Tot de typisch noordgroningse gemeente 't Zandt - vruchtbare bouwlanden en stoere boerderijen - behoorden omstreeks 1840 de dorpen 't Zandt, Zeerijp, Leermens, Eenum en Oosterwijtwerd, met de gehuchten Zijldijk, Kolhol, Korendijk en het Zandtster Voorwerk. Aan de noordkant grenst de gemeente aan die van Uithuizermeeden, in het zuiden aan Loppersum en Appingedam.

Het dorp 't Zandt zelf was - volgens v.d. Aa, in zijn aardrijkskundig woordenboek - een aanzienlijk dorp met een ruime, brede, niet verharde straat, lopende zuid-noordwaarts langs kerk en toren, die aan de westzijde van de straat staan. Verder woonden er toen 70 afgescheidenen, 150 doopsgezinden (die in Zijldijk en Leermens kerkten), 20 rooms-katholieken en 5 joden.

Kerkelijke Onrust en de Afscheiding

Ook in 't Zandt was het in 1834 onrustig geworden en heersten er spanningen in het kerkelijk leven. Hierover licht ons o.m. een brief van T.F. Uilkens uit Loppersum in. Deze toen (1834) 64-jarige predikant te Loppersum - waar hij al 37 jaar had gestaan - had maar het liefst gewild, dat het Provinciaal Kerkbestuur de Cock voor krankzinnig had verklaard. Deze was toch maar ‘zonder dat de sukkel het zelf weet, een instrument in de hand van de algemene beweging’. En het verzet tegen de laatste benoeming der collatoren op 't Zandt was het gevolg van de inblazingen van de Cock. Het zijn slechts weinig woelgeesten - schrijft Uilkens - die daar alles in beweging brengen, maar de aanhangers van de Cock zijn tot alles in staat.

Want in april 1535 was 't Zandt het toneel geweest van een uitbarsting van geestdrijverij, veroorzaakt door wederdopers. Onder leiding van een schoenmaker en een tuinman (hovenier) was 's nachts een grote menigte bezig geweest om zogenaamd de godsdienst te verrichten. Niet alleen werden bij die gelegenheid priesters en monniken uitgescholden, maar ook de meest godslasterlijke woorden tegen de overheid uitgebracht. Het koninkrijk der hemelen heette aanstaande te zijn en de oordeelsdag nabij.

Precies 300 jaar later is er weer een kerkelijke explosie in 't Zandt: de Afscheiding breekt zich baan, nu een godsdienstige beweging van heel andere signatuur, al doen zich ook excessen voor. Hoe van hervormde zijde de reactie was, toonde ons hierboven al het schrijven van ds Uilkens uit Loppersum. We beschikken ook nog over een rapport over de Afscheiding in 't Zandt, gedateerd 17 februari 1836. Het is het antwoord op een verzoek van de minister om opgave van hen, die openlijk verklaard hebben zich af te scheiden, met vermelding van bizonderheden om de meerdere of mindere belangrijkheid van de ‘verenigingen’ der Separatisten te beoordelen.

We lezen daar, dat het aantal van hen die zich hebben afgescheiden, moeilijk is op te geven evenmin als van hen die al geruime tijd de kerkdiensten niet meer hebben bijgewoond. Of ze getekend hebben op een ‘lijst van afscheiding’ is onzeker. Naar schatting hebben 15 tot 16 gezinnen op 't Zandt en Zijldijk zich onttrokken aan de hervormde kerk. Ze hebben een eigen ‘kerkgenootschappelijke inrichting’ en komen samen in conventikelen, waarin de tijd voornamelijk gevuld wordt met bidden en psalmzingen. Langs de huizen lopen ‘drijfgeesten’, ‘om leken te vormen voor hun ideale gemeenten’. Kerkgang en catechisatie worden uitgescholden voor werken des duivels. Velen worden door de afschuwelijkste bedreigingen met dood en hel en verdoemenis in een toestand gebracht, waarin ze door de donkerste angsten worden gekweld, zodat ze totaal ongeschikt worden voor de burgerlijke samenleving.

Blijkbaar was het aantal Afgescheidenen in 't Zandt vrij groot, want het rapport vervolgt: Als de Separatisten in hun belangrijkheid moeten beoordeeld worden naar hun aantal, dan ziet het er voor de hervormde kerk niet zo mooi uit. Maar als men niet het aantal, maar ‘de personele hoedanigheden van kennis en verstand beschouwt, dan stelt de zaak weinig voor. Tenslotte wordt nog meegedeeld, dat de gewezen schoolmeester van der Werp overal op begrafenissen wordt gevraagd. Een keer werd zelfs de plaatselijke predikant gepasseerd en heeft v.d.

We verkeren in de gelukkige omstandigheid, dat een vrij uitvoerig verslag van het begin der Afscheiding in 't Zandt bewaard is gebleven. ‘In 1835 - aldus het relaas - was de Chr.

Op 22 mei 1835 - nog voor de instituering - veroordeelde de rechtbank te Appingedam de dagloner Derk Hindriks Medendorp, oud 33 jaar, wonende op de Korendijk onder 't Zandt, tot f 100 boete plus f 3,48½ proceskosten, wegens het laten houden van een godsdienstoefening te zijnen huize op 12 april 1835.

Die wijst een andere weg, nl. De bovengenoemde vorm van extase, die blijkens het vervolg tot allerlei excessen voerde, treedt daardoor duidelijk in haar over-geestelijkheid en on-geestelijkheid aan de dag. ‘De eerste maal toen dit gebeurde, hebben 4 jonge dochters achter elkander bijna 3 uur of daaromtrent in zulk een verrukking gelegen. grote oorlogen waren hun gedurige voorspellingen en zij gaven somtijds een vertoning of zij wezenlijk reeds in de strijd waren en het was byzonder opmerkzaam, dat zij, dewijl het meest zeer jonge lieden waren, en wel jonge dochters, zulke aangename en krachtige gebeden konden doen’. De lezer ziet het: een voorzichtig standpunt, dat blijk geeft de gevaarlijke invloed van de duivel te onderkennen en dat de eigen verantwoordelijkheid van Gods volk niet verwaarloost.

De eerste ouderlingen waren:

  • Heertjen Ubbens Dijksterhuis, Zijldijk, een 45-jarige landbouwer.
  • Jan Pieters Veldman, 't Zandt, waarschijnlijk een 49-jarige boerenknecht.
  • Derk Jans Karsies, Leermens, 38 jaar.

De eerste diakenen waren:

  • Pieter Aljes Bos, 35 jaar, landbouwer te 't Zandt.
  • Pieter Meinderts Dijksterhuis, een 21-jarige landbouwerszoon van de Korendijk, 5 jaar later de eerste Afgescheiden predikant van 't Zandt.
  • Luitje Bos, 't Zandt; waarschijnlijk een 39-jarige boerenknecht. Bij zijn huwelijk in 1820 met Frouwke Fokkes Bruins woonde hij in Oosterwijtwerd.

Omdat men nog geen kerkgebouw rijk was, vergaderde de gemeente op verschillende plaatsen, niet alleen zondags, maar ook in de week. Eén van die vergaderplaatsen was een boerderij aan de Westerweg, de eerste aan de rechterkant. Daar ging gewoonlijk in de leesdienst die gehouden werd, voor: J. Ook kwam men veel bijeen in het huis van wed. Ubbens, waar voorgingen P.A. Bos en H.K. Daar H. de Cock toen nog slechts de enige predikant was, die de Afgescheiden kerken in de provincie Groningen bezaten, kon hij betrekkelijk zelden voor de gemeente in 't Zandt optreden.

Zo vermelden de notulen, dat hij op zondag 7 juli 1839 in 't Zandt was. In de vroege morgen, voor het begin van de godsdienstoefening leidde hij een lange kerkeraadsvergadering. Vervolgens ging hij op die zondag voor in twee godsdienstoefeningen. Verschillende personen traden door belijdenis des geloofs tot de gemeente toe en niet minder dan 5 leden werden afgesneden. Bovendien werden in één van de beide diensten nog twee huwelijken bevestigd. Een welbestede zondag dus.

Wat overigens de toestand van de gemeente in die eerste jaren betreft, we mogen helaas niet zeggen, dat er in de beginjaren vrede en aangename rust heersten. Op 21 juni 1838 zijn de visitatoren K. v.d. Schuur en E.R. Meijer in 't Zandt. Ze rapporteren, dat deze gemeente al meermalen kerkvisitatoren heeft gehad ‘om de menigvuldige twisten, en oneenigheden, welke er plaats hadden tusschen de Kerkeraadsleden, en de leden der gemeente’. Ze lezen dan eerst voor wat in de laatstgehouden kerkeraadsvergadering met de visitatoren was besloten ‘om tot vrede en eenigheid’ te komen.

Het volgend jaar (1839) onttrok D.J. Karsies zich ‘boos en wrevelmoedig’ aan de kerk. Járen later - in 1863 - keerde hij met belijdenis van schuld terug. Ouderling J.P. Veldman - die herhaaldelijk de gemeente op de classis Appingedam had vertegenwoordigd - moest in 1840 als ouderling ‘om beroering en lastering’ worden afgesneden. Het jaar 1840 is wel uiterst zwaar voor de kerkeraad van toen, want er was ook nog diaken Derk P. Gelukkig ontving deze beproefde gemeente in dat zware jaar 1840 een eigen Herder en Leraar in de persoon van de 26-jarige Pieter Meinderts Dijksterhuis (1814-1882), die bij de instituering in september 1835 één der eerste diakenen was geworden.

Op 21 april 1840 werd hij in zijn ambt bevestigd door ds H. de Cock in de boerderij van zijn moeder, de wed. Dijksterhuis is één van de sierlijkste en belangrijkste Afgescheiden predikanten geworden. De visitatoren kunnen na hun bezoek op 24 juni 1840 rapporteren: ‘Alles werd tot onze blijdschap hier wel bevonden en na nog een ogenblik met elkander broederlijk zamen sprekens, zijn wij van elkander gescheiden met het zingen uit Ps. 134:3 en dankzegging door broeder J. Nienhuis’.

We denken hier aan de plannen tot kerkbouw, die trouwens in bijna elke gemeente de gemoederen snel in beroering kunnen brengen, al was het alleen maar vanwege het financiële aspect der zaak. omvatte, wensten de leden te Zijldijk, dat het kerkgebouw halverwege 't Zandt en Zijldijk zou worden gebouwd. Dit voorstel kon evenwel in de kerkeraad geen meerderheid vinden, want op 13 mei 1840 werd met 4 tegen 1 stem besloten het kerkgebouw te plaatsen op 't Zandt. Een zekere animositeit tussen Zijldijk en 't Zandt valt niet te ontkennen. Toch handhaafde de kerkeraad zijn besluit, maar bepaalde op 10 juni, dat wanneer de leden te Zijldijk niet wensten bij te dragen voor he...

Joodse Gemeenschappen in Groningen

In de tweede helft van de 16e eeuw vestigden zich incidenteel Joden in de stad Groningen. Aan het eind van die eeuw woonden er geen Joden meer in Groningen. Pas eind 17e eeuw zouden zich opnieuw Joden in de stad vestigen. Appingedam kende daarentegen een vrijwel ononderbroken vestiging van Joden sinds 1563.

Na toestemming van de plaatselijke redgers (= rechters) vestigden zich vanaf het midden van de 17e eeuw enkele Joden te Delfzijl (1655), Farmsum en Nieuweschans (beide plaatsen circa 1656). In Appingedam ontstond zelfs een kleine Joodse Gemeente. Voor de Joden in genoemde plaatsen was er in Farmsum zeker vanaf 1680 en mogelijk zelfs al sinds 1655 een begraafplaats. Gedurende vrijwel de hele 17e eeuw trachtte de hervormde kerk, die in de provincie Groningen een sterke anti-joodse houding vertoonde, haar invloed bij de wereldlijke autoriteiten aan te wenden om de vestiging van Joden tegen te gaan. Zij vond hiervoor echter geen gehoor en verlegde in 1670 haar activiteiten van het weren naar het bekeren van Joden. Maar was ook hierin niet erg succesvol.

In andere delen van de provincie vestigden zich op veel kleinere schaal Joden. De plaatsen waar zich meerdere Joden vestigden ontstonden Joodse Gemeenten. Zij werden bestuurd door zogenaamde parnassim. De geestelijke leiding was in principe in handen van een rebbe of godsdienstleraar, die meestal tevens het ambt van voorzanger en ritueel slachter waarnam. Bekende rabbijnen in onze provincie zijn Baruch de Beer te Veendam en Pekela, Aron Mozes Frankforter te Winschoten en Izak Jozefs Cohen en Samuel Berenstein te Groningen.

Grotere Joodse gemeenschappen hadden tevens een synagoge (Pekela 1737 en 1792; Veendam 1745 en 1798; Winschoten circa 1771 en 1797) en begraafplaats (Pekela 1693; Veendam 1741; Leek 1783; Winschoten 1797 en Nieuweschans 1811). De kleinere Joodse gemeenschappen behielpen zich met zgn.

Joden konden zich in stad en land niet vrijelijk vestigen, overigens gold dat voor iedere migrant ongeacht hun religieuze denominatie. Zij moesten hiervoor toestemming vragen aan de bevoegde autoriteiten. In 1754, 1765 en 1774 vaardigden de autoriteiten regels uit voor de vestiging van Joden, die golden voor de hele provincie. Die verhinderden niet de illegale vestiging van Joden. In de stad konden Joden zich alleen bezig houden met ongeregelde handel. De uitoefening van de meeste andere beroepen werd hier via gilden geregeld.

In 1796 kwam er met de afkondiging van de burgerlijke gelijkstelling een eind aan de civielrechterlijke uitzonderingspositie van de Joden; Joden werden nu gelijkgesteld met de andere inwoners van de zogenaamde Bataafse Republiek. De autonomie van de Joodse Gemeenten behoorde daarmee tot het verleden. Het doel van deze bestuurlijke maatregel was om de Joden met hun eigen cultuur en taal te integreren in de maatschappij. Dit emancipatiebeleid werd na het herstel van de onafhankelijkheid in 1814 door koning Willem I verder uitgebreid.

labels: #Vlees

Zie ook: