vertrokken en het dorp uitgelopen.
De route begint met een lange aanloop langs de Carretera, de hoofdweg. De kilometers worden keurig aangegeven op de paaltjes langs de weg. Dit komt omdat de eigenlijke route door een Finca (landgoed) verboden is. Dit betekent wel de blik op oneindig zetten en genieten van het steen - en kurkeiken landschap rondom met de kudden vee.
Zo hier en daar proberen wilde perenbomen langs de weg vruchten te geven, maar dit mislukt jammerlijk door de grote droogte. De weg voert steeds omhoog. Eigenlijk ga je meer en meer op tijd lopen en denk je; ik maak ongeveer 4 km per uur dus is elke km ca. 15 minuten.
Het valt op dat langs de weg nogal wat weggegooide plastic flessen liggen en andere troep. Eindelijk komt een wachthuisje te voorschijn waar rechts afgebogen kan worden in een landschapspark “el Berrocal”. Nu gaat het door een steen - en kurkeiken landschap langs een brandweertoren tot de gebouwen van de oorspronkelijke Finca worden bereikt.
Het is uitgestorven, maar op de binnenplaats kan in ieder geval water worden getapt uit een kraan. Het landschap is bergachtig, bebost, verlaten en mooi. Na de Finca doorlopen op een steeds smaller wordende asfaltweg, welke overgaat in wat het Duitse routeboek een “schrotterweg” noemt. Beneden schittert door de bomen een klein stuwmeer.
Toen ineens een roedel herten opdoemde wist ik dat het echt fout zat; hier kwam nooit iemand. Welke route ook, overal zie je dezelfde gele pijlen. De pijlen worden aangebracht met een lik gele verf op een boom, steen, straatrand of muurtje. Helaas is niet altijd even duidelijk welke richting men nu opmoet.
Vaak heeft men bij een tweesprong de pijl vergeten. Enig logisch nadenken is noodzakelijk. Deze route loopt tot de afslag naar Sanabria naar het noorden en vaak parallel aan de Autobaan of de Carretera. Een kompas kan hier behulpzaam zijn. Pas dus op als de richting plotseling verandert.
Soms zijn pijlen overwoekerd of verwijderd en het is welhaast onvermijdbaar dat de verkeerde weg wordt ingeslagen. Dit gebeurde bijna elke dag wel eens. Je loopt hierdoor nogal een paar kilometer extra. Vooral in de steden is de bepijling vaak slecht of afwezig. Hier moet je zorgen de goede uitvalsweg te vinden.
De Spaanse “Amigos de Santiago” verzorgen deze pijlen, waarbij elke afdeling een traject doet. De verschillende provincies hebben op regelmatige afstanden stenen zuilen staan. In Andalusië zijn dit basalten zuilen met pijl, in Extremadura lage stenen vierkanten, met een markering van groene en gele tegels of men op de historische Via de la Plata loopt of niet.
Galicië heeft de mooiste stenen met een symbool van de Jacobsstaf met kalebas erin gebeiteld. Hier overheen heeft men toch nog vaak de gele pijl aangebracht. Buiten het feit dat deze afstand niet altijd klopt, (ondanks het aangeven tot in tienden achter de komma!) zijn de meeste koperen plaatjes verwijderd.
De beekdalen zijn volop begroeid met roze oleanders en hier en daar is nog een klein beetje water met de laatste vissen tussen de stenen te zien. Het is nu 13:00 uur geweest en de hitte slaat ongenadig toe. Lange paden voeren door een Eucalyptus bos en men doet pogingen een naaldbos aan te leggen.
Dit gaat erg moeizaam en zal alles met de droogte te maken hebben. De Eucalyptus gaat gemakkelijker. Deze bomen worden groot en zaaien zichzelf. Ze ruiken kruidig en lekker, zijn verder wel saai en er is grote weerstand van natuurorganisaties tegen deze exoot afkomstig uit Australië, die hier eigenlijk niet thuishoort en de oorspronkelijke vegetatie dreigt te verdringen.
Het laatste stuk wordt extra zwaar. Steil gaat het omhoog tot op de bergrug een uitkijkpunt wordt bereikt. Hier bleek men voorbereidingen voor een dorpsfeest te treffen en stonden overal tenten en stalletjes. Gauw een stapelbed uitgekozen. In dezelfde ruimte sliep ook een pelgrima die vanaf Gibraltar was gestart.
Ze zat in de lappenmand en was al enkele dagen hier. Wat een wonder, ze sjouwde 25 kg aan rugzak mee! Ik adviseerde haar er onmiddellijk 10 kg uit te gooien, omdat anders Santiago wel nooit gehaald zou worden. Al met al kreeg ik de indruk dat ze een poco loco was. Het leuke is dat je op de route allerlei vreemde vogels tegen komt. (misschien vinden ze dat van mij ook wel!) Mensen met problemen in hun relaties, huwelijk, werk, kortom op een keerpunt in hun leven staan.
‘s Avonds wat boodschappen in het winkeltje voor de volgende dag. Natuurlijk frisdrank, meestal in 2 liter flessen en het liefst een soort gazeuse, wat ik lekkerder vond dan de te zoete Fanta of Cola. Deze fles goot ik over in een 1,5 liter fles welke goed in de rugzak paste en zorgde verder twee kleine plastik Sisi flesjes van 250 cl te vullen, welke ik nog van huis had meegenomen.
Deze flesjes paste precies in de zijvakken van mijn rugzak en werden uitsluitend gebruikt als noodrantsoen. Hier werd een lekker menu geserveerd. Inmiddels waren ook verschillende, vooral Spaanse fietspelgrims gearriveerd. Aan de bar was het een gezellige boel en al gauw kwam ik aan de praat met wat later een Spaanse leraar bleek te zijn.
Deze had vakantie en nam het er met zijn hele familie goed van. De meeste Spanjaarden hebben de wens eenmaal naar Santiago te gaan, maar ja het komt er nog niet van. Het is uiteindelijk hun patroon heilige. Als compensatie wil men dan maar een pelgrim een drankje aanbieden en dit is verder op de tocht veel voorgekomen.
De Spaanse leraar wilde wel steeds zinnen verbeteren. Als je maar zo nu en dan in het buitenland komt zakt de woordenschat weg en is dit niet te doen. Dan ben je pas polyglotte. Een paar woorden Spaans spreken is wel gemakkelijk. Als goede vrienden nam ik na de nodige drankjes en een “pudo” (sigaartje) afscheid van de familie en zocht de refugio op.
Persoonlijke Reflecties op de Camino
De reis is niet alleen een fysieke tocht, maar ook een innerlijke. De pelgrim reflecteert op de mensen die hij ontmoet, de gesprekken die hij voert en de persoonlijke uitdagingen die hij overwint. Het is een zoektocht naar betekenis, een moment van reflectie op het leven en de keuzes die men maakt.
Familiebezoek in Italië
Mijn vader was toen tweeëneenhalf jaar met pensioen, na een leven als ingenieur bij de telefoondienst van Amsterdam, en hij was een van die mensen die van hun pensioen weten te genieten. Hoewel hij na zijn eerste, naar eigen zeggen heerlijke jaar als vrij man een tweede hartinfarct had gehad en niet meer op zijn krachten kon vertrouwen, bleef hij bereid om al het vele waarvoor hij in zijn werkzame leven geen tijd had gehad te ondernemen. Het idee om samen op stap te gaan, zonder zijn vrouw en zonder mijn man, kwam van hem.
Mijn vaders eerste huwelijk heeft juist lang genoeg geduurd om twee kinderen ter wereld te brengen, van wie ik de oudste ben, terwijl mijn broer viereneenhalve maand met onze halfbroer scheelt. Mijn moeder heeft me al vroeg alles wat zij te vertellen had over haar leven met mijn vader verteld. Mijn vader heeft het onderwerp nooit aangedurfd, en toen hij na de dood van mijn moeder (in 1970 alweer dertien jaar geleden) een onhandige poging deed, snoerde ik hem de mond.
Ik schreef hem terug dat een verblijf in Urbino me aardig leek. Ik geloof dat ik alles klaar heb voor vaders komst. Ik zal hem mijn portret van S.’s vader laten lezen. Wat ik wil, is hem alles laten zeggen wat hij op zijn hart heeft. Maar ik weet ook, dat als hij over bepaalde dingen zal spreken op een manier die ik niet verdraag, ik me niet zal kunnen beheersen. En dan zouden de gevolgen voor ons allebei vermoedelijk rampzalig zijn.
- Vader is gisteravond hier aangekomen. Het eerste wat me trof, was zijn gebarsten, fluiterige stem; een oudemannenstem. Ik had hem tweeëneenhalf jaar niet gezien. Toen ook, dat hij vermagerd was en een beetje gebogen, alweer, mager en gebogen als een oude man. Het wit-met-rode streepjeshemd dat hij droeg, het soort streepje dat de oude boeren in Laren droegen, versterkte die indruk. En later op de avond zijn bretels, die ik op zijn stoel vond en naar zijn kamer droeg met het gevoel dat we ons nu allebei moesten schamen.
Hij zoende me bij aankomst met de hem eigen onstuimigheid; ‘een pakkerd’ noemde oom Bram dat. S. nam zijn koffers en we liepen gedrieën de tunnel door, nadat hij dadelijk om een postzegel voor een brief aan Ilse gevraagd had, want hij had haar in de trein uit Milaan geschreven. Ik constateerde dat ik me niet verlegen, verward of opgewonden voelde, maar eerder een beetje koel, zelfs bijna vijandig. Hij vroeg, me weer bij mijn schouder pakkend, ‘en hoe gaat het nu met je?’ en ik zei afwerend ‘met mij gaat het best’.
Thuisgekomen dronken we thee, met taralli die S.’s moeder uit Castellina had gestuurd. Ik merkte nu duidelijk hoe zenuwachtig hij was; de soort flutterige zenuwachtigheid die ik verwacht had en die zich vooral uit in voorbarige en overdadige loftuitingen op alles, om toch vooral te voorkomen dat er enig wolkje aan de hemel verschijnt. Hij verontrustte zich zeer over de schrik die hij de poes aanjoeg en wenste in dat opzicht langdurig gerustgesteld te worden. Hij had zijn gehoorapparaatje in zijn oor, maar verzekerde ons dat hij dat heus niet altijd nodig had, hij had nu last van de gevolgen van de vliegtocht. Hij hoorde veel beter dan ik gisteren in mijn droom vreesde. Dat hij in mijn kamer zou slapen, vervulde hem met een soort ontzag, iets van ‘hier word ik toegelaten’. ‘De poes vindt dat zeker niet goed,’ zei hij.
Vanmorgen, toen ik bezig was ontbijt klaar te maken, voor mij alleen omdat ik verwachtte dat hij nog wel wat zou blijven slapen, kwam hij zeer langzaam de gang door geschuifeld. ‘Goeiemorgen,’ zei ik toen hij eindelijk in de deuropening van de eetkamer verscheen. ‘Goeiemorgen,’ zei hij betrapt en verdween in de badkamer. Ik maakte nu ontbijt voor twee. Hij kwam de badkamer weer uit en schuifelde terug naar zijn slaapkamer. Daar kwam hij niet meer uit; ik realiseerde me dat het nog niet zijn bedoeling was geweest om op te staan, dat ‘goeiemorgen’ was niet op zijn plaats geweest. Maar nu zal hij toch wel opstaan, dacht ik, want deze gebeurtenissen zullen hem hebben verontrust. Inderdaad, hij verscheen weer en zei ‘ik dacht, ik ga nog even pitten - maar nee hoor’. Dat pitten verdroeg ik slecht.
voor een over zijn verlegenheid heen geforceerde intimiteit tussen ons. - S. had Il Mondo gekocht. Vader vroeg wat dat voor krant was. Ik zei ‘een rechts weekblad, met dezelfde politieke kleur als de nrc en het Handelsblad ongeveer.’ Hij vroeg er nog even op door en ineens zei S. ‘het is niet rechts’, op een kwade toon. ‘Niet rechts?’ vroeg ik, ‘wel rechts. Anticommunistisch en pro-Amerikaans. Dat noem je rechts, zou ik denken.’ Hij zweeg. Vader vroeg ‘dus ongeveer zoals de Haagse Post. Of Elsevier? Nee, Elsevier is zeker te rechts.’ ‘Elsevier is fascistisch rechts,’ zei ik, ‘Il Mondo, en de nrc, zijn fatsoenlijk rechts.’ ‘Il Mondo is links!’ zei S. nu nog eens, op een nog kwadere toon, ‘en ik ben ook links!’ Het verbaasde me.
‘Ook goed. Rechts is toch geen scheldwoord,’ zei ik, niet geheel te goeder trouw. Vader zei dat het dat in Nederland wel was, ‘de nrc zou geen rechtse krant genoemd willen worden.’ ‘Nee, die noemt zich liberaal,’ zei ik, ‘nu ja. Verzin er maar een woord voor.’ S. viel me, nu woedend, in de rede. ‘Weet u hoe het is?’ zei hij tegen vader, ‘in Italië heb je helemaal links de communisten. Meteen daarna heb je de mensen van Il Mondo! Zo is het!’ Hij maakte gebaren om aan te geven hoe dicht die twee bij elkaar lagen. ‘Eerst heb je dan minstens nog de socialisten,’ zei ik. ‘Nee!’ zei hij woedend. En daarna zweeg hij. Hij liep met een woedend gezicht naast ons en bekte vader, die natuurlijk verschrikt probeerde de harmonie te herstellen, af. er niet meer in. (We stonden vanmorgen om half tien op.) Ik was kwaad en een beetje in paniek. Toen we vader goedenacht hadden gezegd en samen in de slaapkamer waren, zei ik ‘zo, je bent dus kwaad geworden omdat ik Il Mondo een rechtse krant heb genoemd’.
‘Natuurlijk!’ zei hij. Ik zei ‘dat is idioot. Als je daar anders over denkt, kun je het gewoon zeggen. Je kunt je in elk geval tegenover vader behoorlijk gedragen. Wat had ik dan moeten zeggen? Behoudend?’ ‘Il Mondo is niet behoudend.’ ‘Niet behoudend. Nou, wat dan?’ Hij zei niets meer. Ik kleedde me kwaad uit. Hij zei me goedenacht en ik zei kwaad goedenacht terug.
Vader was gisteren de hele dag aan het praten. Toen we ‘s middags van een wandeling thuiskwamen, had hij zoveel gepraat dat hij even op zijn bed moest gaan liggen om ervan te bekomen. Hij vertelt dan zeer omstandige verhalen, wat hij met graagte doet en waarbij hij geen interruptie kan velen. Ik weet dat en interrumpeer dus haast nooit; zolang hij zo tevreden doorpraat, gaat immers alles goed. Maar soms is het toch bepaald niet te vermijden. Dan is het weefsel van zijn verhaal stuk; hij kijkt me verward aan, fluttert en schuttert wat en slaat dan ijlings aan het repareren, als een spin wiens web kapot is gemaakt. Als je er goed op let, zie je dat werkelijk alle sporen van de interruptie worden weggewerkt. Ik gaf hem mijn verhaal over S.’s vader te lezen. Hij heeft het nu haast uit en zegt dat hij het erg mooi vindt.
- Zondag. Vader en S. slapen nog. Gisteren lette ik er voortdurend op of S. niet weer uit zijn humeur zou raken, wat tot resultaat had dat ik hem daar alle aanleiding toe gaf, maar hij bleef in zijn humeur. Voor het eten speelde hij op het clavecymbel. Dat was mieters. Vader was even praatgraag als de dag ervoor. Hij is er zich wel bewust van dat hij zulke verschrikkelijk wijdlopige verhalen doet en roept zichzelf van tijd tot tijd tot de orde. Ik voor mij ben al flink moe geworden van deze twee dagen; gisteren merkte ik herhaaldelijk dat ik moet oppassen. Ik kon gevoelens van irritatie en vijandigheid tegenover vader soms maar met moeite beheersen; in Urbino zal ik dat zeker niet altijd kunnen.
Ik schreef gisteren een briefkaart aan S.’s moeder om haar te bedanken voor de taralli. Vader merkte op dat ik zo razend vlug schrijf, hij had nog nooit iemand gezien die zo vlug schrijft, zei hij. Hij vertelde dat hij op bezoek was geweest bij monna, die nu in een bejaardenflat woont. Hij maakte een schetsje van haar huis, dat vervolgens werd verkreukeld en in de asbak gedeponeerd, want het was slordig en niet op schaal, ‘niet om te bewaren’. Toen hij wegging, had monna hem naar de bushalte gebracht en hij had in het wachthuisje staand gekeken hoe ze terugliep, verwachtend dat ze nog eens om zou kijken om te wuiven; maar nee, ze had al haar aandacht voor het lopen nodig gehad, ‘en dat ging zo langzaam, het duurde zo lang voor ze de hoek om was. Toen dacht ik wel ineens: wat is ze oud’.
Dit ontroerde me. Zo ook, toen hij over zijn vroegere chauffeur Vink vertelde, die een paar maanden geleden gestorven is aan een hartinfarct. Hij vertelde zeer uitvoerig over Vinks karakter, over hun onderlinge relatie, over Vinks dood, over zijn troostbezoeken aan Vinks vrouw, enz., en op het laatst had hij vochtige ogen en je hoorde ook iets in zijn stem; maar daarna keerde hij naar het heden terug, zijn sigaar was trouwens op, en hij zei ons een beetje verlegen aankijkend, ‘ja, ja. Herhaaldelijk bleek weer dat hij niet rust voor hij elk kreukeltje in het sociale weefsel om hem heen heeft gladgestreken, of anders gezegd, hoe ijdel hij is. Zo hield hij bij S.’s clavecymbelconcert een Ricercare van Giovanni Gabrieli voor een Pavane van William Byrd. Dat kwam natuurlijk gewoon doordat hij het programma verkeerd had gelezen.
Maar hij putte zich uit in andere verklaringen. Hij trok wijdlopige parallellen tussen de archaïsche stijl van Gabrieli en die van Byrd, beweerde gedacht te hebben ‘wat zijn die Gabrieli en die Byrd aan elkaar verwant’, hoewel, aan de andere kant moest je toegeven dat de muziek van Byrd de Engelse mist en melancholie ademt, terwijl Gabrieli… enz. enz., hij kon er niet over ophouden omdat hij vermoedelijk wel voelde dat er met scepsis naar hem geluisterd werd. Ilse luistert in zulke gevallen helemaal niet en zegt ten slotte ‘Alvertus!’ Ilse vindt trouwens dat ik in dit opzicht op vader lijk. Urbino 21 september. Aangekomen in Urbino. Vader was doodmoe. Hij bleef staan terwijl we langs de via Mazzini omhoog liepen en greep enige malen naar zijn hart. Hij ligt nu op zijn bed. Ik ben trouwens ook moe en heb hoofdpijn.
mijn verzoek dezelfde kamer als de vorige keer gekregen. In de trein noteerde ik ‘de combinatie van twee eigenschappen die ik met vader gemeen heb, besluiteloosheid en perfectiedrift, leidt als je ouder wordt tot een eindeloos gezeur’. Vanmorgen moest vader zijn koffers helemaal overpakken, omdat de indeling die hij oorspronkelijk had gemaakt de ene koffer zwaarder maakte dan de andere. Omdat hij tegenwoordig een zak in zijn pakken voor zijn gehoorapparaatje moet reserveren, kan hij zijn overige spullen nu nooit meer naar genoegen opbergen; hij is telkens op zoek naar iets dat in een andere zak blijkt te zitten, en hevelt telkens weer voorwerpen over van de ene naar de andere zak. We aten boterhammen in de trein en vader spreidde daarvoor een krant over zijn knieën. Eerst legde hij die in de breedte, toen probeerde hij het in de lengte, en toen vouwde hij hem na rijp beraad nog eens doormidden. Hij was de hele reis door weer erg spraakzaam. Ook gisteren was hij dat weer. Ik vind het erg vermoeiend, maar ook wel geruststellend.
- Vannacht redelijk goed geslapen, ik voel me wel uitgerust. Ik heb na enige aarzeling met mijn eigen spullen op mijn eigen kamer ontbeten en niet beneden in het restaurant. Dat is rustiger. Vannacht werd ik enige keren verschrikt wakker van motorfietsen. Gisteren was ik werkelijk doodmoe. ‘In deze kamer voel ik me dadelijk thuis,’ zei hij. Een object waar hij buitengewoon tevreden mee is, is een witte gietijzeren kapstok met zeer veel haken en haakjes, in het rond en op verschillende hoogte, waar hij dus zeer veel zaken aan op kan hangen, ‘en meestal kun je nooit een goede plaats voor je badjas en je pyjama vinden’, zei hij. Ik zag de ernst van dat probleem onvoldoende in, zodat hij een bevestiging van me eiste. Alles wat we tot dusver in Urbino gezien en beleefd hebben heeft zijn overgrote instemming, op een norse halfkale juffrouw na die ons gisteren in het restaurant de rekening kwam brengen, nadat we door een andere juffrouw juist zo vriendelijk waren bediend; daar schrok hij van. Na-[p. 8]tuurlijk is die opgewekte stemming grotendeels een opzettelijke feestroes. Ik wacht nu af of hij met me over moeder zal praten. Ik verwacht dat en meen dat het moet. Hij zei, dat hij herhaaldelijk van het Palazzo de’ Rossi (waar ik een keer met hem en Ilse naartoe ben gewandeld) heeft gedroomd. Hij beschreef het me zoals hij het in die dromen zag. Het klopte precies. Ik zei ‘toen we daar weggingen, moest je nog twee keer terug omdat je iets vergeten had’.
‘Ja zie je,’ zei hij. ‘Ik vond het er zo mieters. Zijn doofheid is gelukkig niet erg hinderlijk. Als ik aan de kant van zijn goede oor zit en een beetje duidelijk praat, verstaat hij alles. Gistermiddag een ogenblik van paniek. We gingen na zijn middagdut naar beneden. Benedengekomen bleek dat hij zijn tabakszak vergeten had. Hij ging dus weer naar boven en ik wachtte in de hal op hem. Ik ging in de vensterbank zitten en keek in de tuin. Toen ik omkeek of hij er al aankwam, zag ik mezelf in de spiegel. Ik rilde opeens bij de gedachte dat ik hier veertien dagen in Urbino met vader op vacantie ben. Een ogenblik eerder had ik twee juichende briefkaarten, aan Ilse en aan monna, ondertekend. Er stond ‘als een goed begin de halve vacantie is-’, en hoe verrukt hij is van ons hotel, van Urbino, kortom van alles. Die juichstemming vormde een schril contrast - ja met wat? Ik kon haast niet standhouden onder de oprukkende dreiging. Hij was ineens vergeten hoe je monna’s achternaam schrijft. De kwestie is dat hij met me moet spreken over zijn leven met moeder en dat ik daar bang voor ben, maar nog veel banger dat het niet zal gebeuren. En tot dusver wijst niets of vrijwel niets in de richting van zulke gesprekken.
heeft hij dan nog nooit daarover met me gesproken. Vermoedelijk is het mede mijn gespannenheid op dat punt, mijn verwachtingen angst, die hem belet erover te beginnen. We houden kletspraatjes en forceren ons tot uitbundige opgewektheid. We praten zeer veel over eten. Hij is nu moe en geënerveerd door al het nieuwe natuurlijk, en ik mag verwachten dat dat wat zal bijtrekken. Vader doet pogingen om ook de hotelhouder, die ik al bij voorbaat een onaange naam individu had genoemd dat druk bezig is om het hotel te verpesten, aardig te vinden. Nergens mag een smet aan kleven. Ik zei ‘ik ben hier toen vijf weken alleen geweest. Dat was mieters.’ Hij keek me onderzoekend aan. ‘Jij kunt goed alleen zijn?’ vroeg hij. ‘Ik vind het mieters.’ ‘Dat heb je dan gemeen met je broer.’ Je broer, zei hij, zich van mij en mijn broer distantiërend, alsof hij nauw...
labels:
Zie ook:
- Fruit op Taart: Creatieve Ideeën en Heerlijke Combinaties
- Pannenkoek met fruit: een heerlijke en gezonde traktatie!
- Fruit Smoothie Recepten: Gezonde & Verfrissende Smoothies voor Elke Dag!
- Ontdek het Ultieme Volkoren Pizza Recept: Gezond, Snel en Overheerlijk!
- Onmisbare Tips voor Kippen Kopen: Lees Deze Ervaringen en Maak de Beste Keuze!




