Een kersenboom snoeien in je tuin is niet alleen prachtig om te zien, maar beloont je ook elk jaar met heerlijke, sappige vruchten. Of je nu een zoete of zure kers hebt, goed snoeien is essentieel om de boom gezond te houden én de oogst te verbeteren.
Waarom een Kersenboom Snoeien?
Kersenbomen groeien van nature vrij snel en vormen daarbij een dichte kroon. Zonder snoei raakt de boom al gauw overvol, wat kan leiden tot schimmelziekten zoals gomziekte en vruchtrot. Door te snoeien zorg je voor meer licht en lucht in de boom, waardoor de kersen beter rijpen en de kans op ziektes kleiner wordt.
Zoete of Zure Kers?
Twijfel je of je een zoete of zure kers hebt? Zoete kersen smaken mild en groeien vaak aan grotere bomen. Zure kersen zijn kleiner, hebben een frissere smaak en worden vaak gebruikt voor jam of gebak.
Het Beste Snoeitijdstip
In tegenstelling tot veel andere fruitbomen snoei je een kersenboom niet in de winter. Dan is de kans op infecties namelijk groter. De beste periode om een kersenboom te snoeien is in de zomer, direct na de oogst. Voor zure kersen is dat vaak eind juni of begin juli, voor zoete kersen meestal iets later.
Tijdens of direct na de oogst is een goed snoeitijdstip voor zoete kersen. Nu kunnen de bomen goed worden uitgedund en in hoogte en breedte worden beperkt. Snoei zoete kersen niet in de winter.
Voordelen van Zomersnoei
Anderzijds heeft het snoeien in de zomer - in de oogsttijd - verschillende voordelen:
- De wond geneest zeer snel en zelfs grotere snoeiwerkzaamheden (tot in het oude hout) worden goed verdragen.
- Bij grote, krachtige bomen kan de groei enigszins worden afgeremd en zijn de afmetingen van de boom en een mogelijk te dichte kroon gemakkelijker te herkennen in de bladtoestand.
- Bij wijze van alternatief kan in zachte jaren ook in maart worden gesnoeid.
Hoe Snoei je een Kersenboom?
Gebruik altijd schoon en scherp snoeigereedschap om de kans op infecties te minimaliseren. Werk van buiten naar binnen en let goed op de structuur van de boom. Begin met het weghalen van dode, zieke of beschadigde takken. Zorg dat er voldoende licht en lucht in de kroon komt door takken die kruisen of naar binnen groeien weg te halen. Takken die ver uitsteken of omhoog schieten kun je iets inkorten.
Kersen groeien vooral op tweejarig hout. Het kan spannend zijn om de eerste takken weg te knippen. Begin met één tak tegelijk en neem de tijd om te kijken wat er gebeurt met de vorm van de boom. Twijfel je?
Gereedschap
Voor dunne takken gebruik je een scherpe snoeischaar. Dikkere takken (vanaf ongeveer 2 cm dikte) pak je aan met een takkenschaar of handzaag. Verzamel het snoeiafval direct. Zieke takken kun je beter in de gft-container doen of naar de milieustraat brengen. Gezonde takken mag je versnipperen of op de composthoop leggen.
Specifieke Snoeitips
- Terwijl de boom nog klein is, trekt u de centrale scheut naar boven.
- Let bij jonge bomen op de hoek van vertrek van de leidende takken.
- Houd te steile takken in juni plat met gewichten eraan - of door ze vast te binden.
- Zorg bij het snoeien voor een piramidale boomstructuur met een gunstige verdeling van de zogenaamde boeketscheuten.
- Later alleen de kroon uitdunnen, d.w.z.
Aanvullende Informatie
Het is niet exact bekend waar de kers oorspronkelijk vandaan komt. Waarschijnlijk stamt hij uit West-Azië en Zuid-Europa. Er wordt onderscheid gemaakt tussen zoete kersen (Prunus avium) en zure kersen of morellen (Prunus cerasus). In Nederland werden tot de Tweede Wereldoorlog veel kersen geteeld in de Betuwe. Omdat de teelt zeer intensief was (vogelwering, pluk), zijn veel boomgaarden sindsdien verdwenen. Door de ontwikkeling van nieuwe onderstammen, waardoor de bomen minder groot worden, en nieuwe rassen met grotere vruchten, is de belangstelling voor commerciële teelt in Nederland de laatste jaren weer aan het toenemen. Landen waar veel kersen geteeld worden zijn Griekenland, Italië, Frankrijk en ook België. De zoete kers of Kriek komt ook wel (verwilderd) voor in Zuid-Limburg. Zure kersen worden ook wel Walen genoemd, de kersen die er qua smaak tussenin zitten worden wel Royalen genoemd. Meikers is een kruising tussen de zoete en de zure kers.
Onderstammen
Een zoete kers op eigen wortel kan 15 m hoog worden, de zure kers blijft aanmerkelijk kleiner. De meeste kersenbomen worden echter geënt. De volgende onderstammen worden wel gebruikt: Limburgse Boskriek (sterke groeier), F12/1 (zeer sterke groeier), Colt (tamelijk sterke groeier), Weiroot 13 (matige groeier) en GiSelA-5 (matige tot tamelijk zwakke groeier).
Bestuiving
Kersen zijn, enkele uitzonderingen daar gelaten, over het algemeen niet zelfbestuivend (zelffertiel). Voor een goede kruisbestuiving zullen dus vaak 2 bomen aangeplant moeten worden.
Ziekten en Plagen
Kersen zijn, net als alle andere bomen met steenvruchten, via snoeiwonden zeer vatbaar voor schimmelinfecties. Snoeiwonden moeten daarom afgedekt worden met entwas of wondbalsem. Snoeiresten kunnen eveneens een bron van infectie vormen, en moeten dus afgevoerd worden.
Grond en Bemesting
Zoete kersen zijn erg veeleisend: vochthoudende, diep doorwortelbare, lichte kleigrond hebben ze het liefst. De plantafstand voor hoogstambomen bedraagt minimaal acht meter. Zoete kersen kunnen de eerste tien jaar na aanplant beter niet bemest worden, om de kans op ziektes en gommen te verkleinen. Na deze leeftijd krijgen ze wel weer graag mest, in april en in juni met een complete kunstmeststof. Zure kersen stellen minder hoge eisen aan de grond, zolang deze maar niet te zwaar of te nat is.
Groeivormen
Groeivormen die aangeplant kunnen worden zijn hoogstam, halfstam, struik en leivormen (meestal de waaier), die doorgaans geënt zijn op een onderstam. De onderstam is bepalend voor de groeikracht, en kan de resistentie van ziektegevoelige rassen vergroten. De ent moet zich na het planten minstens 20 cm boven de grond bevinden, om te voorkomen dat de ent eigen wortels ontwikkelt. Voor vrij uitgroeiende hoogstam bomen wordt een plantafstand aangehouden van minimaal 8 m en maximaal 15 m, in verband met de bestuiving. Bij halfstambomen is 7 m voldoende, terwijl laagstambomen en leibomen (waaiers) op 3 à 4 m afstand van elkaar gezet kunnen worden.
Snoeien van Zoete Kers als Hoogstam, Halfstam of Struik
Zoete kersen als hoogstam, halfstam of struik worden in eerste instantie net zo gesnoeid als de pruimenboom. In de eerste jaren wordt voornamelijk op vorm gesnoeid, om een goed gestel op te bouwen. Bij de eerste snoei worden 4 of 5 hoofdgesteltakken aangehouden. Dit zijn stevige takken die onder een hoek van circa 30 graden ten opzichte van de hoofdstam opgaand groeien, en die de boomkroon gaan vormen. De doorgaande spil wordt getopt, net boven het punt waar men de kroonontwikkeling wil hebben. De zijtakken die zich laag op de stam ontwikkelen worden op 7 of 8 cm van de stam afgesnoeid.
Het tweede jaar worden in maart de eerder geselecteerde hoofdgesteltakken tot de helft of op 2/3 ingekort op een buitenoog aan de onderzijde van de tak. De eerder al ingekorte zijtakken laag aan de stam kunnen nu bij de stam weggeknipt worden.
Het derde jaar, in maart, worden per ‘oude’ hoofdgesteltak 2 zijscheuten geselecteerd die bij wijze van verlenging door mogen groeien. Deze worden weer tot de helft of op 2/3 ingekort op een buitenoog aan de onderzijde van de tak. Alle andere zijtakken worden tot op een lengte van 8 tot 10 cm afgeknipt. Aan deze laatste, korte takken gaan zich de bloemknoppen ontwikkelen, en later de vruchten.
Na het derde jaar is het gestel van de boom grotendeels gevormd, en worden de gesteltakken minimaal gesnoeid. In de zomer (juli, augustus) wordt dood, beschadigd of kruisend hout uit de kroon gesnoeid, en wordt in de kroon verder alleen gedund. Verlengingen hoeven niet meer getopt te worden, en zijscheuten mogen doorgroeien, omdat zich daaraan de vruchtloten ontwikkelen. Wel worden daarbij verkeerd groeiende zijtakken binnen de kroon telkens weggeknipt, om te voorkomen dat de kroon te vol wordt.
Snoeien van een Leivorm (Waaier)
De meest voorkomende leivorm bij de zoete kers is de waaier, die net zo opgebouwd wordt als de perzikwaaier. Na aanplant wordt de struik teruggeknipt tot 40 cm boven de grond, en net boven een bladknop (puntig) of een drielingknop (2 ronde bloemknoppen en een spitse bladknop). Op de muur of schutting worden horizontale draden gespannen met een onderlinge afstand van circa 10 cm.
Tijdens het groeiseizoen groeit de bovenste knop vertikaal door als verlenging van de stam, en vormen zich zijscheuten. Van de zijscheuten worden 2 sterke, bijna tegenover elkaar staande takken gekozen, 1 naar de linkerkant en 1 naar de rechterkant. De andere zijtakken worden bij de stam weggeknipt. Als de resterende zijscheuten circa 50 cm lang zijn, wordt de hoofdstam enkele centimeters boven de bovenste van de 2 zijscheuten afgeknipt, en de wond afgedekt met een wondafdekmiddel. De zijscheuten worden onder een hoek van 45 graden aangebonden, eventueel langs een al eerder schuin aangebonden stok.
Tijdens de tweede zomer ontstaan zijscheuten op de gesteltakken. Hiervan mogen er per tak 4 doorgroeien: 2 schuin omhoog, 1 ter verlenging van de gesteltak en 1 aan de onderkant van de gesteltak. De andere zijtakken worden bij de basis weggeknipt. De nieuw gekozen zijtakken (in totaal dus 8) worden wat gespreid aangebonden. In februari worden de nieuwe zijtakken met 1/3 ingekort.
In de derde zomer mogen per zijtak 3 mooi gespreid geplaatste nieuwe zijtakjes doorgroeien. Alle andere zijtakjes worden weer weggeknipt. In oktober worden de zijtakjes met een kwart ingekort. Als het gestel gevormd en de waaier opgevuld is, worden de verkeerd geplaatste of van de muur af groeiende takjes in de zomer helemaal weggeknipt. De gesteltakken horen nu regelmatig gespreid, aan de uiteinden op circa 40 cm uit elkaar, een waaier te vormen.
In maart worden waar nodig de verlengingen minimaal ingekort, zodat zich vertakkingen vormen die eventuele gaten in de waaier nog op kunnen gaan vullen. De andere verlengingen worden niet meer gesnoeid. De zijtakken worden teruggeknipt op 15 cm lengte, of 4 tot 6 bladeren, zodat zich hieraan vruchtsporen ontwikkelen. Voor de winter, in september, worden deze zijtakken verder teruggeknipt, op 8 tot 10 cm lengte.
Snoeien van de Zure Kers
De kroonopbouw bij de zure kers verloopt de eerste jaren ongeveer gelijk aan die bij de zoete kers, waarbij het nog belangrijker is een evenwichtige spreiding van de takken te krijgen. Zodra na 4 tot 6 jaar een evenwichtige kroon is opgebouwd, moet er regelmatig verjongd worden. De zure kers geeft alleen vruchten op de takken die de vorige zomer gevormd zijn. Ter verjonging worden na de oogst telkens enkele oudere zijtakken teruggeknipt tot een jonge zijscheut aan de basis, dicht bij de gesteltak.
Ook de vorming van een waaier begint bij de zure kers op gelijke wijze. Na de vorming van het gestel moet direct begonnen worden met verjongen, door telkens in maart of april lange, oude scheuten terug te knippen op 8 tot 10 cm van de basis. De nieuwe scheuten die dan gevormd worden zullen het daarop volgende jaar vruchtknoppen ontwikkelen.
Snoeiwonden moeten afgedekt worden met entwas of wondbalsem.
Vooral zure kersen als hoogstamboom kunnen na enkele jaren veel te dicht worden in de kroon. Ze kunnen dan verjongd worden, door de gesteltakken op 1 m vanaf het begin van de kroon weg te nemen. Op de teruggesnoeide takken zullen zich sterke vervangingsscheuten ontwikkelen, waaruit weer een nieuw, open gestel ontwikkeld kan worden. De verjonging kan het beste midden in de zomer uitgevoerd worden, om het risico van infectie met loodglans zo klein mogelijk te houden. Snoeiwonden moeten afgedekt worden met entwas of wondbalsem.
Ziekten en Plagen: Preventie en Bestrijding
Alle steenvruchten (zoals kers, perzik, abrikoos etc.) zijn gevoelig voor loodglans, bacteriekanker. Net als op de appel kan ook vruchtboomkanker optreden.
Loodglansziekte
Loodglansziekte wordt veroorzaakt door de paarse korstzwam (Chondrosteum purpureum), die zich als wondparasiet in de takken vestigt. Die verkleuren daardoor van binnen bruinpaars. De opperhuid van de bladeren aan deze takken komt los te zitten doordat er lucht onder komt, wat de typische grijsgroene bladverkleuring veroorzaakt. De zwam leeft niet in gezond hout, maar parasiteert wel op dood hout. Snoeihout moet dan ook verwijderd worden. Ook onbehandeld loofhout van boompalen, afrasteringen etc. kan een infectiebron gaan worden.
Snoeien net na de oogst of in het voorjaar beperkt de kans op wondinfectie, evenals het afdekken van de wonden met een wondafdekmiddel. Bestrijding heeft alleen zin bij licht aangetaste bomen. Aangetast hout moet met ontsmet gereedschap nauwkeurig weggeknipt en afgevoerd worden. Ook kan een flinke stikstofbemesting helpen om de boom weer in goede conditie komt en zo de besmetting overgroeit. Is de boom zwaar aangetast of heeft de zwam de stam bereikt, dan zal hij gerooid moeten worden.
Bacteriekanker
Bacteriekanker (Pseudomonas syringae) komt alleen voor bij steenvruchten, en veroorzaakt in sommige jaren het plotseling afsterven van schijnbaar gezonde bomen. De ziekte is te herkennen aan eerst samengevouwen, later verklevend en afvallend blad, en ingezonken plekken op de takken of de stam. Bij zwaardere aantasting onstaan holle ruimtes in de stam, waar de bast strak overheen gespannen staat. Er is geen bestrijdingsmethode voor de aantasting. Vooral bomen op natte of juist zeer droge grond zijn de bomen gevoeliger, en zware bemesting kan beter vermeden worden. Bij een beginnende aantasting kan aangetast hout met ontsmet gereedschap nauwkeurig verwijderd en afgevoerd worden.
Vruchtboomkanker
Vruchtboomkanker wordt veroorzaakt door de zwam Nectria galligena, die via wonden en beschadigingen (snoeiwonden, schurende takken of hagelschade) de boom kan binnendringen. Hoewel de ziekte vooral bij appelbomen toeslaat, kan hij ook voorkomen bij peer en steenvruchten. Eerst ontstaan kleine ingezonken plekjes bij de takbasis of rond knoppen. De bast scheurt, vaak in de lengterichting, soms ook rondom de tak. Er ontstaat wondweefsel, waarmee de boom probeert de wond af te sluiten, maar vaak is de tak al helemaal afgestorven voordat de wond geheeld is. Ook op de vruchten kan rondom de kelkholte een rotte plek ontstaan, met voortijdige vruchtval tot gevolg.
Vruchtboomkanker komt vooral voor op de nattere, zure gronden, vaak geholpen door een eenzijdige stikstofbemesting. De takken groeien daardoor te lang door, en gaan te weinig afgehard de winter in. De zwam verspreidt zich in de herfst. Bestrijding heeft ook weer alleen zin bij een lichte aantasting. Na de oogst kunnen bij droog weer de aangetaste takken en eventueel de beschadigde plekken tot op het gezonde hout met ontsmet gereedschap zo veel mogelijk verwijderd worden. De wonden moeten afgedekt worden met een wondafdekmiddel.
Overige problemen
Kersen zijn gevoelig voor gommen (het lekken van vocht uit de stam) na verwonding als gevolg van snoeien of harde wind. De vruchten kunnen als gevolg van vochtige weersomstandigheden barsten of rotten. De schade is te beperken door het aanbrengen van een plastic regenkap of door de (lei)bomen anderszins af te schermen van de regen.
De kersenvlieg komt bij een bodemtemperatuur van ongeveer 20 graden Celsius uit de grond. De vrouwelijke vliegen leggen hun eieren in de schil van de dan vaak half rijpe kersen. Uit de eitjes komen na circa 4 weken kleine witte, pootloze maden, die van het vruchtvlees rond de pit eten. Aan de kersen is van buitenaf alleen een prikgaatje te zien. De maden zijn overigens niet giftig. Als ze volgroeid zijn, banen ze zich een weg naar buiten en vallen op de grond, waar ze vervolgens verpoppen en overwinteren.
labels: #Ei




