Daar kwam juist een groote groene Kikker aangesprongen. Hup, hup, ging het met groote sprongen tusschen de boomen. ‘Hé,’ dacht Wortelmannetje, ‘die schiet tenminste nog eens op! ‘O, ga je naar het water’, riep Wortelmannetje, ‘toe neem me dan mee, ik wou zoo vreeslijk graag eens water zien’.

‘Dank je nog wel hoor Slak’, zei Wortelmannetje en liep toen vlug naar de Kikker toe. inktzwam aan, die hij in de haast niet had gezien. Verschrikt keek het Wortelmannetje naar al die vieze vlekken. ‘Kom man,’ zei de Kikker lachend, ‘wat geeft dat nou? Noem je dat bedorven? Ik heb ook wel zwarte vlekken op mijn vel en staat dat soms niet mooi?

Hé, dat ging heerlijk, hup, hup, in groote sprongen, hup, daar waren ze al uit het bosch op de groote heide, en hup, hup daar zaten ze midden tusschen heel hoog en heel dik gras. Kijk, daar zag Wortelmannetje een groote glinsterende plek. ‘Hé dat mooie blauwe diertje’, zei Wortelmannetje, ‘wou je dat opeten?

‘Kwak, kwak, help, help,’ riep de Kikker, ‘de Ooievaar!’ Hup daar sprong hij midden in den Plas! Patsch, daar spartelde het arme Wortelmannetje ook in het water, Brr, wat was dat koud en nat! NEEN, hoor, dank je wel, ik weet nu al wat water is, ik heb er al genoeg van’, zei Wortelmannetje.

‘Dank je vriendelijk voor 't dragen, maar nu ga ik niet verder mee.’ Heel voorzichtig klauterde Wortelmannetje van de eene halm op de andere, hij gleed nog twee maal in 't water en krabbelde er met veel moeite weer uit.

‘Och, wat, een Slak en een Kikker, dat is ook geen gezelschap voor een Wortelmannetje. Daar waren ze al bij de koolvelden. ‘Kom, tast toe, vriend Wortelman, 't is heerlijk hoor’. Och, ik wou zoo graag eens menschen zien’. Net had 't Konijn dit gezegd, daar klonk het pif, paf, pang... ‘Help, help’, gilde hij.

‘Stil toch, stil dan’, bromde 't Konijn. ‘Jij met je menschen, dat was nu een mensch, een jager en die wil ons schieten, wat heb ik je nu gezegd! Maar 't Wortelmannetje had al lang genoeg van kool en van menschen. Hij beefde nog van schrik.

Wortelmannetje vond zijn mutsje weer, maar er was een leelijk gat in gebrand. Daar kwam een mooie groote Vlinder aangevlogen, zoo'n mooie had hij nog nooit gezien! De Vlinder zweefde over de heidebloemen en ging zitten op het mutsje, dat Wortelmannetje naast zich neergelegd had.

‘Goeden dag, Vlinder’, zei Wortelmannetje vriendelijk, ‘je zit op mijn mutsje, maar 't hindert niet hoor. Is 't niet heerlijk om zoo hoog in de lucht te zweven? ‘Hè, naar een tuin met bloemen. VLINDER, neem me mee, ik zou ook zoo graag die mooie bloemen zien.’

‘Best, ik wil je wel meenemen, als je me niet te zwaar bent, Wortelmannetje! Gelukkig was hij niet te zwaar, de Vlinder kon hem best dragen. Wel moest hij aldoor met de oogen knippen door de felle zon, maar dat zou wel wennen.

‘Zie je’, zei de Vlinder, ‘dat zijn nu de bloemen waarin ik honing ga zoeken. Vindt je ze niet mooi en ruiken ze niet heerlijk? ‘Wat zeg je daar! Menschen!’ riep Wortelmannetje verschrikt en hij kroop angstig tusschen de vleugels van den Vlinder, ‘laten we dan gauw weg gaan, als 't je blieft.

‘Maar Wortelmannetje, hoe kom je er bij? De menschen die in dit huisje women doen ons geen kwaad. Soms zijn er kleine menschjes in den tuin, die lachen en juichen als ze me zien, en ze roepen “O, kijk eens wat een mooie Vlinder!” Kom wees niet bang, verstop je niet zoo tusschen mijn vleugels.

O, o, wat was die Bij kwaad, toen Wortelmannetje daar pardoes op z'n rug kwam vallen! ‘Jou, leelijke indringer, dat zal ik je betaald zetten’ en meteen gaf hij een nijdige prik met zijn angel precies midden op Wortelmannetjes neus. Au, au wat deed dat een vreeselijke pijn!

Maar er was niemand om te helpen. Daar zat nu het arme Wortelmannetje met een vuurroode opgezwollen neus. O, was hij maar weer thuis in zijn eigen veilig holletje onder de denneboom. Maar hoe kon hij weer thuis komen? Waar zou de Vlinder toch zijn?

Voorzichtig klauterde hij uit de kelk langs de stengel naar beneden en sloop door een bosch van planten en bloemen en toen door de spijlen van een hek; daar was hij weer op de hei. In de verte zag hij het koolveld, waar hij zoo van die nare jager geschrokken was. Wat zou vriend konijn nu doen.

Zou hij zitten smullen van de kool? Neen hoor, een Konijn zou Wortelmannetje toch niet graag willen zijn. Nooit rustig te kunnen eten, uit angst voor pif, paf, pang...! van den jager, dat leek hem vreeselijk.

Verder, al maar verder liep hij over hei en velden. O, wat werd Wortelmannetje moe! Kijk, was daar niet het riet en de plas, waar hij ingevallen was? Van vriend Kikker was niets te zien. Die zwom nu zeker lustig rond in het water.

om in zoo'n leven pleizier te hebben. O, wat verlangde hij toch naar huis. Gauw maar verder! Gelukkig, daar zag hij de eerste boomen van het bosch. En wie kwam daar aangekropen? Was dat niet vriend Slak?

‘Praat me niet van de wijde wereld’, zuchtte Wortelmannetje, ‘ik heb er al meer dan genoeg van. ‘Dat heb je nu van je haast, Wortelmannetje, heb ik je niet gezegd: haastige spoed is zelden goed? Mijn moeder had altijd gelijk. Maar weet je wat, klim maar weer op m'n huisje, dan breng ik je weer thuis.

Toen vertelde Wortelmannetje al zijn avonturen. ‘Ja, man,’ zei de Raaf, ‘als je wat van de wereld wilt zien, dan moet je er wat voor over hebben, maar je bent ook wel heel ongelukkig te pas gekomen! Doet je je neus nog zoo'n pijn?

Den volgenden morgen was de pijn in den neus bijna over, maar 't arme Wortelmannetje voelde zich ziek. De Raaf kwam eens kijken. Wat waren ze allen vriendelijk en bezorgd! Ieder kwam met wat lekkers aandragen.

Ze brachten heerlijk malsche paddestoelen en sappige worteltjes en trosjes frissche bessen, die de vogels van heel ver, aan den rand van het bosch, hadden gehaald. D. Naar de groote, wijde wereld had hij geen verlangen meer. Misschien....

Wat was dat prettig, om naar die vreemde verhalen, te luisteren, van groote heide- en korenvelden, van watervlakten en weiden, van tuinen met allerlei groenten en vruchten en van prachtige kleurige bloemen. Vanaf dien tijd leefde het Wortelmannetje niet meer zoo tevreden in zijn holletje onder de wortels.

De Slak keek Wortelmannetje verbaasd aan. Hij vond 't nu juist niet pleizierig, om altijd je huis overal mee te moeten slepen. ALS je soms zin hebt om mee te gaan Wortelmannetje, klim dan maar op m'n huisje.’ ‘Meen je dat?’ vroeg Wortelmannetje blij. ‘Natuurlijk, kom maar mee,’ zei de Slak.

‘Zeg, Slakje, kun je niet een beetje harder loopen?’ vroeg hij vriendelijk.

labels:

Zie ook: