Al sinds de Middeleeuwen komen uitdrukkingen voor als iemand iets op zijn brood geven/leggen of op zijn boterham geven/leggen. Het zijn ironische uitdrukkingen: je geeft iemand broodbeleg, maar dan wel een zeer onaantrekkelijke soort. De ander moet het vervolgens samen met zijn brood naar binnen werken, ook al is dat niet leuk.
Carolus Tuinman zegt het zo in zijn spreekwoordenboek uit 1726: “zo dat hy ’t als met zyn brood moet opeeten en verduwen, al valt het hem niet zeer smaakelyk”. Iets op je bord (of bordje) krijgen is een nieuwere variant van iets op je brood krijgen. Deze uitdrukking is in de tweede helft van de twintigste eeuw ontstaan. Ook nu is het beeld dat iets zomaar wordt ‘opgediend’.
Brood is in onze windstreek het allerelementairste voedsel. Het staat elke dag op het menu, of je het lekker vindt of niet. Brood is als basisvoedsel zelfs zo onmisbaar geworden dat het als synoniem kan dienen van ‘voedsel’, ‘kost’: brood op de plank hebben en je brood verdienen hebben dezelfde betekenis als de kost verdienen.
Engelstaligen zeggen: to earn the bread, maar voor wie weleens uitgekeken is op dat eeuwige brood biedt de Engelse spijskaart een alternatief: to bring home the bacon. Het Franse equivalent maakt geen melding van brood en evenmin van bacon, maar laat vagelijk doorschemeren dat er een warme maaltijd genoten wordt: de Fransen laten de pot koken (faire bouiller la marmite).
Hoe belangrijk brood is voor onze dagelijkse voeding blijkt ook uit het grote aantal spreekwoorden en uitdrukkingen waarin het woord brood voorkomt. Een blik in Van Dale onder dit trefwoord laat zien dat er zeer veel brood in ons idioom zit.
Spreekwoorden en Uitdrukkingen met "Brood"
Wiens brood men eet, diens woord men spreekt. Het spreekwoord constateert een broodnuchter feit: iemand kiest partij voor degene van wie hij afhankelijk is voor zijn levensonderhoud, ongeacht of dat moreel juist is. De Friezen zeggen het net iets mooier: men spreekt met de mond waarmee men het brood eet (men praat mei de mule, der't men brea mei yt). Het Franse spreekwoord laat het niet bij een constatering maar vindt blijkbaar ook dat het zo hóórt: lui louer devons de qui le pain mangeons, ‘wij moeten diegene prijzen wiens brood wij eten’. Maar Duitsers en Engelsen brengen het er nauwelijks beter af. Zij worden door hun afhankelijkheid van de broodheer getransformeerd in regelrechte variété-artiesten: de Duitsers zingen liedjes, de Engelsen maken dansjes.
- Wes Brot ich esse, dessen Lied ich singe.
- Who finds my bread and cheese, it's to nis tune I dance.
Ook in het Hindoestaanse idioom wordt er door de loonslaven lustig op los gedanst. De Russen eten niemands brood, maar zitten op iemands wagen. Datgene waarmee de een zijn brood verdient, is soms de ondergang van de ander: de een zijn dood is de ander zijn brood (Duits: des einen Tod, des andern Brot). In het Engels is het de een zijn adem de ander zijn dood (one man's breath, another's death).
Mooi voor die een, maar veel heeft hij daarmee nog niet. Nog geen brood, bijvoorbeeld. De woorden dood en brood rijmen in de Germaanse talen mooi, maar het Engels had daarnaast toch ook behoefte aan een andere tegenstelling: het vlees van de een is het gif van de ander (one man's meat is another man's poison). Jammer dat dit niet rijmt.
In het Spaans wordt niet gesproken over ‘de een en de ander’. De allermooiste variatie op het thema ‘de een zijn dood is de ander zijn brood’ komt uit hetzelfde Spanje. Wanneer een monnik sterft zeggen de anderen: een vijand minder en een portie meer (cuando un fraile se muere, dicen los demás: un enemigo menos, y una ración más).
Alternatieven bij Brood Gebrek
Hoe alledaags brood ook is, toch kan het voorkomen dat je er gebrek aan hebt. Dan kun je kiezen: óf het wordt behelpen met iets heel eenvoudigs, óf je neemt iets dat juist veel lekkerder of luxueuzer is. Van dit laatste geval gewaagt het spreekwoord bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien. Franse versie: a défaut de pain on mange des croûtes de pâté; Duits: in der Not ißt man Pastetenrinde für Brot. De spreekwoorden hebben nu natuurlijk een ironische lading, maar vroeger was dat anders.
De pasteikorst was niet bestemd om gegeten te worden en gold dus als een niet bepaald luxueuze vervanging voor brood. Het spreekwoord betekende dus: soms moet je je toevlucht nemen tot iets minders. Duitsers behelpen zich graag met koek: wenn man kein Brot hat, soll man Kuchen essen. De Franse keuken biedt nog meer van dit soort prettige alternatieven. Zo komt de merel in de plaats van de lijster: faute de grives on mange des merles, en is kip het luxueuze surrogaat voor kabeljauw: faute de morue, on mange du poulet.
Brood en Beleg: Een Onlosmakelijke Combinatie
Beleg en brood vormen een bijna ontroerende twee-eenheid. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de Italiaanse uitdrukking brood en kaas zijn (essere come pane e cacio), oftewel dikke vrienden zijn, of, om ‘in het brood’ te blijven, dikke mik met elkaar zijn. De innige verbondenheid van brood en beleg wordt alleen geëvenaard door die van hand en handschoen: in het Engels bestaat een uitdrukking hand en handschoen zijn (to be hand and glove). Duitsers en Engelsen zijn, net als wij, dicke Freunde, thick friends.
Zoete broodjes bak je nadat je je eerst nogal scherp hebt uitgelaten over iets. Je hoopt de desbetreffende persoon alsnog mild te stemmen. De Friese broodjes zijn bij deze gelegenheid niet zoet, maar klein of zacht: lytse of sefte broadsjes bakke. In het Duits rasp je zoethout (Süßholz raspeln), of je deelt honingkoeken uit (Lebkuchen austeilen). Het hangt van de smaak van de begunstigde af welke lekkernij hem het gunstigst zal stemmen. Engelsen eten zelf, en wel humble pie.
labels: #Brood




