Aardappelen zijn een veelzijdige en geliefde groente die op verschillende manieren in de keuken gebruikt kan worden. Van gekookte aardappelen tot friet, puree, stamppot, maaltijdsalades, stoofschotels en soepen, de mogelijkheden zijn eindeloos. Het zelf kweken van aardappelen is niet alleen leuk, maar geeft ook voldoening en de mogelijkheid om te genieten van verse aardappelen uit eigen tuin.
Aardappelrassen en hun eigenschappen
Er zijn vroege, middelvroege, middellate en late aardappelen. Steeds vaker worden rassen gezien die meer resistent zijn tegen Phytophthora. Er zijn heel wat smaak- en structuurverschillen tussen aardappelrassen. Vroege rassen vormen over het algemeen minder blad dan late rassen en kunnen dan ook iets dichter bij elkaar worden geplant.
Voor elke gelegenheid is er dus wel een aardappel; Annabel en Roseval zijn erg geschikt voor bakken en salades, wat gladder, Escort en Frieslander zijn wat kruimiger en daardoor lekkerder voor stamppot maar ook als gewoon gekookte aardappel bij vlees en groenten. Bleue d’Artois is ook iets kruimig en omdat ze zo mooi paars blijft erg leuk in paarse aardappelsalade, gebakken maar ook een lilapaarse aardappelpuree.
Wij zelf kiezen de laatste jaren eigenlijk alleen nog maar vroege en halfvroege rassen: hoe langer de groeiperiode van een aardappelras is, des te meer kans is er voor de aardappelziekte (de pseudoschimmel Phytophthora infestans) om toe te slaan. Zeker op onze vette klei, waar veel regen in de zomer nog wel eens een probleem kan zijn.
En het is zeker niet de enige reden waarom we vroege en middelvroege rassen kiezen: doordat we ze eerder kunnen oogsten (vaak al rond eind juli) kunnen we het leeggekomen vak nog gebruiken voor het zaaien/telen van nieuwe groenten, zoals late stamsperzieboontjes, winterkolen, maar ook venkel, rucola, pluksla, herfst- en winterandijvie, koolrabi, raapstelen, etc., etc.
Op de foto hierboven zie je de Bleue d’Artois (midden), Escort (onder), Roseval (rozerood, bovenaan), Annabel (rechts), Frieslander (linksboven) en Kestrel (met paarse vlekjes, links).
De lijst is op volgorde van vroege naar late rassen. Kijk hieronder bijvoorbeeld even naar het oude en geliefde ras Roseval. Ze krijgt voor vroegheid een 8 (dus een vroeg ras). En voor resistentie tegen Phytophthora een 3 voor in het loof en een 4 voor in de knol. Gelukkig is het zo’n vroeg ras dat ze vaak al geoogst kan worden als de eerste Phytophthora-aantastingen in de zomer beginnen. Bij een ander oud ras, bijvoorbeeld de middelvroege tot middellate Bildtstar zie je ook lage cijfers voor resistentie tegen Phytophthora en dat zorgt voor meer risico, omdat je deze aardappelen later kunt oogsten, wanneer Phytophthora vaak al ernstige aantastingen kan veroorzaken.
Vergelijk de cijfers van de oude rassen even met nieuwere rassen waarbij in de veredeling de resistentie tegen Phytophthora heel belangrijk was/is. Zie bijvoorbeeld Vitabella, Camillo en Carolus, met een hoge resistentiecijfers in zowel loof als knol.
Het poten van middelvroege aardappelen
Middelvroege rassen kunt u het beste in de maand april poten. Poot bij voorkeur zo vroeg mogelijk binnen de periode, in verband met de eerder genoemde aardappelziekte Phytophthora. De oogstperiode is augustus.
Aardappelen kunnen in principe worden gezaaid want er komen vaak na de bloei ronde zaadbolletjes in de planten: maar aardappelen zaaien is niet erg geschikt voor hobbyisten in verband met kruisingen, ziekten, etc. Aardappelen worden vooral gezaaid door veredelaars.
Voor het poten maken we eerst het vak in orde. Dat betekent het onkruid eruit, en de grond omwoelen en aanharken. En voeden met organische moestuinvoeding. En alvast uitmeten waar de aardappelen komen. Hier staan ze in een verhoogde bak, maar in de volle grond gaat ook prima. De witte stokjes geven de plaatsen/rijen aan waar de aardappelen gepoot zullen worden.Voor het poten gebruiken we een echte aardappelpoter, ondertussen al ruim 30 jaar oud. Maar je kunt ook prima een bollenpoter gebruiken, of anders gewoon gaatjes graven met een schepje.
We poten deze vroege en middelvroege aardappelen op 40 x 40 centimeter. We hebben dit jaar gekozen voor de rassen Tiamo (een vroege en lekkere, vaste aardappel met goede opbrengst en smaak) en Bleue d’Artois (een wat meer kruimige aardappel met een mooie paarse kleur - ook van binnen).
We maken eerst gaten in de grond en leggen vervolgens in elk gat (dat is wel zo’n 15 centimeter diep) een pootaardappel. En we leggen die zo dat de meeste/grootste uitloper(s) naar boven wijzen. Een uitloper wordt een stengel met blad, als je die ondersteboven in het pootgat zou leggen zou zo’n uitloper eerst onderlangs de pootaardappel heen moeten groeien om uiteindelijk boven de grond te kunnen komen. Met de meeste/grootste uitlopers naar boven gericht zorg je voor de kortste weg naar boven.
Zo leggen we alle aardappelen in de gaten en bedekken we die met de grond die we er eerst uithaalden om de aardappel te poten. Als alle aardappelen zijn gepoot en afgedekt zie je er dus niets meer van. Het duurt ongeveer 4 weken voor de aardappelen boven de grond komen (afhankelijk van het weer).
Verzorging van de aardappelplanten
Zo’n 3 weken na het planten (afhankelijk van plantdiepte en het weer) speuren we elke dag het vak met aardappelen af, op zoek naar exemplaren die boven de grond komen.
Er zijn ook mensen die de grond liever met stro bedekken, of met blad, plantenresten etc., of de grond liever niet bedekken, en later wel of niet de grond aanaarden.
De stenen zijn nu nog nodig om de repen gronddoek op hun plaats te houden. Als de aardappelen eenmaal boven de grond komen blijven de buitenste stenen liggen maar kunnen alle andere stenen weg, want de planten houden het gronddoek dan op hun plaats.
Hoewel aardappelen op alle grondsoorten gekweekt kunnen worden hebben ze een voorkeur voor een neutrale tot iets zure grond (de ideale pH voor kleigrond is 6 en voor zandgrond is 5).
Aardappelen zijn redelijk gulzige planten maar de behoefte aan kalium (voor de ontwikkeling van de knollen) is relatief hoog ten opzichte van de behoefte aan stikstof (voor bladgroei).We geven een kleine hoeveelheid samengestelde organische meststof wanneer we de aardappelen poten. En als de aardappelen bovengronds komen leggen we de paardenmest met stro weer terug tussen de aardappelplanten.
Rond mei geven we vervolgens nog wat kalium (bijvoorbeeld vinassekali) voor de ontwikkeling en groei van de knollen. Teveel stikstof, door een verkeerde bemesting met een meststof met een hoog stikstofgehalte - zoals bloedmeel of kunstmest kalkamonsalpeter, chilisalpeter, etc.) kan veel loof maar weinig en kleine aardappelen geven. Daarnaast is de kans op phytophthora en aantasting door de coloradokever groter.
Samengevat; het beste resultaat geeft een matige algemene basisbemesting met een kleine tot gemiddelde hoeveelheid stikstof (afhankelijk van de algemene voedingstoestand van je grond) en een wat grotere extra kalibemesting halverwege de teelt.
Voorkiemen van pootaardappelen
Door het pootgoed uit te spreiden in bakjes en die een paar weken lang op een koele en zo licht mogelijk (maar niet zonnige) plaats te zetten kunnen de aardappelen al wat uitlopen op de ogen.
Zelf leggen we (voor vroege en middelvroege aardappelen) zo rond half tot eind februari de aardappelen in de doosjes waarin je eieren koopt; zo ligt elke pootaardappel goed gescheiden van de rest, kan er voldoende licht bij, is er weinig kans op zweten of schimmel door vocht. De ideale temperatuur daarbij is 10°C.
Als je lange witte scheuten op je aardappelen krijgt, dan hebben de bakjes met pootaardappelen te warm en/of te donker gestaan. Het nadeel van die lange waterige scheuten is dat ze de pootaardappel veel energie kosten en ze breken heel gemakkelijk bij het poten.
Als je geen goede plaats hebt om de aardappelen te laten spruiten (dus volop licht zonder zon bij 10 graden) kun je overwegen om het voorkiemen over te slaan: een goed voorgekiemde pootaardappel heeft 2 weken voorsprong op het bovenkomen van de plant en de uiteindelijke oogst maar het heeft geen invloed op de uiteindelijke grootte van de oogst. Liever geen scheuten dan te lange, dunne en waterige scheuten.
Oogsten van aardappelen
Ongeveer 90 tot 100 dagen na het poten van de aardappelen kunnen we eens proberen een aardappel te rooien. Om te kijken of we ze groot genoeg vinden om allemaal te rooien en op te slaan. En zijn ze nog te klein, dan hebben we in ieder geval wel een heerlijk maaltje aardappelen om te eten en bedenken we hoe lang we de rest van de aardappelen nog willen laten groeien. Elke pootaardappel kan (afhankelijk van ras en omstandigheden) zo’n 500 tot 1000 gram aardappelen opleveren. We weten dus nu al dat we ongeveer begin tot half juli de aardappelen kunnen rooien. Dat zet ik alvast in de agenda, want dan kan ik tijdig bedenken wat ik dan nog op die plaats kan telen en dat vlak voor het oogsten alvast zaaien.
De allereerste aardappelen uit eigen tuin zijn altijd het allerlekkerst. We laten ze eerst een paar dagen op een donkere plaats liggen om af te sterven. Daarna wassen we ze (en hoeven ze niet te schillen, de velletjes wassen we gemakkelijk van de verse aardappelen af).
Aardappelziekte (Phytophthora)
De resultaten van de teelt van consumptieaardappelen zijn dus wisselend en voor de beste kans op een goede en gezonde oogst koop je het best pootaardappelen.
Phytophthora is trouwens een pseudo-schimmel die niet alleen bij aardappelen maar ook bij tomaten voorkomt (zoals eerder gezegd zijn ze nauw verwant). Ze verspreidt zich via vocht. Zorg daarom dus altijd dat je ernstig aangetaste planten van aardappelen en tomaten verwijdert zodat ze niet de andere planten aan kunnen steken. Of je aangetaste planten op de composthoop mag gooien zijn de meningen verdeeld; in principe kan Phytophthora niet overleven op dood materiaal maar zelf gooien we die planten toch liever niet op onze ‘gezonde’ composthoop.
En juist op een volkstuinencomplex zie je veel vaker phytophthora, omdat er veel planten worden geteeld die daar gevoelig voor zijn is kruisbesmetting snel veroorzaakt. Oftewel; het loont echt de moeite om je er even in te verdiepen en een ras te kiezen dat een hoge mate van resistentie heeft; het kan in de zomer een grote teleurstelling voorkomen. En zo puzzelen wij elke winter dus weer welke aardappelrassen we willen; zoekend naar een goede opbrengst op onze kleigrond, goede resistentie tegen phytophthora, etc.
Overige tips voor een succesvolle aardappelteelt
- Een vruchtwisseling van minimaal 1 op 4 jaar is belangrijk om ziekten, plagen, aaltjes, Phytophthora en schimmels zoveel mogelijk te voorkomen.
- Aardappelen laten na de oogst een grond met een goede structuur na; na de aardappeloogst is de grond zelfs hier op onze vette klei mooi los en rul en nog zeer geschikt voor een nateelt (bijvoorbeeld voor op-het-nippertje-late stamsperzieboontjes, venkel, koolrabi, herfstandijvie, postelein, sla, etc.).
labels: #Aardappel




