De jaarverslagen van het gemeentebestuur geven over het algemeen geen opwekkend beeld van de economische bedrijvigheid in de gemeente. Hierna volgt een weergave uit enkele van deze jaarverslagen.

Economische bedrijvigheid in Goes in de 19e eeuw

1848: Als enige fabriek die met voordeel gedreven wordt meent men te kunnen aanwijzen de hoedenfabriek van P. Magchielse. Van de restauratie van de chocoladefabriek van C.C. van den Bosch, die vroeger zo bloeiende was, had men zich betere resultaten voorgesteld, maar dit heeft zich niet verwezenlijkt. Er is onlangs een kleine leerlooierij in de Voorstad in werking gekomen. Deze schijnt met enig goed gevolg te werken. Er wordt weer gewerkt met twee zoutziederijen. Door de vermindering van de meekrapnegotie is de handel niet bloeiende. De fabrieken en trafieken van de stad hebben niets bijzonders opgeleverd en slagen over het algemeen niet gelukkig, vooral door de grote concurrentie van buiten.

Een uitzondering hierop is de zoutkeet van de heer O. Verhagen (voorheen van de heren Pilaar). Ook de steenplaats van de heren Verhagen en Van Baalen neemt steeds in aflevering toe.

1849: De hoedenfabriek van P. Magchielse floreert. Van de kleine looierij, in 1848 opgericht, valt weinig te zeggen. De chocoladefabriek van de firma Van den Bosch kwijnt. De brouwerijen en andere trafieken bloeien ook niet. Een van de twee zoutziederijen heeft opgehouden te werken. De landbouw wordt door de lage prijzen gedrukt. Groothandel is hier niet. De kleinhandel en winkelnering verkeren in een kwijnende staat.

1852: De aanbouw is begonnen en voortgezet van een fabriek van verbeterde meekrapbereiding en een garancinefabriek, waarin stoomwerktuigen worden gebezigd. Het aantal fabrieksarbeiders is ongeveer 110.

In deze jaren zijn in bedrijf een houtzaagmolen (van de gebroeders Harinck), een oliemolen (‘de Hoop’ op de Kattenberg op de westwal van G.H. Kakebeeke), een gort- of pelmolen (‘de Grenadier’ van C.C. van den Bosch), twee korenmolens (‘de Vijf Gebroeders’ van molenaar J. Adriaanse en ‘de Koornbloem’ van molenaar P. van Wasbeek), een boekweitmolen, twee meestoven (‘de Zon’ en ‘de Liefde’), een zoutkeet (van O. Verhagen), een hoedenmakerij (van P. Machielse), een leerlooierij (van P.L. van der Reit), een weverij van calicots (van de heren G. en H. Salomonson), twee brouwerijen (‘de Witte Clavers’ en ‘de Gans’), een chocoladefabriek (van C.C. van den Bosch), een zijde- en katoenververij (van L.J.

Oprichting Kamer van Koophandel en Fabrieken in Goes

Verscheidene handelaren, fabrikanten, landbouwers en neringdoenden te Goes verzoeken Gedeputeerde Staten van Zeeland begin januari 1852 om 3 à 4 leden uit Goes zitting te laten nemen in de Kamer van Koophandel te Middelburg. De gemeenteraad neemt op 14 januari 1852 kennis van de in afschrift toegezonden brief aan het provinciale bestuur door middel van een begeleidende brief van de heren J. Fransen van de Putte, J. Kakebeeke, A. Steendijk en G.H. Kakebeeke, allen toonaangevende figuren in het bedrijfsleven van Goes.

Het blijkt echter dat de Gouverneur van Zeeland bezwaren heeft tegen aansluiting van Goes bij Middelburg en opteert voor een eigen Kamer van Koophandel voor Goes en omliggende gemeenten. De heren Fransen van de Putte, J. Kakebeeke, A. Steendijk en G.H. Kakebeeke verzoeken daarop de gemeenteraad, onder intrekking van hun eerder verzoek tot deelneming in de op te richten Kamer van Koophandel te Middelburg, binnen de gemeente Goes een Kamer van Koophandel en Fabrieken op te richten en andere gemeenten in dit district gelegenheid tot aansluiting te bieden. Enige gemeentebesturen zouden zich daartoe al genegen hebben getoond.

De gemeenteraad kan met algemene stemmen instemmen met de voorgestelde grondslag. Wel wordt de vraag gesteld waarom eerst aansluiting bij Middelburg werd gezocht en nu een geheel andere richting wordt opgegaan door een zelfstandige vestiging te Goes. De voorzitter geeft als zijn gevoelen dat het voordeliger en beter is een Kamer van Koophandel te hebben binnen deze gemeente dan een vertegenwoordiging van Goes in een elders gevestigde Kamer.

Tot voldoening aan het raadsbesluit van 26 maart 1852 treft het college van burgemeester en wethouders de bij de wet voorgeschreven maatregelen voor het vestigen van een Kamer van Koophandel en Fabrieken binnen deze gemeente. Er komt op 18 september 1852 koninklijke goedkeuring voor de vestiging van een Kamer van Koophandel en Fabrieken binnen de stad Goes, samengesteld uit de gemeenten Goes, Kattendijke, ’s-Heer Arendskerke en Kruiningen. Van de bestuurders zullen er zes uit Goes en een uit elk van de andere drie gemeenten komen. De Kamer zal in werking treden op 1 januari 1853.

Op 30 september 1852 neemt de gemeenteraad kennis van het Koninklijk Besluit tot goedkeuring van de vestiging van een Kamer van Koophandel en Fabrieken voor de gemeenten Goes, Kattendijke, ’s-Heer Arendskerke en Kruiningen. In november 1852 verkiest de raad zes leden in de Kamer, te weten de heren O. Verhagen met 23 stemmen, C. Pilaar met 21 stemmen, A. Nortier met 20 stemmen, J. Fransen van de Putte met 24 stemmen, M.J. Harinck met 18 stemmen en J.P. Burger met 23 stemmen.

Vertegenwoordigende leden van de andere gemeenten zijn I.G.J. van den Bosch voor Kattendijke, F.C. Baarens voor Kruiningen, Josias Smytegelt Bedet voor ’s-Heer Arendskerke en Cornelis Kakebeeke voor Kattendijke. De Kamer van Koophandel wordt op de 3e januari 1853 geïnstalleerd.

In de vergadering van de gemeenteraad van de 24e januari 1853 deelt de voorzitter mee dat op de 3e januari is geïnstalleerd de hier gevestigde Kamer van Koophandel en Fabrieken en onder zijn presidium zich op de 7e heeft geconstitueerd. Tot voorzitter is gekozen de heer J. Fransen van de Putte, tot ondervoorzitter de heer O. Verhagen en tot secretaris de heer mr. J.G.

Concurrentie en economische uitdagingen

In augustus 1848 komt er een rekest van een aantal neringdoende ingezetenen van de stad op tafel van de gemeenteraad. Ze geven hun bezwaren te kennen ‘over het gestadig en steeds meer en meer toenemend indringen van vreemdelingen tot benadeling van hun handel en bestaansmiddelen’. Ze verzoeken om, voorzover de bestaande wetten dit toelaten, plaatselijke verordeningen vast te stellen tot wering, in elk geval tot bemoeilijking van deze vreemdelingen en om daardoor de tak van hun handel staande te houden en voor ondergang te behoeden.

Maar ook in december 1848 geeft een aantal neringdoende ingezetenen te kennen dat ze door het meer en meer indringen van vreemdelingen in hun bestaan worden benadeeld. Het gaat vooral om een massa Duitsers die het ganse land aflopen. Maar ook om andere vreemdelingen die met manufacturen en andere handelsartikelen stad en land afreizen en zich van de contante penningen van de ingezetenen weten meester te maken.

De gemeenteraad deelt hen mee dat de raad niet bij machte is om de bezwaren die zij opgeven als oorzaak van het verval en het kwijnen van hun handel en nering op te heffen. De door hen genoemde handelingen zijn een gevolg van algemene wetbepalingen die niet plaatselijk kunnen worden opgeheffen.

In december 1849 ontvangt het gemeentebestuur opnieuw een brief van een groot aantal neringdoenden in de stad. Ze geven te kennen dat ze, vanwege het nadeel dat ze door het invallen van kerst- en nieuwjaarsdag op dinsdag waarschijnlijk lijden zullen, de vrijheid nemen te verzoeken de marktdagen van die weken op maandag te stellen en hieraan in de stadscourant publiciteit te geven.

Overzicht van fabrieken, trafieken en bedrijven in Goes (1843-1848)

Het gemeentebestuur dient de Gouverneur opgave te doen van de veranderingen die sinds 1 januari 1843 zijn ontstaan in de fabrieken, trafieken en bedrijven binnen de stad tot 1 januari 1848. Deze staat biedt een interessant overzicht van de ontwikkeling van de bedrijvigheid in de stad.

Bakkerijen en broodverkoop

Deze jaren zijn er zestien bakkers in de stad. Het zijn W. van den Abeele (in wijk C 200), B.M. den Boer (Jan Vertregt), J. de Deken, Pieter van der Does, Abraham Le Duc, Leendert Glerum, Johannes de Graag, G. de Jonge, G. de Jonge Wzoon, Jacobus Scheele, Jan Scheele (aan de ‘s-Heer Hendrikskinderenstraat in wijk D 91), Cornelis Schot (in wijk A 64), Johannes van der Schraaf, Hubertus Snoep, Adriaan Verburg, W. Verburg en J.H.

Ook zijn er een aantal broodverkopers zoals Cornelia Maria Zandijk, Adriaan Willeboer, Hendrika van Agten, Reinier Scheele, Marinus Goossen, de weduwe H. de Jonge, de weduwe Briels, Johannes de Jonge Jzn, W. de Raad, C.

Het komt nogal eens voor dat de rijkscommiezen proces-verbaal opmaken tegen het niet goed bakken van het brood. Ook komt het herhaaldelijk voor dat ingezetenen van buiten de stad in of bij hun huizen of hofsteden een bakoven laten bouwen. Zo bijvoorbeeld in 1847 door de landbouwer Laurens Duvekot in zijn woning in wijk D 69 tot gebruik van zijn huisgezin, in 1847 door Willem Adriaan Anemaet in zijn woonhuis in wijk E 76 en in 1847 door J.

In augustus 1847 geven de broodbakkers W. Verburg, G. de Jonge, J. Scheele, H. Snoep, A. Snoep, J.M. Roose, L. Glerum, Jac. Scheele, G. de Jonge Wzn, J. de Deken, H. Buijze en J. de Graag het gemeentebestuur te kennen dat in het Reglement op het brood van de 12e augustus 1843 de navolgende broodsoorten voorkomen: fijn wit brood, grof wit brood of zogenaamd Fransch brood, grof tarwe brood, roggebrood en masteluinen brood.

Bij elk broodsoort zijn de bestanddelen in het Reglement uitgedrukt. Hun wens is, zowel in het belang van de ingezetenen als van henzelf, dat deze broodsoorten nog met een extra soort worden vermeerderd. Dit zou geplaatst kunnen worden tussen het grof wit en het grof tarwebrood onder de benaming van ‘Fijn tarwe brood’, wat gebakken wordt uit een mud tarwemeel, gebuild, zuiver van korf en zemelen en gemengd met een mud kropmeel.

Ze hebben weliswaar ingevolge het Reglement op het brood de vrijheid om buiten de aangeduide broodsoorten ander brood te bakken en te verkopen.

Regeling van broodprijzen en broodzetting

In januari 1848 komen er van het provinciale bestuur voorschriften voor de regeling van de prijzen van het bakgraan en de berekening van de hoeveelheden brood die uit een mud graan van iedere soort kunnen worden gebakken. In de loop van deze maand zal opnieuw een weging van drie mudden van elke graansoort door een beëdigde ambtenaar moeten plaats hebben om de gemiddelde zwaarte van de granen van de vorige oogst te constateren.

Ook in februari zal opnieuw een proefbakkerij moeten worden gedaan om zich te verzekeren van de hoeveelheden brood die uit een mud tarwe en rogge kunnen worden gebakken. In februari 1849 overleggen L. Breker en J.J. de Graaff een rapportage van hun bevindingen ten aanzien van de gedane proefbakkingen tot regeling van de broodzetting.

De eeuwenoude regeling van de zogenaamde broodzetting wordt in 1851 afgeschaft. In november, bij de bespreking van de begroting voor 1852, besluit de gemeenteraad, op voorstel van de heer Blaaubeen, de broodzetting af te schaffen. Ook raadslid Van den Bosch is van oordeel dat deze post kan vervallen ‘als achtende de broodzetting onnodig en de surveillance op de broodbereiding een politiemaatregel’.

In december 1852 ontvangt de gemeenteraad een verzoek van dertien bakkers om de broodzetting niet af te schaffen maar op de bestaande voet te behouden. Afschaffing is nadelig voor hen en voor de burgerij. Het zal aanleiding geven tot verwarring en wanorde in de uitoefening van het bakkersbedrijf.

De raad besluit het verzoek in handen te stellen van burgemeester en wethouders. Nu de broodzetting is afgeschaft per 1 januari 1853 en het ‘Reglement op het brood binnen de gemeente’ van 12 augustus 1843 is ingetrokken besluit de burgemeester het toezicht op het brood op te dragen aan de commissaris van politie met zijn twee agenten.

De commissaris van politie verstuurt daarop op de 25e december 1852 een aanschrijving naar de bakkers en broodverkopers over het hem opgedragen toezicht op de hoedanigheid van het verkochte brood.

Beurtveren in Goes

Deze jaren zijn er nog vaste beurtveren op Amsterdam, Bergen op Zoom, Dordrecht, Gouda, Middelburg, Rotterdam en Zierikzee. Hierover is een regelmatig overleg met de besturen van deze steden.

Alle beurtveren verlopen deze jaren in goede orde. Alleen de beurtveren waarover bijzonderheden zijn te vermelden volgen hierna.

In april 1851 verzoeken Jan de Fouw Wzn en Willem de Fouw Wzn om de functie van commissaris van de veren in de stad van eerstgenoemde op laatstgenoemde te laten overgaan. Besloten wordt om in de plaats van de heer Jan de Fouw als commissaris van de veren en de daarmee verbonden betrekking van boekhouder van het fonds van de stedelijke werklieden te benoemen de heer Willem de Fouw Wzn, thans waarnemend commissaris.

Beurtveer op Amsterdam

Het stadsbestuur van Amsterdam schrijft in februari 1847 een brief met klachten tegen de beurtschipper op Gouda A. Visser vanwege de benadeling van de Amsterdamse beurtschipper J. Reinhout in zijn beurtveer op deze stad met het verzoek daarin te voorzien. Op advies van de commissaris van de veren en van de commissaris van politie besluit het gemeentebestuur het stadsbestuur van Amsterdam te kennen te geven dat de klachten niet geheel naar waarheid en grotendeels toe te schrijven zijn aan de onregelmatige bediening van het veer door beurtschipper J. Reijnhout.

Beurtveer op Bergen op Zoom

In februari 1850 schrijft het stedelijke bestuur van Bergen op Zoom een brief met klachten over het niet behoorlijk overbrengen van de goederen afkomstig uit België die met de beurtman van Bergen op Zoom naar Goes worden overgebracht.

Beurtveer op Rotterdam

In december 1848 verzoeken de beurtschippers van Goes op Rotterdam v.v., Pieter Boer en Matthijs Hendrik de Heer, om vanwege het achteruit gaan van dat veer en van hun verdiensten te worden vrijgesteld van betaling van het sasgeld voor een derde beurtman. Het gemeentebestuur besluit te bepalen dat ze over 1849 kunnen volstaan met betaling van de helft van de bepaalde som voor de tijdelijke afschaffing ...

Moderne chocoladefabrieken

Naast de historische context zijn er ook moderne voorbeelden van chocoladefabrieken in Nederland. Een van de bekendste is de Mars-fabriek in Veghel, de grootste chocoladefabriek ter wereld. De familie Mars heeft ook het bedrijf Koen Visser overgenomen in 1980, waardoor ze nu twee productielocaties in Nederland hebben.

De fabriek in Veghel is strategisch gelegen tussen Noord-Frankrijk, Duitsland en de Benelux. Ondanks tegenslagen, zoals een brand die de bijna voltooide fabriek in 1963 verwoestte, is de fabriek herbouwd en uitgegroeid tot een imperium.

Droste

Het bedrijf had in 1940 al een lange voorgeschiedenis. In 1863 begon Gerardus Johannes Droste zijn banket- en koekbakkerij. Hij verkocht er onder andere zijn specialiteit, chocoladepastilles, officieel Pastilles Droste geheten. In 1890 opende Droste zijn eigen chocoladefabriek, gelegen aan het Spaarne. Dat was gunstig, omdat de grondstoffen vanuit de schepen direct op het fabrieksterrein konden worden gelost. Op 17 november 1937 wordt mevrouw Droste na het overlijden van haar man directrice van het bedrijf. Het 50-jarige bestaan van de fabriek viel in het eerste oorlogsjaar 1940.

De Euforij

De Zaanstreek telde in de negentiende eeuw verschillende chocolademakers, maar die bedrijven zijn niet meer. De Zaanse ondernemer Wouter Koopdonk zocht in 2014 naar een nieuwe uitdaging en begon chocoladefabriek De Euforij, waar chocolade wordt gemaakt volgens oude, traditionele Zaanse recepturen.

Samen met Jaap Visser, een gepensioneerde chocolademaker van Verkade, ging hij op zoek naar machines en betrokken ze eind 2016 een pand aan de Zaandijkerweg. Ze maken vier soorten chocolade: melk en drie soorten puur, van 55%, 65% en 80% cacao.

De chocolade van De Euforij staat bekend om het gebruik van relatief veel cacaomassa en minder cacaoboter, zonder toevoeging van smaakversterkers. De repen zijn verkrijgbaar in delicatessenwinkels, speciaalzaken en in winkels op de Zaanse Schans.

Visser Chocolade

Visser Chocolade gebruikt als eerste en enige chocolatier in Nederland duurzame cacao van Barry Callebaut die een innovatief fermentatieproces heeft doorlopen. Deze cacao uit Tanzania is erg bijzonder omdat het fermentatieproces van de bonen nauwlettend gecontroleerd wordt en daardoor het allerbeste uit de boon naar boven komt.

Het Biolands project begeleidt lokale cacaoboeren om duurzame en hoogkwalitatieve cacao te kweken. Ze krijgen opleiding in de cacaoteelt, krijgen materiaal ter beschikking gesteld en worden begeleid gedurende het hele proces. Ook op sociaal vlak wordt er hulp geboden: 21.000 boeren hebben toegang tot medische zorg en onderwijs.

Frank Visser van Visser Chocolade bezocht zelf de cacaoplantage van Biolands in Tanzania om er de cacaoteelt, het fermentatieproces en de samenwerking met de boeren van dichtbij te kunnen volgen.

Visser Chocolade wilde graag een nieuwe en unieke cacao vinden die 100% duurzaam, 100% biologisch, 100% traceerbaar, super lekker en van topkwaliteit is. Bij Biolands in Tanzania hebben ze een perfecte combinatie gevonden: traceerbaarheid, duurzaamheid, respect, biologisch, eerlijke handel en perfecte smaak versmelten in één project.

labels:

Zie ook: