Het drinken van alcohol was in de Romeinse wereld aan de orde van de dag. Keizers, slaven, soldaten, vrouwen, barbaren - in alle sociale kringen kwam men met alcohol in aanraking. En gedronken werd er, in grote hoeveelheden. Maar het Rijk werd ook gekenmerkt door een complex netwerk van conventies en restricties die het dagelijks leven streng reguleerden.
David Garvelink onderzoekt in Vinum vita est (‘Leven is wijn’) hoe de verschillende sociale groepen omgingen met alcohol. Wat was acceptabel en wat niet? Alcoholinname botst frequent met deugdzaam gedrag. Wat woog zwaarder? Het bewijs van mannelijkheid to hold one’s liquor, of het verlies van reinheid en controle over het lichaam? De Romeinse auteurs schreven in geuren en kleuren over drank.
Geschiedschrijvers grepen het drankgebruik van hooggeplaatsten dankbaar aan om hen zwart te maken danwel op te hemelen. De Romeinse satiricus Persius beschrijft in zijn derde satire een jongeman die voor de zoveelste keer om elf uur ’s ochtends ontwaakt met een gruwelijke kater. Het zonlicht schijnt tussen de kieren van de gordijnen de slaapkamer binnen, terwijl de buitenwereld reeds op volle toeren draait. Het vee graast vredig op de velden en de zon droogt de gewassen.
De jongeman blijft echter in bed liggen en slaapt zijn roes uit, omdat de Falernische wijn nog steeds in zijn buik borrelt en het donkergroene gal in zijn lever opspeelt. Bovendien leeft hij in de veronderstelling dat alle ezels van Arcadië in zijn oor balken, waardoor zijn schedel ieder moment kan splijten.
Interactie tussen Moraal en Alcoholconsumptie
Sociaal gedrag werd in de Romeinse wereld gereguleerd en voorgeschreven door een uitgebreid en complex netwerk van conventies en restricties. Het fundament van dit systeem was het morele conservatisme van de aristocratie dat bestond uit kerndeugden als dignitas (‘eer’), gravitas (‘aanzien’), continentia (‘matiging’) en gloria (‘roem). Het drinken van alcohol was in de Romeinse wereld aan de orde van de dag. De succesvolle wijnbouw zorgde voor wijdverbreide beschikbaarheid en aftrek van alcohol onder de Romeinse bevolking.
Indien bovenstaande elementen - het morele conservatisme, alcoholconsumptie en de sociale impact hiervan - worden samengevoegd, ontstaat de volgende probleemstelling: ‘Welke interactie bestond er tussen het morele conservatisme van de aristocratie en alcoholconsumptie door mannen, vrouwen en non-elitaire groepen (soldaten, slaven, ‘barbaren’, het ‘gewone volk’) ten tijde van het vroege Romeinse keizerrijk, en hoe werd alcohol gebruikt om verschillende groepen te karakteriseren?’
Zoals reeds vermeld, leidt alcohol-consumptie tot een veranderde mentale en fysieke staat. Een overmatige alcoholinname kan daarbij uitlopen op gedrag dat geschreven en ongeschreven regels overtreedt. Het consumeren van alcohol botst frequent met ‘normaal’ en deugdzaam gedrag. Dit zorgt voor interessante situaties (bijvoorbeeld vechtpartijen en seksuele losbandigheid) die op hun beurt door de Romeinse auteurs in geuren en kleuren zijn beschreven in fascinerende anekdotes.
In 1976 publiceerden Yawney en Popham postuum Jellineks ‘Drinkers and alcoholics in ancient Rome’ en deden in hun introductie de volgende bewering: ‘It still appears to be the only attempt up to now to provide an objective overview of alcohol use among the Romans (…) Previous students of the topic have tended to asses the data from the standpoint of a biased position on matters of alcohol’.
Zowel over het morele conservatisme van de aristocratie als over de Romeinse eet- en (in beduidend mindere mate) drink-gewoontes, is veelvuldig gepubliceerd. Een diepgaand onderzoek naar de interactie tussen beide heeft echter nooit plaatsgevonden.
Het Onderzoek: Bronnen en Terminologie
De primaire bronnen vormen het fundament van dit onderzoek. Het gebruik van deze stof vereist een kritische houding. De secundaire literatuur doet dienst als hulpmiddel bij deze analyse en voorziet tevens in de nodige achtergrondinformatie. Het kan voorkomen dat historici verschillende interpretaties van een bronfragment hanteren. In dit geval worden de tegenstrijdige visies kort besproken. Op deze manier komt een levendige wisselwerking tot stand tussen de primaire bronnen en secundaire literatuur, aangevuld met interpretaties en opvattingen van de onderzoeker.
De terminologie van dit onderzoek vereist toelichting. Allereerst moet de voorkeur voor het gebruik van het begrip ‘alcohol’ ten opzichte van ‘wijn’ worden verklaard. Immers, wijn domineerde de alcoholische markt in het Romeinse Rijk vrijwel volledig en in de bronnen wordt alcohol als op zichzelf staande stof nooit genoemd. Toch wordt in dit onderzoek voornamelijk de term ‘alcohol’ gehanteerd, omdat de nadruk van het onderzoek ligt op het effect van wijn (beschonkenheid, losbandigheid etc.) en niet op het product zelf.
Een tweede terminologische toelichting richt zich op de mate van alcoholconsumptie in de gebruikte primaire bronnen. De alledaagse rol die wijn als voedingsmiddel speelde in de Romeinse wereld maakt dat alcoholconsumptie in de bronnen frequent plaatsvindt. De kwantiteit en frequentie van het drinken variëren dientengevolge per bronfragment. In dit onderzoek zal het zwaartepunt liggen op de fragmenten waarin sprake is van overmatig drankgebruik. Let wel: dit sluit vermeldingen van ‘normaal’ drankgebruik niet uit, maar waar de grens van acceptabel alcoholgebruik wordt overschreden, vindt simpelweg de levendigste interactie plaats met de Romeinse deugden. Bovendien maakt de anekdotische aard van de primaire bronnen dat buitengewone situaties eerder worden vermeld dan alledaagse zaken.
Kortom, de exacte soort alcoholconsumptie waarop dit onderzoek zich richt, laat zich lastig definiëren. Er bestaat echter een voorwaarde waaraan moet worden voldaan: de alcoholconsumptie, ongeacht de mate en frequentie, moet botsen dan wel rijmen met het morele conservatisme van de Romeinse aristocratie om in aanmerking te komen voor dit onderzoek.
Het derde punt aangaande de terminologie behelst een korte toelichting van de wijze waarop de Romeinse normen en waarden worden weergegeven in de tekst. De Romeinse sociale kernwaarden, zoals gravitas, virtus en continentia, omvatten complexe constructies die zich slecht laten vertalen naar Nederlandse begrippen. Zo kan het begrip virtus bijvoorbeeld verwijzen naar zowel ‘mannelijk’ en ‘dapper’ als ‘krachtig’. Bovendien is de juiste vertaling afhankelijk van de context waarin het begrip wordt gebruikt. De ingewikkelde aard van deze begrippen en hun vele betekenissen worden, om verwarring te bestrijden.
Als vierde moet de keuze voor Romeinse mannen (adolescenten, keizers, soldaten), vrouwen en non-elitaire/gemarginaliseerde (het ‘gewone’ volk/lagere klassen, ‘barbaren’ en slaven) groepen worden verklaard. De verklaring is drieledig. Ten eerste vertegenwoordigen deze groepen een brede laag van de Romeinse samenleving. Ten tweede vertoont hun alcoholconsumptie een eigen/unieke omgang met de waarden van het morele conservatisme.
De laatste terminologische kanttekening richt zich op de periodisering van het onderzoek. Het aantal beschikbare primaire bronnen is niet evenredig verdeeld over de Romeinse geschiedenis. Zo zijn weinig er bronnen over de Romeinse Koningstijd en de vroege Republiek aan ons overgeleverd. Het vroege Romeinse keizerrijk (ca. 14 v. Chr - 100 na Chr.) is qua bronnen daarentegen een rijke periode. Slechts bij hoge uitzondering wordt van deze periodisering afgeweken. Indien dit gebeurt, wordt hiervoor een verklaring gegeven.
Romeinse Auteurs en Hun Bijdragen
In het eerste deel van deze paragraaf staan de Romeinse auteurs centraal, die de voornaamste leveranciers waren van het bronmateriaal voor dit onderzoek. Hun specifieke bijdragen aan dit onderzoek worden beknopt besproken. In het tweede deel van deze paragraaf zal worden gekeken naar de bruikbaarheid van de Romeinse satiren, geschiedschrijving en biografieën. Daarnaast zal specifiek de historische waarde van anekdotes kritisch onder de loep worden genomen. Ten derde wordt kort aandacht besteed aan de representativiteit van de auteurs voor de Romeinse samenleving.
De biografieën van Suetonius over de Romeinse keizers zijn rijk aan menselijke details en scherpe observaties. De geschriften van de alom bewonderde Romeinse historicus Tacitus spelen op twee specifieke plekken in dit onderzoek een belangrijke rol. Allereerst doet Germania dienst als voornaamste bron voor Romeinse opvattingen over ‘barbaars’ drankgebruik. Ten tweede wordt in zijn Annalen en Historiën veelvuldig verwezen naar acceptabel en onacceptabel drankgebruik door Romeinse soldaten. Het magnum opus van de Grieks-Romeinse senator Cassius Dio, genaamd Romeinse geschiedenis, bestaat uit tachtig boeken en heeft vele bronfragmenten geleverd voor dit onderzoek waarin onacceptabel en acceptabel drankgebruik wordt besproken.
De lijvige studie van Plinus de Oudere, genaamd Naturalis Historia, evenaart met zijn zevenendertig boeken bijna Cassius Dio’s Romeinse geschiedenis in omvang. Plinius heeft nagenoeg elk facet van de Romeinse wereld belicht en zodoende als een van de weinige auteurs een compleet hoofdstuk gewijd aan dronkenschap. In het desbetreffende hoofdstuk trakteert Plinius zijn lezers op (o.a.) een lijst van de grootste drinkers uit de Romeinse geschiedenis. Ook voor Plinius geldt dat zijn belang voor dit onderzoek groot is geweest. Juvenalis omschreef in zijn satiren het ‘morele verval’ van de beschaving, met al haar decadentie, verdorvenheid en seksuele losbandigheid. Juvenalis maakt frequent opmerkingen over onacceptabel drankgebruik. De opmerkingen van Juvenalis hierover betreffende Romeinse vrouwen zijn van onschatbare waarde gebleken voor dit onderzoek.
De Satyricon van Petronius is slechts ten dele aan ons overgeleverd, maar desalniettemin is dit werk een essentiële bron van informatie voor dit onderzoek omdat de satire een groot aantal verwijzingen naar onacceptabel drankgebruik bevat. Over de stereotypering van gemarginaliseerde groepen aan de hand van hun drankgebruik, verschaft Petronius tevens belangrijke informatie. De Romeinse filosoof en redenaar Seneca heeft vele werken nagelaten, maar met name zijn Brieven aan Lucilius zijn een goudmijn als het gaat om informatie over alcoholgebruik in de Romeinse wereld. Eén brief is zelfs volledig gewijd aan dronkenschap.
Bruikbaarheid van Satiren en Geschiedschrijving
Het euvel van de Romeinse satiren wat historische objectiviteit betreft, is inherent aan de doelstelling van het genre om lezers te vermaken en niet objectief te informeren. De realiteit is bijzaak voor de satiricus, zijn werk bestaat bij de gratie van de vermakelijkheid. Zo onderhoudt Petronius zijn lezerspubliek met een humoristisch verhaal. Hij probeert de lezer niet serieus of objectief in te lichten over de maatschappelijke problemen aan de schaduwkant van de Romeinse samenleving. Het grote voordeel van satire als bron voor dit onderzoek is dat het genre zich specifiek bezighoudt met het leveren van kritiek op de immoraliteit van grensoverschrijdend gedrag. Bovendien moesten de satiren gestoeld zijn op de realiteit, want iets op de hak nemen dat niet bestaat maakt geen enkele lezer aan het lachen. Zoals de historicus Cokayne constateert: ‘It is likely, however, that in order to have meaning for the audience these texts and images had some connection with reality’.
De Romeinse geschiedschrijving confronteert onderzoekers met ongeveer hetzelfde probleem als de satirische werken. Een moderne historicus tracht na zorgvuldige analyse een waarheid boven tafel te krijgen, maar bij zijn Romeinse collega’s krijgt het opwekken van inspiratie, trots en leesplezier voorrang boven het achterhalen van de waarheid. De Romeinse geschiedschrijvers kunnen ook andere effecten op het oog hebben zoals ‘to express hostility, contempt, envy, to make sense of the world the teller lived in’. De hostility en contempt uitten zich bijvoorbeeld in het zwartmaken van politieke vijanden. De Romeinse historicus staat echter niet onverschillig tegenover historische feiten (geschiedschrijving is immers gebaseerd op historische gebeurtenissen): zijn doelen vereisen nu eenmaal een proces van overdrijven en aandikken.
Een tweede probleem met de betrouwbaarheid van de Romeinse geschiedschrijvers is het feit dat hun geschriften doorspekt zijn met smeuïge anekdotes. Deze waren in feite roddels met een dermate hoge amusementswaarde dat zij zelfs werden voorgedragen tijdens diners. De vermakelijkste en origineelste anekdotes waren ongetwijfeld het populairst, niet de meest waarheidsgetrouwe. Het is geen geheim dat Romeinse auteurs de anekdotes ook gebruikten om hun eigen doeleinden en belangen te behartigen, namelijk het behagen van hun publiek. Bovendien werden anekdotes door de generaties heen overgeleverd, zonder dat hun origine werd achterhaald. Hierdoor zijn hun scheppers en de context waarin de anekdotes moeten worden geplaatst onbekend gebleven. Daarbij hebben de Romeinse schrijvers de onhandige gewoonte om hun eigen draai aan anekdotes te geven. Ieder afzonderlijk element was onderhevig aan verandering en toevoegingen: kleine details werden ingewisseld en veranderd, maar ook de locatie, periode en zelfs de personages en crux stonden geen van allen vast.
Ook in de biografieën van Suetonius, die een essentieel onderdeel vormen van dit onderzoek, wemelt het van de anekdotes. De Romeinse biograaf onderscheidde zich van de historicus door de opvoeding, het karakter en het sterven van zijn hoofdpersoon centraal te stellen. Anekdotes in alle soorten en maten werden hiervoor veelvuldig gebruikt. Sommige moderne historici vergelijken Suetonius zelfs met een roddeljournalist die de nadruk vooral legt op schandalen en schunnige roddels over de keizers. Dit was inherent aan een literair genre waarin de lezers persoonlijke, intieme informatie eisten van de schrijver over onderwerpen als opleiding, liefdesaffaires en karaktertrekken: informatie die de biograaf vaak niet kon achterhalen.
Indien een biograaf zijn lezerspubliek aan zich wilde binden, was hij genoodzaakt gebruik te maken van zijn fantasie en creativiteit. Kortom, uit bovenstaande blijkt dat het gebruik van anekdotisch materiaal voor een wetenschappelijk onderzoek de nodige problemen oplevert. Het waarheidsgehalte valt immers niet te achterhalen en de beweegredenen van personages blijven voor de moderne onderzoeker verborgen. Mogen anekdotes überhaupt worden gebruikt voor dit onderzoek? Deze vraag mag gelukkig positief worden beantwoord. Waarom? Omdat de anekdotes betekenis hebben voor de Romeinse auteurs zelf: hun eigen opvattingen en ideeën kleuren de anekdotes. Hun werkwijze van anekdotes aandikken, verdraaien en verwisselen doet daar niets aan af. Sterker nog, overdrijvingen...
labels:




