Het is een vraag die vaak opduikt: is het drinken van warme stout tijdens de zwangerschap een fabel of werkelijkheid? Laten we dit onderwerp eens nader bekijken, samen met andere alcoholgerelateerde vragen en adviezen rondom zwangerschap.
Alcohol in Gerechten tijdens de Zwangerschap
Gerechten kunnen tijdens de bereiding op smaak worden gebracht met bier, wijn, likeur, sherry en andere alcoholische dranken. Denk bijvoorbeeld aan een rode wijnsaus of een stoofschotel met bier. Een deel van de alcohol zal tijdens de bereiding verdampen, maar nooit helemaal.
De hoeveelheid alcohol die verdampt is afhankelijk van factoren zoals de bereidingsduur en temperatuur. Hoe langer een gerecht op een hoge temperatuur pruttelt, hoe meer alcohol er zal verdampen. Echter, zelfs als een stoofschotel met rode wijn 2,5 uur op 85°C pruttelt, blijft er nog steeds ongeveer 5% van de toegevoegde alcohol in het gerecht zitten.
Frambozenbladthee tijdens de Zwangerschap
Aan het einde van de zwangerschap wordt soms geadviseerd om frambozenbladthee te drinken. Deze thee zou helpen bij het opwekken van de weeën en het bloedverlies tijdens de bevalling verminderen. Dit is onderzocht, maar er is helaas geen bewijs voor gevonden.
Roemer Visscher en Rethorica
Roemer Visscher opent de afdeling ‘tepel-wercken’ (knutselwerken) met een lofzang op de rhetorica, of zoals hij zelf schrijft Rethorica. Met deze schrijfwijze, waarbij de ‘h’ in afwijking van de klassieke spelling niet in de eerste maar in de tweede lettergreep staat, gebruikt Visscher een door de rederijkers veelvuldig toegepaste schrijfwijze voor een begrip waarmee ze hun eigen dichtkunst aanduidden en die losstond van de klassieke rhetorica als zodanig. Ondanks die traditionele schrijfwijze geeft Visscher aan het fenomeen Rethorica wel een andere inhoud. Daarbij speelt overtuigende argumentatie volgens de principes van de klassieke rhetorica, die de humanisten weer geactualiseerd hadden, een belangrijke rol.
Rethorica is volgens Visscher iets dat men eigenlijk op geen enkele manier afdoende prijzen kan. Deze kunst vergezelt hem altijd en komt hem in alle omstandigheden van pas. Alvorens zijn lof nader uit te werken stelt hij de naamgeving van het te prijzen onderwerp aan de orde. Sommigen doen daar nogal moeilijk over en twisten of het Rethorica of Poesis moet zijn. Visscher stelt een aantal aspecten aan de orde die voor hem het grote belang van Rethorica bepalen.
Hij beschouwt haar als verheven boven alle andere vrije kunsten (artes liberales), het curriculum van zeven vakken (opgesomd in vs. 61-66 met uitzondering van de geometrie, zie annotaties) dat diende als basis voor een universitaire opleiding. Rethorica is namelijk de enige vrije kunst waardoor men alle andere goed leert hanteren. Zij is bovendien de enige die aangeboren is, terwijl de andere slechts door langdurige studie verworven kunnen worden. Ook geeft Rethorica als enige alleen maar vreugde, terwijl alle andere zowel bij het leren als in het gebruik de nodige onrust en problemen opleveren (negatieve voorbeelden in vs. 61-66, positieve vs. 66 e.v.).
Ook wanneer heilzame zaken als trouw, eer en geloof het veld hebben geruimd, is Rethorica de enige die zich in dergelijke barre tijden weet staande te houden. Rethorica is de enige van de vrije kunsten die men echt vrij kan noemen; zij is de waarheid toegedaan en verzet zich bijvoorbeeld tegen tirannen. Rethorica is dan ook op aarde de plaatsvervangster van de god Momus, die met zijn kritisch oordeel de geschillen van de hemelingen beslechtte. Aan Rethorica dus de taak om die kritische functie ten dienste van de waarheid op aarde te vervullen, met als gevolg dat de aanhangers van de schijn haar niet kunnen uitstaan (negatieve exempla vs. 109-126, positieve exempla vs. 127-138). Kortom: Rethorica (als kritisch onthulster van de waarheid) is als de draad van Ariadne waarmee men zijn weg in en uit de doolhof (des levens) vindt en hypocrisie uit de weg ruimt.
Ook wanneer Visscher het nut van Rethorica aan de orde stelt komt hij op dat oordelend vermogen terug. Ze geeft haar dienaren een goed oordeel en allerlei maatschappelijke geledingen, waaronder ketters en vorsten, brengt ze met haar onthullende kritiek tot waar inzicht in eigen aangelegenheden. Een belangrijke notie waaraan gedurende het hele gedicht telkens weer gerefereerd wordt en die in het verlengde ligt van Rethorica als dienares van de waarheid is de gedachte dat zij, Rethorica, een afgeleide is van de goddelijke waarheid. Ter illustratie noemt Visscher enkele bijbelse personen die zich van de rhetorica bedienden en vervolgens plaatst hij nadrukkelijk de dichters en de rederijkers in dezelfde traditie.
Ook merkt Visscher op dat de stofkeuze uiteindelijk wordt bepaald door de goddelijke waarheid. Hij verdedigt zich tegen verwijten dat de rederijkers gefantaseerde stof gebruiken met het argument dat Jezus met zijn parabels dezelfde methode toepaste. In het verlengde daarvan vermeldt hij dat de rederijkers zich oefenen op liefdesgedichten en te rade gaan bij filosofen en de wet der natuur. Als deze voedingsbodem hen uiteindelijk niet verzadigt, leidt Rethorica hen op het rechte pad naar de Schrift om daar de essentie en het ware brood te proeven. Rethorica is in de visie van Visscher dus gerelateerd aan de goddelijke waarheid en wijsheid.
Voor hem is dat aanleiding om haar eveneens te positioneren binnen het paulinische concept van de verhouding van de goddelijke wijsheid tot die van de aardse mens. Voor God is de wijsheid van de wereld dwaasheid en wie in navolging van Hem wijs wil worden die moet, althans in de ogen van de wereld, dwaas worden. Binnen deze zienswijze nu functioneert Rethorica.
Tegen het einde van zijn lofdicht behandelt Visscher de vraag wat Rethorica oplevert en hij begint met een confrontatie van haar gaven met aards bezit. Dat laatste schenkt slechts onrust door een aanhoudend verlangen naar meer, terwijl Rethorica daarentegen rust schenkt omdat ze tevreden stelt met wat men bezit. Rethorica leert dus om materiële behoeften te relativeren, een door de Stoa geïnspireerde levenshouding die bijvoorbeeld door iemand als Coornhert in gelijksoortige bewoordingen werd uitgedragen.
Gerichtheid op het aardse is dan ook zwaar, terwijl Rethorica als licht valt te kwalificeren. Verder geeft ze een goed oordeel en de vaardigheid tot adequate en fraaie bewoording. Voor allerlei maatschappelijke groeperingen betekent ze, zoals hiervoor al is gememoreerd, een kritische confrontatie met de waarheid in eigen aangelegenheden. Tot slot is Rethorica in alle fasen van het menselijk bestaan een daarbij aansluitende bron van genoegen.
Visscher richt zich dus vooral op inhoudelijke aspecten van Rethorica. Voor hem is zij in wezen een kritische dienares van de waarheid, die daarbij als uitgangspunt inspiratie door Gods waarheid en wijsheid hanteert. Daarbij valt aan te tekenen dat in het oeuvre van Visscher in concreto weinig van die gepostuleerde goddelijke inspiratie te bemerken valt. Er lijkt zich bij Visscher dus een zekere ongerijmdheid voor te doen in het beroep op Gods waarheid als leidraad voor iemands werk en het gebrek aan concrete manifestaties daarvan bij hemzelf.
Slechts op één plaats en bijna terloops laat Visscher zich uit over de stijl waarin men deze verheven materie moet uitdragen en deze passage lijkt cruciaal voor een goed begrip van Visschers eigen werk. De aanbevolen stijl blijkt namelijk verrassend genoeg een schertsende manier van presentatie te zijn (‘boertelijck schryven’, vs. 142), die veel meer invloed heeft dan het hardnekkige gedisputeer en gekijf van wereldwijze geleerden. Met deze voorkeur om op een innemende manier met een lach de waarheid uit te dragen sluit Visscher zich aan bij een adagium van Horatius, namelijk om lachend de waarheid te zeggen (Satirae 1.1.24).
Roemer Visscher is niet de eerste Nederlandse auteur die de lof van de rhetorica bezong. Al sedert zo'n anderhalve eeuw schreven rederijkers, onder wie Anthonis de Roovere, Anna Bijns en Cornelis van Ghistele, lofdichten op deze kunst. Daarbij hanteerden ze bepaalde kwaliteiten van rhetorica die telkens weer terugkeerden en waarvan ook Visscher zich bedient, zoals het gegeven dat deze kunst iedereen blij maakt, dat ze alle andere vrije kunsten overtreft, een goddelijke gave is en dergelijke meer.
Anderzijds is de tekst van Visscher te relateren aan een van de oefenredevoeringen uit de Progymnasmata van Aphthonius, een in de loop van de zestiende eeuw in de door Agricola, Catanaeus en Lorichius bezorgde editie uiterst populair geworden leerboek binnen het humanistische onderwijscurriculum. Een van de door Lorichius aan het corpus van Aphthonius toegevoegde voorbeelden is gewijd aan hetzelfde onderwerp als dat van Visscher, namelijk de lof van de welsprekendheid. Hoewel de tekst veel compacter is dan die van Visscher zijn er zeker overeenkomsten in zowel de argumentele structuur als in de inhoud aan te wijzen.
Zo komt bijvoorbeeld ook daar de notie voor over de onmogelijkheid om zoiets groots ten volle te prijzen (vs. 5-6) en de verwijzing naar de mild stemmende vermogens van Orpheus. Visschers tekst heeft dus aanknopingspunten met in elk geval twee destijds invloedrijke tradities. Er zijn echter nog andere en ook uiteenlopende bronnen voor zijn tekst aan te wijzen. Zo zijn de namen van voorbeeldige bijbelse gebruikers van Rethorica als Mozes, Job en David gebaseerd op het vaak herdrukte encyclopedische werk over uitvinders, De rerum inventoribus (1499), van de Italiaan Polydorus Vergilius. geen behoefte had om deze twee grootheden te scheiden (vergelijk vs. 13-24).
Aan het einde van het gedicht, waar hij de barheid van zijn eigen tijd probeert te schetsen. Een opmerkelijke afwijking in T'lof van Rethorica van de gangbare traditie is de positieve presentatie van de god Momus, die in de visie van Visscher Rethorica als zijn plaatsvervangster op aarde heeft aangesteld. Normaliter werd deze god van de kritiek, die uiteindelijk deswege ook van de Olympus verbannen werd, in Visschers tijd zeer negatief als een onredelijke criticaster neergezet. Er waren echter ook auteurs die, in het voetspoor van Lucianus, hem positief als een voorvechter van de waarheid waardeerden.
Die zienswijze was te vinden in de vijftiende-eeuwse satire Momus o il principe van Leon Battista Alberti en in de uit dezelfde eeuw daterende fabel Alithia van Pandolfo Collenuccio, waarin Momus optreedt als strijder voor de Waarheid en uiteindelijk met haar huwt. Visscher vertaalde deze tekst als de Strijdt tusschen Waerheyt en Schijn, die hij ook onderbracht bij de ‘tepel-wercken’ (Te.[5]; zie verder aldaar). Collenuccio zal dus zeker als een bron voor zijn positieve benadering van Momus gediend hebben.
Maar ook een denker als Erasmus kan nog aan deze beeldvorming hebben bijgedragen. In zijn adagium ‘Momo satisfacere’ (‘Momus tevredenstellen’; nr. Er zijn nog andere elementen die wijzen op verwantschap met het gedachtengoed van Erasmus. De notie van de vrije rhetorica die tirannen vermag te kritiseren weerklinkt ook in een van diens Apophthegmata, waar Erasmus het gezegde van de orator Demosthenes behandelt dat zij die het volk willen overheersen de welsprekendheid verwaarlozen.
Ze willen namelijk niet met woorden overtuigen, maar dwingen met geweld. Een ander opvallend kenmerk in Visschers betoog is de prominente plaats voor het paradoxale concept van de goddelijke wijsheid versus de wereldse dwaasheid. Zoals Christus zich met Zijn kruisdood voor de verlossing van ons allen opofferde, zo trekt Rethorica de narrenkap aan en verdraagt de spot van de mensen ten einde ze ware wijsheid bij te brengen. Deze paradox van de christelijke nar werd het meest uitgebreid door Paulus aan de orde gesteld in zijn eerste brief aan de Korintiërs (onder meer 1 Kor. 1:18-2:5; 3:18-19; 4:10).
De laatste decennia heeft dit literairtheoretische betoog inmiddels de nodige aandacht van de onderzoekers gekregen, met name ook omdat Visschers tekst niet zo eenduidig te interpreteren bleek te zijn. Marijke Spies nam het voortouw en beschouwde Visschers Lof binnen het kader van het paradoxale lofdicht. De tekst blijkt namelijk nauw verbonden met een zestal van dergelijke lofdichten uit de kring van de Amsterdamse rederijkerskamer De Eglentier, waarvan de samenhang naast onderlinge verwijzingen eveneens blijkt uit een aantal gemeenschappelijke kenmerken: onderwerpen die men eigenlijk niet als prijzenswaardig beschouwt (gevangenis, een blauwtje lopen); een paradoxaal, ironisch karakter; een strikt argumenteel en gering ‘literair’ karakter en een uniforme strofische structuur met hetzelfde rijmschema. Binnen het Nederlandstalige literaire aanbod van die tijd nemen ze een bijzondere plaats in.
De vraag is of T'lof van Rethorica, aangezien het een onderwerp van veel serieuzer aard heeft, ook als een paradoxaal lofdicht aangemerkt kan worden. poëzie. Later heeft zij deze mening genuanceerd. Ook T'lof zelf is een paradoxaal lofdicht, zij het van een uitzonderlijke orde, op metaniveau, vanwege het abstracte onderwerp. Daarbij gaat zij uit van wat de rhetorische theorie onder ‘paradoxaal’ verstaat, namelijk argumenten aanvoeren voor een serieuze, ware stelling, die echter niet strookt met de algemene opinie. De visie van Spies op Visschers T'lof van Rethorica werd niet door iedereen gedeeld. exponent was. Schenkeveld-van der Dussen ziet Visscher, onder verwijzing naar Q.1.1 als een sprekend voorbeeld, als representant van een ‘niet-idealistische poetica’, waarin geen ruimte is voor ‘hoogdravende uitspraken over goddelijk-geïnspireerde poëzie’.
T'lof daarentegen roept volgens haar een heel ander beeld op, wat ze verklaart doordat Visscher hier niet zijn gewone manier van schrijven toepast. Ze beroept zich hierbij op de door hem gebruikte term ‘Rethorijckelijck’ (vs. 24), zonder overigens aan te geven hoe ze deze precies interpreteert. Voor haar is T'lof ook een paradoxaal lofdicht, maar in een andere opvatting dan die van Spies. Volgens Schenkeveld wil Visscher hier juist betogen dat het prijzen van rethorica een dubieuze zaak is, waarbij ze tevens constateert dat Visscher dan wel erg hardhandig de spot drijft met de goddelijke inspiratie.
Mocht de interpretatie van Schenkeveld juist zijn, dan slaat Visscher hier inderdaad een uiterst cynische toon aan waar het gaat om goddelijke inspiratie en de daarmee samenhangende waarheid. Moet ‘Rethorijckelijck’ hier werkelijk negatief geïnterpreteerd worden? Naar mijn mening moet die term bij Visscher naar alle waarschijnlijkheid op twee manieren geduid worden (zie ook de annotatie bij vs. ‘op de manier van de rederijkers’ en als ‘volgens de regels van de rhetorica’. Gezien Visschers voorliefde voor woordspelingen en meerduidigheid ligt dat zeker voor de hand. Bovendien blijkt hij beide technieken in T'lof van Rethorica toe te passen. Zoals we hiervoor zagen gebruikt hij veel traditionele elemen...
labels:




