Alle woorden zijn thematisch of onomasiologisch ingedeeld, dat wil zeggen dat alle woorden rond een bepaald begrip bijeengezet zijn. De woorden zijn dus op enigerlei wijze betekenisverwant. Ze kunnen (ongeveer) eenzelfde betekenis hebben, dus synoniem zijn (opa en grootvader), maar er kan ook een hiërarchische betekenisrelatie tussen woorden bestaan, waarbij het ene woord (het hyperoniem) het andere (het hyponiem) insluit: zo is paard een hyperoniem van de hyponiemen merrie en hengst.
Soms vormt het hoofdthema het hyperoniem en zijn de verschillende woorden die daaronder vallen de hyponiemen: zo worden onder ‘granen’ alle graansoorten opgenomen. Maar ook associatieve betekenisrelaties kunnen binnen een thema vallen. Woorden met betrekking tot het aardrijk zijn veelal zeer divers en niet goed met elkaar vergelijkbaar.
De Invloed van de Omgeving op Taal
Het aardrijk is als eerste categorie van de thematische indeling opgenomen omdat ik ervan uitging dat de mens het eerst zijn directe omgeving benoemt. De gegevens bevestigen dit: de meeste woorden voor weersverschijnselen zijn oud en inheems. Zodra we de wereld gingen verkennen, eind zestiende eeuw, duiken de eerste leenwoorden op, en vanaf dat moment zijn de meeste woorden voor weersverschijnselen geleend, hoewel er ook nog inheemse benamingen verschijnen.
Graan: Een Belangrijk Landbouwproduct
Volgens de wetenschappelijke indeling van het plantenrijk zijn de granen een onderdeel van de grassoorten, maar vanwege hun gebruikswaarde voor de mens heb ik ze tot een aparte categorie gemaakt. Granen zijn belangrijke landbouwproducten. De Indo-europeanen hielden zich al met landbouw bezig, zoals uit hun woordenschat blijkt: ze kenden woorden voor ‘zaaien’, ‘ploegen’, ‘graan’, ‘ploeg’ en ‘juk’.
De woorden voor graansoorten zijn oud, en er zitten zeer oude leenwoorden bij (graan, rogge, rijst), want granen waren van oudsher een belangrijk handelsproduct; de graansoorten waarvan de naam geleend is, waren per definitie niet inheems in de Lage Landen. Graan is een van de vele nieuwe producten die de Romeinen in de Romeinse tijd naar de Lage Landen brachten. Zij brachten eveneens het amelkoren (het feit dat dit woord pas in de zestiende eeuw is geattesteerd, zal dus toeval zijn).
Een oudere Nederlandse vorm was amer, en het Oudhoogduits (dus het Duits van vóór 1100) kende amar. Het eerste lid van amelkoren is geleend uit het Latijn en hieraan is koren tautologisch toegevoegd. Alle graanbenamingen van na de dertiende eeuw betreffen graansoorten die in de Lage Landen niet inheems waren, zelfs boekweit, ondanks het feit dat dit een inheemse naam heeft: boekweit betekent eigenlijk ‘beuktarwe’ en het graan heet zo omdat de korrels overeenkomst vertonen met beukennootjes.
Gierst kwam uit Azië of Afrika en raakte in de zestiende eeuw bekend. De herkomst van het woord gierst is niet zeker. Ook de vorm herse kwam voor en deze is waarschijnlijk ontleend aan Duits Hirse; de vorm met g- kan onder invloed van gerst zijn ontstaan. In de zestiende eeuw werd maïs uit Amerika ingevoerd. Het meest recent is sorghum of met zijn Afrikaanse benaming kafferkoren, een graansoort uit Afrika en Azië.
Vruchten en Noten: Een Overzicht
Hieronder volgt een opsomming van de Nederlandse namen voor vruchten en noten. Zie ook de namen voor groenten, want de scheidslijn tussen groenten en vruchten is niet altijd even scherp: sommige vruchten worden als groente gegeten. Verreweg het grootste aantal vruchtnamen is een leenwoord of afleiding daarvan, alleen aalbes, appel, bes, braam, braambes, druif, kruisbes, noot en ooft zijn inheemse woorden (waarbij overigens alleen voor appel een Indo-europese reconstructie bestaat, de andere vruchtnamen zijn van latere datum).
De samenstellingen aardbei, meikers en sleepruim worden als inheems opgevat, hoewel bei, kers en pruim oorspronkelijk leenwoorden waren. Vrij veel woorden hebben een tautologisch tweede lid gekregen: citrusvrucht, okkernoot, walnoot (het eerste deel is telkens een Latijns leenwoord), pecannoot (eerste lid uit het Frans), kokosnoot (eerste lid uit het Portugees of Spaans; de vorm coquos is al in 1584 genoemd).
Dat geldt ook voor sleepruim: het eerst deel, slee, betekent ook ‘pruim’ en is verwant met Engels sloe en Russisch sliva ‘pruim’. Van begin af aan brachten andere volkeren dus nieuwe aantrekkelijke vruchten, en alle eeuwen brengen hun eigen vruchten. Dat vruchten handelsproducten waren, blijkt ook uit de benaming kriek, die teruggaat op Latijn (prunum) graecum, letterlijk ‘Griekse pruim’.
De dateringen zijn een directe weerspiegeling van de ontdekkingsreizen die we vanaf de zestiende, zeventiende eeuw maakten: in de nieuwe continenten leerden we veel nieuwe producten kennen, en de vruchtnamen zijn dan ook uit heel verschillende talen geleend: uit het Chinees, Indonesisch, Italiaans, Portugees, Papiaments, Tamil - een rijk scala aan producten en namen. Weinig categorieën woorden leveren zo'n variëteit aan herkomst op.
Dieren en hun Benamingen
Hieronder beschouw ik de dieren die al eeuwen geleden om hun nut voor de mens zijn gedomesticeerd: het vee (geiten en schapen, paarden en paardachtigen, runderen, varkens, kortom de dieren die om hun producten werden en worden gehouden), en de huisdieren honden en katten. Hiervan afgeleid is in het Latijn pecunia ‘geld’, wat betekent dat vee gold als betalingsmiddel. Dat blijkt ook uit het feit dat Engels fee de betekenis ‘vergoeding, fooi’ gekregen heeft.
In het Middelnederlands gebruikte men dier (901-1000) voor een wild, niet-gedomesticeerd dier. In het Engels is deer de benaming geworden voor het hert, het favoriete wilde jachtdier. De meeste dieren waren al gedomesticeerd in de periode van de Indo-europeanen. Zij kenden woorden voor ‘koe’, ‘os’ (de os werd gebruikt voor het trekken van wagens), ‘geit’, ‘schaap’, ‘lam’, ‘paard’, ‘veulen’, ‘(volwassen) varken’, ‘big’ en ‘hond’.
Wanneer bepaalde onderscheidingen voor de mens van belang zijn, drukt hij die uit in zijn woordenschat. Een goed voorbeeld daarvan vormen de namen van dieren. Voor wilde dieren is het meestal irrelevant of een dier een mannetje of vrouwtje is, jong, volwassen of van een specifieke leeftijd. Als men het geslacht beslist uit wil drukken, dan gebruikt men een toevoeging en vormt men een samenstelling met wijfjes- of vrouwtjes- tegenover mannetjes-.
Dit procédé is dus al oud. Het achtervoegsel -in kan beslist niet achter alle dierennamen gezet worden, bijvoorbeeld niet bij baviaan, mandril, olifant, wombat. Jongen van wilde dieren worden vaak aangeduid door het verkleinwoord: aapje, olifantje of door -jong: berenjong. waaraan ter verduidelijking de algemene benaming kan worden toegevoegd: (wolven-, leeuwen-, tijger)welp, (ezels)veulen.
Heel anders is de situatie bij gedomesticeerde dieren. Deze zijn economisch van belang, en geslacht en leeftijd zijn daarbij een belangrijke factor. Daarom bestaan er vaak aparte benamingen voor dieren van een bepaalde leeftijd of geslacht. Zo zien we bij runderen bijvoorbeeld de benaming koe voor het vrouwelijke dier, stier voor het mannelijke dier, kalf voor het heel jonge dier, pink voor een eenjarig (mannelijk of vrouwelijk) kalf, vaars voor een tweejarige koe, en os voor een gecastreerde, dus minder wilde stier (belangrijk bij het ploegen en trekken van een wagen).
Leeftijd en geslacht worden bij de gedomesticeerde dieren telkens uitgedrukt door een apart lexicaal begrip en niet door een doorzichtige afleiding of samenstelling van een bestaand woord - hieruit blijkt het belang van het onderscheid. Bij de hieronder opgenomen benamingen moet men bedenken dat in de periode dat Nederland een agrarische maatschappij was, het aantal benamingen nog veel groter was, en dat veel van deze benamingen nog voortleven in de dialecten.
Er wordt bij de geiten en schapen een onderscheid gemaakt naar leeftijd, geslacht en gecastreerd-zijn, alle woorden zijn oud en inheems behalve garm, en de herkomst van bok is onzeker (wellicht Keltisch, zie 3.2). Weer betekende eigenlijk ‘lam, eenjarig dier’: het woord is verwant met Latijn vitulus ‘kalf’, een afleiding van vetus ‘(een jaar) oud’. vergelijk Latijn ovis ‘schaap’.
Momenteel zijn in het Nederlands geit en schaap zowel de namen voor de vrouwelijke dieren als de algemene benamingen voor de soort (wat betreft de geit geldt dit overigens voor de meeste Indo-europese talen). Hieruit blijkt het grote economische belang van de vrouwelijke dieren. Bij wilde dieren duidt de mannelijke naam altijd tevens de soort aan (beer, tijger).
Het paard was het meest kenmerkende dier van de Indo-europeanen. Zeer oud en inheems zijn de woorden hengst, veulen en merrie; iets jonger is ruin. Een algemene benaming voor ‘paard’ was (h)ors (1240), vergelijk Engels horse. In het Nederlands is dit woord verdwenen, maar het is later teruggeleend uit het Duits in de vorm ros, wat speciaal een fier, edel paard aanduidt. Met (h)ors bedoelde men in het Middelnederlands een oorlogspaard.
De ouderdom van een paard is heel belangrijk voor de waarde ervan; er zijn dan ook vele denigrerende benamingen voor oude, slechte paarden: klepper, knol, rossinant - het laatste is geleend uit het Spaans, waar het paard van Don Quichot Rocinante heette. De klophengst komt uit het Duits; hij dankt zijn naam aan de wijze van castreren (de testikels worden met een hamer verbrijzeld) en het woord zal samen met de nieuwe techniek overgenomen zijn.
Paardachtigen leerde men na de Middeleeuwen kennen: de zebra al in de zestiende eeuw, maar de meeste in de negentiende en twintigste eeuw. Bij de runderen vinden we een groot aantal onderscheidingen in leeftijd (belangrijk vanwege de melk- en vleesproductie) en geslacht. Alle namen zijn oud en inheems, alleen van pink is de herkomst onbekend (misschien een lokroep?).
Het Duitse woord Sau en het Engelse sow ‘zeug’ gaan direct terug op de Indo-europese voorganger. In het Indo-europees was de naam klanknabootsend gevormd en werd het gebruikt voor het volwassen dier; vanwege het economische belang van het vrouwelijke dier ging het woord in de Germaanse talen het vrouwtjesdier aanduiden. Het tweede deel van het Nederlandse woord varken is waarschijnlijk het verkleiningsachtervoegsel -(i)kīn (vergelijk jongske uit Middelnederlands joncskine, joncskijn).
Het Indo-europese woord waarop Nederlands varken teruggaat, duidde de ‘big’ aan; de benaming voor het jonge dier is in het Nederlands dus de algemene naam geworden, net als bij ooi. In het Nederlands is het gewone woord varken; zwijn is officieel synoniem, maar wordt meestal in de combinatie wild zwijn voor het niet-gedomesticeerde dier gebruikt. Net als bij de andere gedomesticeerde dieren zijn er bij de varkens een groot aantal onderscheidingen in leeftijd en geslacht, en zijn alle namen oud en inheems.
Alleen schram is jong: dit is hetzelfde woord als schram ‘kras’ (afgeleid van scheren) en het zal dieren aanduiden die op een nieuwe manier gecastreerd zijn. De oudere benaming voor een gecastreerd varken was barg, een woord dat verwant is met Latijn ferire en dus net als klophengst verwees naar het verbrijzelen van de testikels.
De hond was bij de Indo-europeanen al gedomesticeerd. De mens is al vroeg begonnen met het fokken van gespecialiseerde honden: snelle honden voor de jacht, kleine honden om in konijnenholen te gaan, sterke honden voor bewaking en hondengevechten, gehoorzame honden om de schapen bijeen te drijven, en handzame honden als schoothondjes.
De basisbegrippen hond, teef en welp zijn oud en inheems, de herkomst van reu is onzeker. Verder zijn alleen de benamingen brak, hazewind, herdershond, mops, schipperke en windhond inheems. Welk land in de hondenfokkerij het voortouw genomen heeft, is overduidelijk: het Engels heeft 30 namen voor hondensoorten geleverd, tegen het Duits een niet onverdienstelijke 11 en het Frans slechts 2.
Aan poezen is door de mens veel minder gesleuteld dan aan honden, en het aantal kattensoorten is dan ook veel kleiner dan het aantal hondensoorten. De Germanen kenden de tamme kat nog niet. Deze komt uit Egypte. Toen Egypte onderdeel van het Romeinse rijk werd, leerden de Romeinen de huiskat kennen. nabootsend woord ofwel naar het geblaas van het dier, ofwel naar de lokroep die de mens tegen de poes gebruikt.
Opvallend is dat het jong van de kat en van de hond een Engelse benaming heeft: kitten en puppy of pup. Deze benamingen komen ongetwijfeld uit de fokkerijwereld. Daarnaast bestaat voor een jonge hond nog de oude inheemse benaming welp, maar voor een jonge kat heb ik geen aparte benaming kunnen vinden. Zou dat komen omdat de Germanen het dier pas ‘laat’ hebben leren kennen?
Het feit dat een naam inheems is, wil niet per definitie zeggen dat ook het dier dat is. Soms kan dat niet, zoals bij in zee levende dieren als de walvis. De regel blijkt als volgt: alle oude inheemse benamingen, van de dertiende eeuw of ouder, betreffen inheemse dieren; alle benamingen van na de dertiende eeuw betreffen niet-inheemse dieren. Er is maar één uitzondering: de brandvos, een benaming voor een speciaal soort vos.
De meeste benamingen voor wilde zoogdieren dateren van de dertiende eeuw of eerder en betreffen dus inheemse dieren. De beer, bever en haas zijn naar hun kleur genoemd: beer en bever zijn afgeleid van een Indo-europees woord voor ‘bruin’ (Bruintje Beer is dus een tautologie) en haas van een woord voor ‘grijs’. naam canis marinus. In het Middelnederlands bestond ook de benaming sele, sale (1288-1301), verwant met Engels seal.
Alle geleende namen voor knaagdieren dateren van de zestiende eeuw of later. Diverse namen komen uit het oosten, waar die diertjes woonden. Het Nederlands heeft hun namen vooral geleend uit het Duits (bisamrat, mormeldier) en deze taal heeft de namen soms weer nog verder uit het oosten geleend, uit het Russisch (hamster, ziesel).
De taal waaruit de namen voor hoefdieren het meest zijn overgenomen, is het Frans, gevolgd door Latijn en Duits. Voor eland kende het oudste Nederlands overigens een uit het Germaans geërfd woord - in de elfde eeuw is elo genoemd. Waarschijnlijk omdat het dier hier niet inheems was, verdween de naam.
In het Duits bleef Elch als naam voortbestaan, maar in de Vroegnieuwduitse periode, toen het dier steeds noordelijker verbleef en in Duitsland zeldzaam werd, nam het Duits daarnaast uit het Litouws als nieuwe naam Elen en tautologisch Elentier over. Tautologische samenstellingen zijn damhert (dam uit het Latijn) en wapitihert (wapiti uit het Engels).
Namen van roofdieren komen in gelijke mate uit het Latijn en Frans (waaruit ook de tautologische samenstellingen civetkat en genetkat komen), in mindere mate uit het Engels. Ditmaal komen de meeste benamingen uit de twintigste eeuw, gevolgd door de achttiende en de negentiende eeuw, die ongeveer evenveel woorden leveren: veel roofdieren zijn dus pas relatief laat (algemeen) bekend geworden.
| Taal | Aantal hondensoorten |
|---|---|
| Engels | 30 |
| Duits | 11 |
| Frans | 2 |
labels:
Zie ook:
- Ontdek de Perfecte Fruitmand Samenstelling: Gezond, Origineel en Verrassend!
- Recepten voor Taart: Bak de Heerlijkste Taarten Zelf!
- Gehaktballetjes Maken voor Soep: Makkelijk en Smaakvol!
- Ontdek de Beste Döner Kebab Locaties in Jouw Buurt – Snel & Lekker!
- Ontdek de Beste All You Can Eat Sushi Plekken in Nederland – Onbeperkt Genieten!




