Tijdens de bezettingsjaren had ook dierentuin Artis in Amsterdam te maken met de gevolgen van de oorlog.
Artis tijdens de Oorlogsjaren
Naast schade aan gebouwen en het verlies van dieren, boden delen van het terrein onderdak aan onderduikers. Na de bevrijding was de dierentuinwereld vooral bezig met het herstel van de oorlogsschade, het opvullen van de ontstane leemten in de diercollectie en het wegwerken van achterstallig onderhoud. Geschiedschrijving had een lage prioriteit.
Bewonderenswaardig is vooral hoe directie en medewerkers het voor elkaar kregen om in de oorlogsjaren toch meestal net voldoende hooi, vis, vlees, groente, fruit en zaden te bemachtigen voor de dieren, en steenkool en elektrische energie voor de verwarming van hun verblijven en de pompen in het aquarium. Maar in de Hongerwinter was het - zoals overal in Amsterdam - afzien en de schaarste nijpend.
In deze bijdrage zal een schets van het dagelijks leven in Artis worden gegeven aan de hand van een aantal oude krantenartikelen, divers archiefmateriaal en veel herinneringen van en interviews met onder andere drs. Jan Overgoor, in de oorlog hoofd administratie en vanaf 1948 adjunct-directeur econoom, enkele onderduikers, de oud-Artisoppasser Cor Wiers, die als 14 jarige in maart 1939 in dienst van het genootschap trad en van Lily van Nieuwenhoven - Sunier, de dochter van de toenmalige directeur Dr. Armand Sunier.
Artis was een belangrijk uitje voor Joods Amsterdam, vooral op de zaterdag en op de joodse feestdagen. De entree werd dan voor de Sjabbat of op de zondag erna voldaan. ‘…dat vooral op zaterdagmiddag veel joodse leden van Artis in de tuin rondliepen. De dierentuin diende als een soort sociëteit voor de Joodse elite uit die buurt.
Het is zonder twijfel te danken aan het moedige optreden en de creativiteit van directeur Sunier, dat Artis niet alleen is blijven voortbestaan, maar bovendien honderden mensen voor slavenarbeid, deportatie en hongerdood werden behoed.
De voeding van de dieren, de roofdieren vooral, vormde natuurlijk het grootste probleem. Weliswaar had Dr. Sunier in een gehuurd vrieshuis vlees opgeslagen, voornamelijk afkomstig van noodslachtingen en verdronken dieren uit de geïnundeerde gebieden rond Amsterdam en Utrecht. Toch bleef de nood gedurende de oorlogsjaren hoog. Zo werden regelmatig overtollige of gestorven Artisdieren opgevoerd en dezelfde weg gingen de vele particuliere honden, katten en konijnen, waarvan de eigenaren het onderhoud niet meer konden dragen of waren gedeporteerd.
De in Artis gestorven dieren werden door de preparateurs Graat en Rozendaal vakkundig verwerkt, waarbij de voedselvoorziening en het wetenschappelijk belang om voorrang streden. In de laatste oorlogsjaren vormde de elektriciteitsvoorziening een vrijwel continu probleem. Vlak voor de bevrijding was alleen het aquarium, met haar lucht- en waterpompen natuurlijk de belangrijkste verbruiker, nog op de stroomvoorziening aangesloten; met de hulp van een enkele gemeenteambtenaren werd illegaal elektriciteit afgetapt van de speciale kabel langs de trambaan naar het hoofdkwartier van de Grüne Polizei in het Koloniaal Instituut, het huidige Koninklijk Instituut voor de Tropen.
Volgens het ochtendrapport van 14 juli 1941: ‘De brandbommen richtten de nodige schade aan in het vogelhuis, de timmermanswerkplaats, enkele dienstwoningen (van de werkbaas en de tuinbaas) brandden geheel af, de keuken van het apenhuis, de Middenzaal, roofdierengallerij (op de hooizolder bij de benedenkooien), de kraanvogelgalerij, antilopenstallen, giraffenstallen, (waar het oppasserskamertje uitbrandde), het Zoölogisch Laboratorium, de wisentenperken, het nijlpaardenhuis, het skelettenmuseum en de Ledenserre.
Vanwege de verstikkende rook in de dierverblijven moesten sommige dieren losgelaten worden, de jonge poema Minka, een Bengaalse tijger, een giraffe en de nijlpaarden.
De ramp was compleet toen op 14 april 1945 deze laatste stroomtoevoer uitviel en de rest van het ingevroren vlees grotendeels verloren ging. De watercirculatie in het aquarium kon na de stroomuitval juist op tijd worden overgenomen door een in allerijl door gemeenteambtenaren aangevoerde benzinemotor. De vaten benzine, die Sunier bij het uitbreken van de oorlog in de tuin had verstopt, bewezen goede diensten en waren net voldoende om de motor tot aan de bevrijding gaande te houden.
Vanaf 8 mei schonk het Canadese leger de dagelijks benodigde benzine en smeermiddelen. De vindingrijkheid was groot als het ging om het in leven houden van de levende have. Zo zijn vele reuzenslangen de oorlogsjaren doorgekomen op een dieet van verwilderde katten en ratten.
Vangen loonde, de Artismedewerkers kregen 5 cent per rat. Men raakte ook zeer bedreven in het vangen van verwilderde duiven, wilde eenden en zelfs mussen en spreeuwen. Een grote kraamkliniek leverde dagelijks de nageboortes ten behoeve van de roofdieren. Kinderen werden in de herfst aangemoedigd eikels, beukennootjes en kastanjes te verzamelen voor de hongerende levende have.
Op het eind van de oorlog zijn de grote katachtigen nog enige tijd gevoerd met stokvis; na enige tegenzin werd het toch opgenomen. Honger maakte voor een ieder rauwe bonen zoet. De diefstal van kippen, duiven, konijnen, eenden en ganzen en zelfs eens een heel varken van de Kinderboerderij waren illustratief voor de situatie in de stad.
In februari 1941 werd het stuk Amsterdam - niet ver van Artis - met borden gemarkeerd als ‘Juden Viertel, Joodsche wijk’. Duitse autoriteiten overwogen er een getto van te maken. De niet-joodse bevolking (ca. 46%) zou dan moeten verhuizen. Het plan werd niet uitgevoerd.
Door een reeks maatregelen werden de joden geleidelijk afgezonderd van de rest van de bevolking. En zoals alle cafés, parken en openbare gelegenheden, werd ook Artis vanaf september 1941 voor Joden verboden. In totaal moesten 335 leden ‘bedanken’. Correct, zeker voor die tijd, betaalde Artis hen de helft van de voor dat jaar betaalde contributie terug.
In de oorlogsjaren vonden tussen de twee- en driehonderd mensen in de tuin - verstopt in tal van dierverblijven, op hooizolders en in de holle apenrots en bokkenrots - een veilig onderkomen; vooral joodse buurtbewoners, jonge mannen die aan dwangarbeid in Duitsland probeerden te ontkomen, en een enkele verzetsman.
Op 4 december 1940 kon directeur Sunier niet langer onder de nieuwe regelgeving uit en moest Rudolf Polak, oprichter en beheerder van het insectarium, worden ontslagen. Als blijk van waardering voor zijn aan Artis bewezen diensten werd de betaling van zijn vergoeding gehandhaafd. Via Gedeputeerde Staten van Noord Holland lukte het Sunier vervolgens nog om het ontslag nietig te verklaren, omdat de ‘vrijwilliger’ Polak niet beschouwd kon worden als lid van het Artispersoneel. Bovendien, hij ontving voor zijn werkzaamheden geen loon maar slechts een onkostenvergoeding. Uiteindelijk werd Polak toch afgevoerd naar een Nederlands concentratiekamp.
Sunier zorgde er echter wel voor dat hij op een lijst kwam te staan van bijzonder waardevolle en onmisbare personen, ‘Joden, die eventueel konden worden uitgewisseld c.q. verkocht tegen goederen uit Zwitserland’. ‘De oud-beheerder van het insectarium is in leven.
Hoewel Artis verder geen joodse medewerkers in dienst had kende de hoofdstedelijke dierentuin wel drie Joodse bestuursleden, waaronder de voorzitter, de flamboyante Robert May, directeur van de bank Lippmann Rosenthal & Co. Van de beide andere Joodse bestuursleden kon de gedeputeerde van de Provincie Noord Holland, Eduard Polak, tijdig ontkomen naar Engeland.
Op 15 mei 1940, toen de Duitse bezetting een feit was, pleegde dr. Emanuel Boekman, bestuurslid van Artis namens de gemeente Amsterdam, samen met zijn vrouw zelfmoord. Voorzitter Robert May zag kans zich ‘administratief dood te laten verklaren’ en overleefde - mogelijk daardoor - in zijn eigen appartement de bezettingsjaren.
Doordat de energieke en inventieve dr. Sunier met veel overredingskracht bij de bezetter een forse toewijzing had weten los te krijgen voor de nodige hoeveelheden hooi en stro, en redelijk assortiment aan vis, vlees, groente, fruit en zaden, hoefden in de eerste oorlogsjaren in Artis geen dieren en mensen honger te lijden. Zelfs waren er nog sigaretten; boven de leeuwen zaten namelijk 2 zoons van tabakswinkelier Swaan ondergedoken.
De voedselvoorziening voor de hoefdieren was natuurlijk aanmerkelijk eenvoudiger te regelen dan de bevoorrading voor de roofdieren, vogels en apen. Hooi werd door de koetsier Veldhuis per paard en wagen aangevoerd uit de omliggende polders, parken en plantsoenen en met name de Oosterbegraafplaats leverde voldoende takken en vers gemaaid gras. De beide koeien van het genootschap zorgden voor melk, waarvan een zogenaamde. “stremming” werd gemaakt voor veeleisende Artisbewoners zoals sommige apen en vogels.
In het laatste oorlogsjaar was ook voor de Artismedewerkers de nood hoog. Met een suppletie van in de tuin gevangen eenden en duiven, een stukje afgekeurd, maar wel door-en-door gekookt vlees en als grootste traktatie, restanten rijst met stroop van ingekookte suikerbieten, redde men het nét. Overigens in ongekookte toestand niet ongevaarlijk; goed bedoelde voederpogingen van bezoekers met stukjes suikerbiet kostte enkele dieren het leven.
Ten slotte werden de graanzolders aangeveegd om van de resten van de eertijds enorme voorraden graan, zonnebloempitten, millet, hennep en pinda’s, die reeds voor de oorlog waren aangelegd, brood te bakken. Niemand klaagde over de meegebakken rattenkeutels, een substantieel deel van de grondstoffen.
Oppasser Cor Wiers vertelt hierover: “Natuurlijk kreeg ik, net als de anderen, oproepen om in Duitsland te werken, maar het lukte directeur Sunier steeds opnieuw om voor een Ausweis te zorgen. Er waren ik weet niet hoeveel oppassers ‘onmisbaar’. Maar in de loop van 1943 moesten we toch onderduiken. Ik zat met een man of twintig boven de roofdieren.
Op het Artisterrein waren op hetzelfde tijdstip doorgaans enkele tientallen onderduikers aanwezig; er wordt geschat dat in totaal zo’n 200 tot 300 mensen een of meerdere dagen of weken bleven. Niemand wist precies hoeveel. Er werd om redenen van veiligheid ook niet over gesproken.
Voor sommige onderduikers was het na de oorlog een verrassing te horen, dat een goede vriend of vriendin slechts enkele stallen verder had gebivakkeerd.
Oppasser Van Schalkwijk - 52 jaar in dienst bij Artis - beheerde tijdens de oorlog het apenhuis en de apenrots. „Bij een razzia kwamen de jongens door de Plantage Doklaan heen en dan liet ik ze door de achterdeur het apenhuis in. We gingen daarna meteen naar de apenrots toe waar ik een plank over het water legde. Zij zaten dan in de rots bij de apen. Door het water om de rots hadden de Duitsers natuurlijk geen erg dat er joden zaten.
De verzetsman Henk Blonk dook in 1942 onder in de tuin omdat hij door de Duitse politie werd gezocht. Het werd hem een beetje te heet onder de voeten toen hij op het nippertje ontsnapte bij een inval van de Grüne Polizei op een onderduikadres bij de Loosdrechtse Plassen. Ik was al mijn contactadressen kwijt en heb toen met oppasser Van Schalkwijk van het apenhuis gepraat. Hij zei: ‘Ga vannacht maar in het hok van de chimpansee.
Ik sliep dus in het hok van de chimpansee. Het barstte er van de kakkerlakken. Ze liepen over me heen en hebben zelfs een stuk van mijn wenkbrauw opgevreten. In de kooi ernaast zat de gorilla Japie. Japie zat me de hele tijd door een gaatje in de wand te beloeren. Je dacht redelijk veilig te zitten maar die aap verlinkte eigenlijk alles.
Overdag mengde Blonk zich, net als alle andere onderduikers van Artis, gewoon onder het publiek. Er hing dan een vreemde sfeer in de tuin. Blonk herkende veel joodse Amsterdammers, die voor de oorlog vaak naar de dieren kwamen kijken, maar kon niet met ze praten. Enkele onderduikers bleven zelfs jaren, zoals de joodse mevrouw Duifje van den Brink, die door de oppassers Jonker en Rozendaal werd verzorgd en die overdag zonder ster in de tuin liep om hier en daar een praatje te maken.
Begin 1944 kwam de joodse Hartog W. via zijn christelijke neef Andries, die werkzaam was in Artis, via de zijingang van het Vogelhuis de tuin binnen. Hartog is op drie verschillende perioden in Artis ondergedoken geweest - geblondeerd natuurlijk; in totaal zo’n zes maanden.
Hartog werd ’s avonds naar Artis vervoerd, het laatste deel in de Plantage Doklaan met een jute zak over zijn hoofd, zodat hij niet wist op welke manier en waar hij de dierentuin was binnengekomen. In de Hongerwinter hielp Hartog zijn neef Andries. Sunier wist alles maar manoeuvreerde uiterst deskundig door dit riskante mijnenveld.
Op de een of ander manier leek op deze wijze toch iedereen in Artis, legaal of ondergedoken, aan zijn trekken te komen doordat hij in bepaalde circuits zat dan wel dat er mensen voor hem of haar zorgden.
In de eerste bezettingsjaren verschenen er vaak foto’s van Duitse soldaten in Artis in de kranten. Dit paste in het beeld van een vriendelijke bezettingsmacht, dat bewust naar buiten werd gebracht om de Nederlanders gunstig te stemmen.
Dat het slechts bij enkele aanvaringen met de bezetter gebleven is, wekt verbazing gezien het feit dat enkele Artismedewerkers bepaald “fout” waren; een kantoorklerk sympathiseerde op relatief ongevaarlijke wijze met de bezetter, maar voor de pachter van het restaurant was het oppassen geblazen. Op het Artisterrein werden geen arrestaties verricht. Eén medewerker van de afdeling beplantingen nam dienst bij de Waffen SS en reisde af naar het Oostfront.
De sterfte onder de levende have was niet groter dan normaal, maar aanschaf van nieuwe dieren in de oorlogsjaren was vrijwel onmogelijk en de natuurlijke aanwas door geboortes kon de verliezen door sterfte niet compenseren.
Drs. “Op een zondagmorgen in 1947 werden Sunier en ik op het kantoor van Artis verwacht. Bernard van Leer verscheen daar ook. Hij kwam Artis een geschenk aanbieden. Het bleek een gift van circa honderdduizend gulden. Voor dit bedrag moesten dieren worden aangeschaft. Van Leer hield woord.
“…de giraffennekken staken uit het schip de ‘Nijkerk’, die de nieuwe dieren vanuit Zuid-Afrika naar Artis had gebracht. Duidelijk is vooral dat Ar...
De Opkomst van Groente- en Fruitteelt in Hillegom
Nu brak er echter een tijd van welvaart aan voor onze streek, langzaam aan werd er een begin gemaakt met het afgraven van de duinen. Er werd steeds meer groente en fruit geteeld, Hillegom kreeg in 1717 een eigen groenten en fruitmarkt in Amsterdam.
Van 1722 kocht Mr. Jan Six, een rijke Amsterdamse koopman, de ambachtsheerlijkheid Hillegom en alras ging hij verbeteringen aanbrengen, onder andere in 1724 liet hij een stenen brug over de Beek aanleggen, tussen 1726 en 1728 werd een deel van de Heereweg in het dorp bestraat, in 1731 werd de Molenbrug door een stenen vervangen en in 1740 werd de pomp op het dorpsplein bebouwd.
Bij 150 jaar later, in 1746, laat de grote kaart van Rijnland een aaneenschakeling van buitenplaatsen zien in de ambachtsheerlijkheid Hillegom. Van noord naar zuid noemen we: Bethlehem, Oostende, Horstendael, Weeresteyn, Treslong, Duin en Weg, Meer en Dorp, Het Hof, Lapinenburg en Elsbroek en dat waren echte lusthoven, omgeven door luisterrijke parken met vijvers, enz.
Maar toch, zo tegen de Franse tijd begon de aftakeling al. Voor 1800 waren er al enkele buitenplaatsen verdwenen, opgekocht door handelaren uit de grote steden, die nu niet de bedoeling hadden er te gaan wonen, projectontwikkelaars zouden we nu zeggen. Ze verkochten de vrijkomende gronden en die werden ontdaan van de bossen en afgegraven. De kopers waren: Famillies Telkamp, Van Waveren, Van Till, Van Teijlingen, Lommerse e.a.
Boerderijen en Lokale Producten
Ben je op zoek naar verse en lokale producten van hoge kwaliteit? Zoek dan niet verder en breng een bezoek aan een boerderij in de buurt van Ellertshaar waar producten rechtstreeks aan de consument worden verkocht! Dit is niet alleen een fantastische manier om verse producten te kopen, maar ook om te ontdekken wat er allemaal op de boerderij te beleven is.
Wonen en Werken op de Boerderij
Boerderijen zijn meer dan alleen plaatsen waar producten worden verbouwd en verkocht. Het zijn levendige gemeenschappen waar mensen wonen en werken. Boerderijen worden vaak gerund door families die al generaties lang in de landbouw werkzaam zijn. Deze families werken hard om hun producten te verbouwen, oogsten en te verkopen, zodat ze kunnen voorzien in de behoeften van de (lokale) gemeenschap.
Historie van Boerderijen
Boerderijen hebben een rijke geschiedenis. Ze zijn al duizenden jaren een essentieel onderdeel van de samenleving. Vroeger waren boerderijen de belangrijkste bron van voedsel voor de lokale gemeenschappen en speelden ze een belangrijke rol in de economie. Tegenwoordig zijn boerderijen nog steeds belangrijk, maar om verschillende redenen.
Ze bieden niet alleen voedsel, maar ook werkgelegenheid en een gevoel van verbondenheid met de natuur en de lokale gemeenschap. Naast het verbouwen en verkopen van producten, worden er vaak allerlei activiteiten georganiseerd, zoals rondleidingen, workshops, evenementen. Kinderen kunnen leren over de natuur en het boerenleven, terwijl volwassenen kunnen genieten van de rust en het prachtige landschap.
Daarnaast worden er op sommige boerderijen ook dieren gehouden, zoals koeien, schapen en varkens, die je kunt bezoeken en aaien. En niet te vergeten kamperen bij de boer, overnachten in een oude varkensstal, bloemen plukken in de pluktuin en zelfs je kinderen onderbrengen bij de kinderopvang op de boerderij.
Aantal Boerderijen in Nederland en Spreiding
Nederland telt ongeveer 53.000 agrarische bedrijven. Het merendeel van deze bedrijven zijn familiebedrijven en kleinschalig. Er is een grote spreiding van boerderijen over het hele land. Je vindt ze in de stad, maar ook in landelijke gebieden.
Verloop van Boerderijen in Nederland
In de afgelopen decennia is het aantal boerderijen in Nederland (helaas) afgenomen. Veel boeren hebben hun bedrijf moeten sluiten vanwege economische of persoonlijke redenen. Echter, de afgelopen jaren is er een toenemende belangstelling voor lokale producten, duurzaamheid en een gezonde levensstijl. Dit heeft geleid tot een groei van het aantal boerderijen waar producten rechtstreeks aan de consument worden verkocht.
Een bezoek aan een boerderij in Ellertshaar en omgeving waar producten rechtstreeks aan de consument worden verkocht, is niet alleen goed voor de lokale economie, maar ook voor jou als consument. Je kunt genieten van verse en gezonde producten terwijl je een kijkje neemt in het dagelijks leven op de boerderij. Het is een geweldige manier om meer te leren over waar ons voedsel vandaan komt en hoe het wordt geproduceerd.
Conserveringstechnieken door de Eeuwen Heen
Een leven zonder koelkast is amper voor te stellen. En toch maakt dit apparaat ons leven pas gemakkelijker sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw. Hoe zag ons leven er voor die tijd uit? Wereldwijd zijn historische resten van vrijwel alle conserveringstechnieken die we nu kennen terug te vinden.
Veel van deze ‘verduurzamingsmethoden’ zijn op meerdere plekken afzonderlijk van elkaar ontwikkeld, waardoor het moeilijk te bepalen is waar en wanneer producten precies zijn ontstaan. Door opgravingen van potten en kruiken weten we dat wijn en bier ten tijde van de oude Egyptenaren, Grieken en Romeinen al veelvuldig vloeiden. Ook kaas is een heel oud product; er zijn resten van kazen in Egypte gevonden, maar ook in het verre Oosten. Het verhaal doet de ronde dat kaas is ontstaan ten tijde van de nomaden, die melk bewaarden in magen van kalveren.
In de prehistorie leefden we als verzamelaars en aten we onze vondsten vaak zo snel mogelijk op. De enige manier die wij kenden om voedsel zoals bessen en vlees langer goed te houden, was door het te drogen in de zon en later - het moest immers eerst uitgevonden worden - boven vuur. Dit laatste is de basis voor het roken van voedsel zoals we dat nu kennen. In de periode 500-1500 na Christus werden we creatiever en inventiever.
Kastelen en landhuizen werden voorzien van ijskelders, waar in de winter grote ijsblokken werden opgeslagen. Het ijs werd uit bevroren vijvers gehakt of gemaakt door sneeuw aan te stampen. Zo’n ijskelder was echter alleen voor de rijke mensen weggelegd.
De gewone mensen gebruikten nog steeds methoden als drogen en roken, maar begonnen daarnaast ook ingrediënten aan producten toe te voegen om ze langer houdbaar te maken. Groente werden gesneden en ingelegd op zuur (azijn). Zout en suiker werden gebruikt om te pekelen en confituren, en daarmee vocht uit voedsel te onttrekken. Door onze gunstige ligging aan de Noordzee was zout (uit het zeewater, maar vooral uit zoutmijnen) goedkoop en in overvloed beschikbaar. Suiker was daarentegen lange tijd een duur en schaars goed.
Ook fermenteren werd steeds meer toegepast. Bij dit proces verandert een product onder invloed van micro-organismen in zuurgraad, smaak, geur, verteerbaarheid en houdbaarheid. Deze micro-organismen zijn grofweg in twee groepen in te delen: melkzuurbacteriën en gisten.
Melkzuurbacteriën zorgen er bijvoorbeeld voor dat melk omgezet wordt in kaas en yoghurt, vers vlees in onder andere cervelaat en salami, en witte kool in zuurkool. Bij bacteriën denk je gauw aan een gevaar voor de voedselveiligheid, maar voor het fermentatieproces zijn bepaalde bacteriën dus juist essentieel. Producten als gedroogd vlees, gepekelde vis en kazen werden nog steeds bewaard in de kelder, de koelste plek in huis.
Rauwe groente werden in veel mindere mate bewaard, alles was verduurzaamd, geweckt, gedroogd of gezouten.
De Ontwikkeling van Moderne Conservering
Halverwege de negentiende eeuw kwam de ontwikkeling van conserveren door middel van hitte in een versnelling. Uitvinder Nicolas Appert ontdekte de wecktechniek, waarbij een weckpot gevuld met voedsel (bijvoorbeeld groente of fruit) wordt afgesloten met een glazen deksel, een weckring en metalen klem en vervolgens in een waterbad wordt verwarmd en gesteriliseerd.
Bij deze techniek gaan in principe alle bacteriën dood, mits het goed gedaan wordt. Deze techniek was simpel genoeg voor mensen om thuis de groenten van eigen grond te verwerken. Kort na de uitvinding van conserveren in glas werd ook het conservenblik uitgevonden. Beide methoden zorgden ervoor dat er minder producten weggegooid moesten worden door bederf.
Niet veel later kwam de Franse microbioloog Louis Pasteur tot de ontdekking dat het kort verhitten van voedingsmiddelen schadelijke bacteriën vernietigt zonder het voedsel aan te tasten. In tegenstelling tot steriliseren gaan bij dit proces niet alle bacteriën dood, waardoor de verhitte producten maar beperkt houdbaar zijn en gekoeld bewaard moeten worden.
Rond diezelfde tijd ontwikkelde landgenoot Charles Tellier de allereerste koelmachine, welke diverse uitvinders (inclusief Einstein) genoeg inspiratie gaf voor de ontwikkeling van de eerste koelkast. De komst van de koelkast halverwege de twintigste eeuw heeft een grote invloed gehad op onze leefstijl. Naast dat we (rauwe) voedingsmiddelen langer kunnen bewaren en deze daardoor minder snel bederven, gebeurden er ook minder ongelukken bij doe-het-zelf conserveerders.
De conserveringstechnieken van vroeger worden tegenwoordig op grote, industriële schaal nog steeds gebruikt. In essentie zijn deze hetzelfde gebleven, alleen het proces is efficiënter. Het enige proces wat echt is veranderd, is roken. Voor het verlengen van de houdbaarheid van vlees en vis hebben we inmiddels efficiëntere manieren, en rook bevat kankerverwekkende stoffen.
De Betekenis van Kleuren in de Natuur
In de natuur hebben kleuren altijd een betekenis. Planten die insecten moeten lokken om voort te leven, hebben vaak heel felle kleuren. Kleuren kunnen ook worden gebruikt als therapie. Al in 2000 voor Christus gebruikte men in India kleuren als therapie. Ook de Egyptenaren gebruikten kleuren al vroeg met een therapeutisch doel.
Hier zijn enkele voorbeelden van hoe kleuren ons kunnen beïnvloeden:
- Blauw: kalmerend, verlaagt de bloeddruk en vermindert stress.
- Geel: stimuleert het zenuwstelsel en de hersenen, verhoogt de concentratie en het geheugen.
- Rood: verhoogt de hartslag en de bloeddruk, stimuleert de eetlust en verhoogt de ademhaling enz.
labels:
Zie ook:
- Ontdek de Verborgen Betekenis van het Koops Groente en Fruit Logo en de Impact van Kleuren!
- Ontdek de Magie van Workshops Sieraden Maken: Creatief en Uniek in Nederland!
- Welke Groente Past Perfect bij Jouw Hamburger? Ontdek Het Hier!
- Ontdek De Lekkerste Koekjes Met Olijfolie: Simpele Recepten & Verrukkelijke Variaties!
- Kersen op Taart: Decoratie & Recepten




