De aardappelteelt is een belangrijke sector in de akkerbouw, met aanzienlijke verschillen in opbrengst per hectare afhankelijk van diverse factoren. In 2020 bedroeg het totale areaal voor aardappelen 165.643 hectare in Nederland.
De twee belangrijkste opbrengstcomponenten bij aardappelen zijn het aantal knollen per oppervlakte-eenheid en de grootte respectievelijk het gewicht van de aardappelknollen.
Factoren die de aardappelopbrengst beïnvloeden
Hogere opbrengsten worden bereikt door:
- Optimale aantallen knollen
- Het behoud van gezond loof
- Een toename van het gewicht en de grootte van de knollen
Voedingsstoffen
Kalium en stikstof zijn qua hoeveelheid de belangrijkste voedingsstoffen voor een hoge aardappelopbrengst. Fosfaat, calcium en magnesium zijn in mindere hoeveelheden noodzakelijk maar toch belangrijk. Hoewel de onttrekking verschilt per perceel en afhankelijk is van de oogst, heeft de aardappelplant doorgaans zeker 50% meer kalium dan stikstof nodig.
De opname van voedingsstoffen verandert gedurende het verloop van de groeifase van het gewas. In het begin van het voorjaar is er een grote behoefte aan macro-nutriënten. Om een lagere opbrengst te voorkomen, is het belangrijk dat het gewas voor de opname over voldoende voedingsstoffen kan beschikken. Kalium is vooral van belang voor de realisatie van een hoge opbrengst, maar ook voor de gezondheid van de knollen.
Luxeconsumptie (overtollige opname) van kalium is kenmerkend voor aardappelen. Stikstof speelt een belangrijke rol bij de blad- en knolgroei. Net als bij kalium wordt bij de knolgroei veel stikstof uit de bladeren naar de knol getransporteerd. Fosfaat is met name in de vroege groeifase in relatief grote hoeveelheden vereist voor de wortelvorming en de knolzetting. Een uitgebalanceerd bemestingsprogramma is essentieel.
Ondanks dat aanmerkelijk geringere hoeveelheden sporenelementen nodig zijn, moeten ze in de juiste verhouding beschikbaar zijn, omdat ze in belangrijke mate bijdragen aan het realiseren van een hoge opbrengst.
Pootgoed
Bij het poten van een aardappelveld, wordt een bepaald schiloppervlak van de knollen gepoot waarop zich een aantal ogen bevindt. Deze ogen produceren geen, een of twee kiemen. Toch wordt de hoeveelheid pootgoed niet uitgedrukt als het mogelijke aantal kiemen dat stengels aanmaakt, maar als het aantal knollen of poters of als de hoeveelheid pootgoed, uitgedrukt in gepoot gewicht per oppervlak. Een gemiddelde praktijk in veel aardappelproductiesystemen is het poten van vier knollen per vierkante meter met een gewicht van 55 gram per stuk, wat resulteert in een hoeveelheid pootgoed van 2,2 t/ha. Dit is gemiddeld voor veel rassen.
Als het pootgoed goed is ontkiemd, leidt dit handelen tot zestien stengels per m2. Als het pootgoed nauwelijks is gekiemd, met een apicaal dominante kiem, dan is het aantal stengels minder. Dit is ook het geval wanneer het pootgoed zeer oud is. Kleinere pootaardappelen geven minder stengels per plant en grotere poters leveren meer stengels per plant. Een groter aantal stengels per plant verzekert een snellere bodembedekking, meer ingevangen zonnestraling tijdens het seizoen en dientengevolge een hogere opbrengst.
Meer stengels per plant geven meer knollen per plant maar vanwege toename van concurrentie neemt de opbrengst meer af dan het aantal knollen, dus krijgt het gewas gemiddeld kleinere knollen. Het streven naar een gewenste opbrengst van een bepaalde gemiddelde knolmaat houdt in dat de teler het aantal knollen geteeld per oppervlakte- eenheid moet beïnvloeden. Dit aantal neemt toe met het poten van meer knollen, dus bij minder ruimte tussen de rijen en minder ruimte tussen de knollen in de rij, bij grotere pootaardappelen en poters met meer kiemen.
Hoe groter de zeefmaat, hoe hoger het gewicht van de poter. Hoe groter de lengte:breedte-verhouding, hoe hoger het gewicht van de knollen van dezelfde maat, omdat de breedte wordt genomen als de grootte.
Een ronde knol van 25 millimeter weegt ongeveer 10 gram en een langwerpige ongeveer 13 gram, een ronde knol van 50 millimeter weegt 60 gram en een lange 80 gram. Daarom is het aantal knollen van 1 ton lange knollen aanzienlijk lager dan van ronde knollen. Hier wordt rekening mee gehouden en een teler past de plantafstand aan bij de pootmachine.
Opbrengst en zeefmaat van een oogst hebben dus voor elk gewas een optimum in elke teeltomstandigheid (omgeving en teeltpraktijken) en voor elk gewenst product (kleine of grote knollen). De hoeveelheid geoogste knollen en de grootte hangen af van de potermaat bij dezelfde hoeveelheid en van de hoeveelheid pootgoed bij dezelfde maat.
Het aantal stengels per m2 stijgt van ongeveer 10 naar 40 met de hoeveelheid pootgoed van 500 kilogram tot 4000 kilogram per hectare en de toename van de potermaat van 10 tot 120 gram leidt tot meer knollen per plant van 10 naar 20 en hogere opbrengsten van 20 tot 50 t/ha. Het leidt wel tot minder knollen per stengel van 5 naar 2 en kleinere knolzeefmaten gemiddeld van 6 naar 3 centimeter. De knolmaat neemt toe met hogere opbrengst en lager knoltal.
Teeltpraktijken
Tafelaardappeltelers in alle productieregio’s volgen de algemene vuistregels als hierboven beschreven. Telers planten 4 planten per m2 met poters of knolstukken van ongeveer 60 gram optellend tot een hoeveelheid pootgoed van ongeveer 2,5 t/ha.
Gespecialiseerde pootgoedvermeerderingsbedrijven richten zich op het oogsten van een groter aantal knollen per oppervlakte-eenheid in kleine en tussenliggende maten. Ze volgen twee strategieën: vroeg oogsten voordat de meeste knollen de gewenste grootte hebben overschreden die toch niet van nut zijn, omdat door de toegenomen vectordruk bladluizen die virussen overdragen in groten getale verschijnen. Een andere strategie is het poten in grotere dichtheid, dus op een kleinere afstand in de rij. Pootgoed wordt in het algemeen gepoot op zes planten per m2 in plaats van vier planten per m2.
Een hogere pootgoedhoeveelheid (meer poters en grotere poters en daardoor meer stengels per oppervlakte-eenheid) levert een geringere afmeting van dochterknollen op. Werkelijke pootgoedvermeerderingssnelheden variëren van het ene seizoen naar het andere en zijn niet hetzelfde in alle teeltsystemen. Wanneer knollen tot rijpheid mogen doorgroeien en in kleinere stukken worden gesneden (bijvoorbeeld in de VS), is de vermenigvuldiging hoger dan wanneer een gewas met hoge dichtheid voortijdig wordt geoogst (bijvoorbeeld in Nederland).
Vroege aardappelteelt
Bij de teelt van vroege aardappelen is het doel om al vroeg een goede opbrengst te hebben. Dit betekent dat moet worden gestreefd naar een zo vroeg mogelijke opkomst, een snelle loofontwikkeling en een vroeg begin van de knolgroei.
Voor de allervroegste teelt zijn Eersteling en Doré nog steeds de meest geteelde rassen. Gloria en Première worden iets later geoogst. Voor een vroeg gewas is tijdig poten, zo kort mogelijk na de winter, dat wil zeggen vanaf eind februari, van belang. Dit vormt een beperking voor de keuze van de grond. De grond moet al vroeg bewerkbaar zijn.
De stikstofbemesting van vroege aardappelen is met 110 - 150 kg N per ha aanmerkelijk lager dan die van laatrijpende rassen. Hoe korter het groeiseizoen des te minder stikstof nodig is. De fosfaat- en kalibemesting kunnen, afhankelijk van het te verwachten opbrengstniveau, wat lager zijn dan die van late consumptieaardappelen. Voor vroege aardappelen, die in juni of in de eerste helft van juli moeten worden geoogst, is de voorbehandeling van het pootgoed essentieel. Er is een goed voorgekiemde, fysiologisch tamelijk oude poter nodig.
Voor de primeurteelt met oogsttijd eind mei (met plasticafdekking) of juni is een beperkt aantal stengels per knol gewenst. Hierdoor wordt bij vroeg oogsten en een niet te kleine poter ( > 35 mm), met een nog relatief lage kilogramopbrengst per ha toch al een voldoende grove sortering verkregen.
Het pootgoed wordt al in oktober in poterbakjes gedaan en bij een temperatuur van 10 - 12 °C in het donker gezet, zodat zich topspruiten gaan ontwikkelen. Zodra de kiemen 0,5 - 1,0 cm lang zijn kan de temperatuur omlaag worden gebracht tot 4 à 5 °C en wordt het pootgoed in (kunst)licht geplaatst. Om goed afgeharde kiemen te verkrijgen, worden de poters vanaf januari bij open weer buiten gezet.
Primeuraardappelen worden vanaf eind februari, zodra de bodemomstandigheden gunstig zijn, gepoot. Dit gebeurt bij voorkeur halfautomatisch of met kiemvriendelijke volautomatische pootmachines. Na de rugopbouw wordt meestal een herbicide toegepast in een lage dosering.
Voor de zeer vroege primeurteelt wordt met plastic afgedekt. Daar groeiremming moet worden voorkomen, wordt zo mogelijk in een droge periode beregend. De gewasbescherming wijkt niet veel af van die van late consumptieaardappelen: er moet preventief tegen Phytophthora worden gespoten; luisbestrijding is meestal niet nodig.
Afdekking van de ruggen met plasticfolie, vanaf het poten tot enige tijd na opkomst, biedt de mogelijkheid om het gewas 7 - 10 dagen te vervroegen. Dit leidt op gelijke datum tot een gemiddeld vijf ton hogere opbrengst per ha.
Meestal wordt geperforeerd polyethyleenfolie van 0,03 mm dikte met 5% perforaties gebruikt. Het folie wordt na rugopbouw en een herbicidenbehandeling machinaal gelegd in 1,50 meter brede banen. De hogere temperaturen zowel onder de folie als in de grond zorgen voor een snellere opkomst en gewasontwikkeling. De folie geeft ook nog een geringe bescherming (circa 0,75 °C) tegen nachtvorst.
Daar staat tegenover dat de folie de lichtintensiteit met 20 - 40% beperkt. De grootte van de beperking is vooral afhankelijk van de mate van condensvorming aan de onderzijde van de folie. Om deze reden en vanwege de hoge temperatuur die later in het voorjaar kan optreden, is het van belang om de folie tijdig weg te halen.
Hoewel over het beste tijdstip van afnemen van de folie geen eenduidige mening heerst, wordt vrij algemeen aangenomen dat dit niet later moet gebeuren dan bij een gewashoogte van 15 - 20 cm of een grondbedekking van circa 20%. Om na het afnemen van de folie schade aan het gewas te voorkomen, verdient het aanbeveling om de folie weg te halen als een relatief warme nacht wordt verwacht gevolgd door een bewolkte dag.
Behalve vroege aardappelen voor verse consumptie worden ook (tamelijk) vroege aardappelen geteeld voor verwerking tot frites in de periode half juli - augustus. Hiervoor worden rassen gebruikt als Corine, Fresco, Première en Ukama. Het pootgoed voor deze teelt wordt meestal niet voorgekiemd. Tenzij de aardappelen zeer vroeg moeten worden geleverd, is dit ook niet nodig. De N-bemesting is 50 - 100 kg N per ha lager dan voor late aardappelen, onder meer afhankelijk van het oogsttijdstip. Naarmate later wordt geoogst, kan de N-gift wat hoger zijn.
Opbrengstcijfers en Trends
Nederlandse akkerbouwers halen gemiddeld 41 ton aardappelen per hectare van het land. Dit betreft zowel consumptieaardappelen als pootgoed.
In de Europese Unie (EU) haalt Frankrijk dit jaar met 42 ton per hectare de hoogste aardappelopbrengsten. Ook in Denemarken (41,4 ton per hectare), Duitsland (41 ton per hectare) en België (40 ton per hectare) worden bovengemiddelde hectareopbrengsten behaald.
De aardappelopbrengsten in Tsjechië (26 ton per hectare) en Polen (27,5 ton per hectare) zijn respectievelijk 13 en 11 procent lager dan vorig jaar en voor beide landen ook beneden het vijfjarig gemiddelde.
Hieronder een overzicht van de gemiddelde opbrengsten in 2022:
| Regio | Type aardappel | Gemiddelde opbrengst (ton/ha) |
|---|---|---|
| Kleiregio | Pootaardappelen | 40 |
| Zandregio | Pootaardappelen | 33 |
| Kleiregio | Consumptieaardappelen | 50 |
| Zandregio | Consumptieaardappelen | 54 |
| Noordelijke zandgronden | Zetmeelaardappelen | 42 |
Kosten van de teelt
Ten opzichte van teeltjaar 2022 stijgen de kosten voor de aardappelteelt opnieuw 10 procent. Vooral de stijgende energiekosten en de kosten voor dieselverbruik en de gewasbeschermingsmiddelen wegen zwaar door.
POC wijst erop dat bij de berekening van de totale kosten beregening nog niet is meegenomen. De kosten zijn berekend op levering van de aardappelen in april.
POC gaat uit van een netto-opbrengst van 47,5 ton per hectare, bewaarverliezen zijn daarin meegenomen. De reële opbrengstprijs met 15 procent marge voor de teler komt dan volgens de organisatie op 252 euro per ton.
Volgens de POC maakt de kostprijsberekening voor 2023 duidelijk dat er iets moet veranderen in de aardappelketen. De organisatie stelt dat een substantiële contractprijsverhoging nodig is om de aardappelteelt in de benen te houden.
labels: #Aardappel
Zie ook:
- Passata op Pizza: Hoeveel Gebruik Je Voor de Beste Smaak?
- Linzen koken: Hoeveel water heb je nodig voor de perfecte textuur?
- Spliterwten per Liter Soep: De Perfecte Verhouding
- Gezonde recepten voor vrijdagavond: Snel, makkelijk & lekker!
- Ontdek de Ultieme Asperges Koken Tips voor een Perfecte en Heerlijke Maaltijd!




