Twee weken geleden kondigde ik de grammatica van het Nederlands aan. Het geeft namelijk aan wat er gebeurt in een zin. Om ervoor te zorgen dat je verderop in de redekundige ontleding de juiste stukken zin benoemt, moet je de zinsdelen kunnen benoemen. Een zinsdeel is dat stukje zin dat je in zijn geheel voor de persoonsvorm kunt plaatsen. Een zinsdeel kun je zien als een stukje van de taart. De hele taart is dan de gehele zin.
Zinsdelen en Persoonsvorm
We hebben nu dus naast de persoonsvorm ook gelijk het eerste zinsdeel gevonden: loopt. Nu ga ik verder met het verdelen in zinsdelen. Je ziet dat de persoonsvorm steeds op de tweede plek in de zin staat. Omdat je niet kunt zeggen Naar loopt hij school heb ik school bij naar geplaatst. Naar school is dus ook één zinsdeel.
We hadden al gevonden dat de persoonsvorm wordt is. Daar kunnen we dan twee streepjes omheen zetten. En ook het tweede zinsdeel hebben we gevonden: Het bestaan van de witte dwergster. Dit past in zijn geheel voor de persoonsvorm. Je ziet dat de zinsdelen echt heel groot kunnen zijn. Deze zin bestaat dus uit vier zinsdelen, ondanks dat hij ontzettend lang is. Dit helpt ons bij het benoemen van de verschillende zinsdelen die ik behandel in de volgende blogposts over de grammatica.
Bepaling van Gesteldheid
Voorbeelden van zinnen met een bepaling van gesteldheid zijn: ‘Lola lag de hele nacht klaarwakker in bed’, ‘De taart smaakt geweldig!’ en ‘Het bord viel in scherven.’ De gecursiveerde zinsdelen zeggen iets over het onderwerp (Lola, de taart en het bord) én over wat er met dat onderwerp gebeurt. Daarom wordt de bepaling van gesteldheid ook wel ‘dubbelverbonden bepaling’ genoemd. De bepaling van gesteldheid is vaak een bijvoeglijk naamwoord (zoals geweldig) of een voltooid deelwoord (‘Afgeschminkt leek ze weer op zichzelf’) of tegenwoordig deelwoord (‘Kreunend hees ze zichzelf omhoog’), of een woordgroep met zo’n woord als kern.
Soorten Bepalingen van Gesteldheid
- De ‘bepaling van gesteldheid tijdens de handeling’ zegt iets over de ‘staat waarin’ (de ‘gesteldheid waarmee’) een onderwerp of een voorwerp iets doet of iets is.
- Ik zag de hond blaffend de hoek om komen.
- Ze hebben de gewonde zwaar bloedend naar binnen gedragen.
- We schoven hongerig aan bij het ontbijt.
- Als puber was mijn zus erg vervelend.
- De ‘bepaling van gesteldheid volgens de handeling’ beschrijft een ‘gesteldheid’ (toestand, staat) van het onderwerp of voorwerp van de zin. Het gaat in veel gevallen om een oordeel of waardering.
- De taart smaakt geweldig!
- Sam vond de film erg spannend.
- We vonden hem erg op zijn hoede.
- We noemen onze dochter Anna.
- Ik heb een hamer nodig.
- De ‘bepaling van gesteldheid als gevolg van de handeling’ geeft het resultaat van de beschreven handeling aan.
Het Onderwerp Vinden
Wat is het onderwerp? Hoe vind je het onderwerp? Hoe vind je het onderwerp in een vraagzin? Het onderwerp van de zin zoek je nadat je de persoonsvorm hebt gevonden. Het onderwerp van de zin vertelt wie of wat iets doet, is of ondergaat. Het wordt ook wel ‘subject’ genoemd.
Voorbeelden van Onderwerpen
- Wie of wat doet hier iets? Dat is Hanna.
- Wie of wat doet hier iets? Dat zijn Hanna en Cas.
- ‘Hanna en haar broertje Cas’ is dus van deze zin het onderwerp.
Dat is allemaal leuk en aardig, maar hoe herken je een onderwerp nou eigenlijk? Het onderwerp van de zin doet, is of ondergaat dus altijd iets. Daarnaast vind je het onderwerp heel vaak vooraan in de zin. Let op: dit is niet altijd zo! Soms staat het onderwerp wat verder weg. Hier zie je dat het te makkelijk is om er maar vanuit te gaan dat het eerste stukje van de zin het onderwerp is. Degene die in beide zinnen iets doet, is Raf.
Methoden om het Onderwerp te Vinden
Het onderwerp van de zin zoek je nadat je de persoonsvorm hebt gevonden. Gelukkig zijn er een paar goede manieren om het onderwerp te vinden. Eigenlijk hebben we de eerste manier al verklapt. Wie of wat bakt? Maartje doet dat. Het onderwerp van deze zin is dus ‘Maartje’. Niet zo moeilijk, toch?
Als je goed naar die vraag kijkt, valt je misschien iets op. Het antwoord op deze vraag is: mijn zusje en ik. ‘Mijn zusje en ik’ is dus het onderwerp van de zin. Kun jij met deze truc de onderwerpen van de volgende zinnen vinden?
- Wie of wat plast?
- Wie of wat geeft?
- Wie of wat werken?
Er is nog een tweede manier om het onderwerp te vinden. Het stukje ‘mijn ouders’ staat achter de persoonsvorm. Je snapt nu hoe je een onderwerp kunt vinden in een zin. Maar hoe zit dat eigenlijk in een vraagzin? Dat is niet zo moeilijk. Je kunt bij een vraagzin altijd de vraag ‘wie of wat + persoonsvorm?’ stellen. Wie of wat komen? Het antwoord is ‘Maud en Filiz’. ‘Maud en Filiz is dus het onderwerp van de zin.
Onderwerp in Vraagzinnen
Ook de truc van de vraagzin kun je gebruiken. Na de persoonsvorm staat ‘je buurman’. Achter de persoonsvorm staat ‘jij’. En als je twijfelt, vraag je gewoon voor de zekerheid: wie of wat volgt? Het antwoord is: ‘jij’. Nu een lastige. Bij een zin die met ‘wie’ begint, mag je de vraagzinregel niet gebruiken. Kijk maar eens wat er achter de persoonsvorm ‘maakt’ staat. Dat is: ‘de lekkerste cupcakes’. Maar doen die cupcakes wat? Maken die iets? Nee. Dan zijn ze dus niet het onderwerp.
Wat doe je dan wel? Je gebruikt de vraag: ‘Wie of wat + persoonsvorm?’ Voor deze zin wordt dat: Wie maakt? Het antwoord is er eigenlijk niet. Want we weten nog niet wie maakt. Hoe kun je dat testen? Door ‘Wie’ te vervangen door een naam, bijvoorbeeld: ‘Cato’. Deze zin is niet zo moeilijk. Wie maakt? Dat is Cato. ‘Cato’ zou dus het onderwerp zijn.
Oefenen met de Persoonsvorm en het Onderwerp
En dan is het nu tijd om te oefenen. Kun jij van de volgende zinnen vertellen wat de persoonsvorm en het onderwerp is? Gebruik de trucjes die jij het prettigst vindt. Heb je alle vragen goed beantwoord? Geweldig! Jij snapt hoe het werkt met de persoonsvorm en het onderwerp van de zin. Heb je nog wat foutjes gemaakt? Dat is helemaal niet erg.
Het Lidwoord: De of Het
Het Nederlands heeft twee bepaalde lidwoorden: het voor onzijdige woorden en de voor mannelijke en vrouwelijke woorden. Wie het Nederlands als moedertaal heeft, weet meestal vanzelf of een woord de of het krijgt. Maar voor iedereen die Nederlands wil leren, is het voor het grootste deel een kwestie van uit het hoofd leren. Er zijn namelijk geen sluitende regels voor.
Met de Ensie lidwoordentool (134.587 lidwoorden) is het nu heel eenvoudig om het juiste lidwoord te achterhalen. De officiële Nederlandse spelling wordt hier gehanteerd.
Wat voor vs. Welke
Wat is correct: Welke mensen komen er vanavond of Wat voor mensen komen er vanavond? Beide zinnen zijn correct, maar er is een betekenisnuance. Wat voor vraagt naar een classificering. Het betekenisverschil tussen welke en wat voor is subtiel. In de vraag Wat voor mensen komen er vanavond? is de vraagsteller benieuwd naar de soort mensen die zal komen. De combinatie wat voor vraagt altijd naar een classificering: tot welke soort behoort het genoemde?
- Wat voor chocolaatjes eet Lieven graag?
- Wat voor muziek hoort David graag?
- Wat voor film wil je zien?
- Wat voor een man was Arafat volgens jou?
In de vraagzin Welke mensen komen er vanavond? wil de vraagsteller weten wie er van een bekend veronderstelde groep mensen zal komen.
- Welke borden zijn van jou?
- Welke taart vind je het lekkerst?
- Welke film wil je zien?
- Welke muziek zal ik opzetten?
Bij meervoudige en bij niet-telbare zelfstandige naamwoorden wordt welk(e) soms ook gebruikt om te classificeren. Bij enkelvoudige telbare zelfstandige naamwoorden is dat niet mogelijk.
- Welke chocolaatjes eet Lieven graag?
- Welke muziek hoort David graag?
De keuze tussen wat voor en wat voor een is afhankelijk van het getal van het kernwoord. Wat voor een kan alleen gebruikt worden bij enkelvoudige woorden: wat voor een hamer, wat voor een taart. Wat voor kan zowel voor enkelvoudige als voor meervoudige woorden gebruikt worden: wat voor hamer, wat voor hamers, wat voor taart, wat voor taarten.
Woordvolgorde: "Aan het" Constructie
Wat is goed: Ze waren aan het taart eten of Ze waren taart aan het eten? In dit geval zijn beide volgordes correct: taart kan zowel tussen aan het en de infinitief staan als voor aan het. De laatste volgorde heeft evenwel voor veel taalgebruikers de voorkeur. Plaatsing van een element tussen aan het en een infinitief is slechts onder bepaalde voorwaarden mogelijk. Het gaat doorgaans om een lijdend voorwerp in de vorm van een zelfstandig naamwoord zonder lidwoord of voornaamwoord of enige nadere bepaling daarbij. Dat zelfstandig naamwoord moet bovendien een soortnaam zijn. Verder moet er sprake zijn van een min of meer geijkte combinatie.
- Ze waren aan het taart eten.
- Hij was aan het aardappelen schillen.
- Toen ik daar voor de tweede keer langsliep, was hij nog altijd aan het kabaal maken.
Plaatsing van het lijdend voorwerp voor aan het heeft voor veel taalgebruikers hoe dan ook de voorkeur; in gevallen als (5a) t/m (7a) is dit zelfs de enige mogelijkheid.
- Ze waren taart aan het eten.
- Hij was aardappelen aan het schillen.
- Op vakantie ben ik soms al om elf uur ’s ochtends bier aan het drinken.
- Toen ik daar voor de tweede keer langsliep, was hij nog altijd kabaal aan het maken.
Bij twijfel aan de aanvaardbaarheid van tussenplaatsing verdient het dus aanbeveling een niet-werkwoordelijk element voor aan het te plaatsen. Soms is er een dusdanige nauwe band tussen voorwerp en werkwoord dat er sprake is van een samengesteld werkwoord. In de Woordenlijst worden gevallen als koffiedrinken, koffiezetten, theedrinken en ruziemaken aaneengeschreven. Daaruit kunnen we afleiden dat de Woordenlijst deze woorden als een eenheid beschouwt. In zulke gevallen is er dus geen sprake meer van tussenplaatsing, maar van al dan niet splitsen van een scheidbaar samengesteld werkwoord.
- Ze was aan het koffiezetten.
- Maarten en Ans waren weer aan het ruziemaken.
- Ze was koffie aan het zetten.
Veelgemaakte Fouten in de Nederlandse Spelling
In de Nederlandse spelling worden vaak dezelfde fouten gemaakt. Zo zijn er een aantal twijfelgevallen die niets met elkaar te maken hebben, maar die vaak voorkomen in onze taal en waar veel fouten mee gemaakt worden.
Kennen of Kunnen?
'Kennen' gebruik je als je wilt zeggen dat je iets herkent, beheerst of geleerd hebt. Bijvoorbeeld: Ik ken Paul niet goed. 'Kunnen' is een hulpwerkwoord. Je gebruikt het werkwoord kunnen als je wilt zeggen dat 'iets mogelijk is'. Bijvoorbeeld: Kunt u mij misschien helpen?
Liggen of Leggen?
Een ander voorbeeld van een veelvoorkomende fout is het gebruik van liggen en leggen. De betekenis van beide woorden ligt ook dichtbij elkaar. Je gebruikt het woord 'liggen' als je wilt zeggen dat iets zich ergens bevindt, of in plaats van 'uitgestrekt' zijn. Bijvoorbeeld: Ik lig graag op de bank. Het woord 'leggen' heeft de betekenis 'doen liggen'. Met leggen wordt dus een beweging bedoeld, terwijl liggen stilstaand is. Bijvoorbeeld: Ik leg het boek op tafel.
Grote of Grootte?
Deze woorden klinken hetzelfde, maar je kunt ze niet door elkaar gebruiken. 'Grote' is een bijvoeglijk naamwoord, maar 'grootte' is een zelfstandig naamwoord. Met het woord grote geef je een eigenschap aan, maar met het woord grootte bedoel je 'de afmeting'. Bijvoorbeeld: Henk is een grote jongen.
Er is een trucje dat je kunt toepassen als je twijfelt tussen grote en grootte. Als je het woord kunt vervangen door 'kleine', dan is het een bijvoeglijk naamwoord en dus schrijf je 'grote'. Als je het niet kunt vervangen door 'kleine', dan is het het zelfstandige naamwoord 'grootte'. Heb je wel gelet op de grootte van de camper? ('Heb je wel gelet op de kleine van de camper?' kun je niet zeggen, dan klopt de zin niet meer.) Dat is een grote camper!
Brede of Breedte?
Het verschil tussen 'brede' en 'breedte' werkt hetzelfde als bij 'grote' en 'grootte'. Het woord 'brede' is een bijvoegelijk naamwoord en 'breedte' is een zelfstandig naamwoord. Ook hier kun je het trucje toepassen: vervang het woord door 'kleine'. Klopt de zin nog steeds? Dan moet je het bijvoegelijk naamwoord 'brede' gebruiken. Klopt de zin niet meer? Dan moet je het zelfstandige naamwoord 'breedte' gebruiken. Bijvoorbeeld: Hans heeft een brede tuin.
Heel of Hele?
Heel en hele worden vaak door elkaar gebruikt. In dit geval zijn meestal beide opties correct Nederlands. 'Dit is een hele lekkere taart' of 'dit is een heel lekkere taart'. Je mag deze zinnen allebei gebruiken, maar de 'nettere' optie is 'dit is een heel lekkere taart'. Het verschil is dat je taalkundig gesproken bij de eerste optie zegt dat de taart lekker en heel is (dus geen halve taart). En bij de tweede optie zeg je dat de taart heel lekker is. Het verschil is dus dat het woord 'hele' slaat op het zelfstandige naamwoord en het woord 'heel' op het bijvoeglijk naamwoord.
Wier of Wiens?
Wier en wiens betekent beide 'van wie'. Het woord 'wiens' gebruik je als het over een man gaat.
Wijten of Danken?
'Wijten aan' gebruik je als je over iets negatiefs spreekt. 'Het ingestorte dak is te wijten aan een constructiefout.' 'Danken aan' wordt meestal alleen gebruikt in een neutrale of positieve context.
Grammatica aanleren aan OC-gebruikers
Uit onderzoek is gebleken dat OC-gebruikers in het bijzonder moeite hebben met grammatica leren. Hier kunnen allerlei oorzaken aan ten grondslag liggen, maar één probleem is meestal duidelijk aan te wijzen: het OC-systeem bevat geen grammaticale vervoegingen. Ook hier geldt dat de gebruiker grammatica pas leert toepassen op het OC-systeem als hij/zij het in de praktijk gedemonstreerd ziet.
We modelleren woorden en zinnen die aansluiten bij het taalniveau van de OC-gebruiker. In het begin modelleren we bijvoorbeeld maar een of twee woorden. Daarna breiden we dit uit naar langere woordcombinaties. Zodra een OC-gebruiker langere zinnen gaat maken, is het misschien tijd om de bijbehorende grammatica te modelleren.
Er bestaan geen vaste regels om grammatica aan te leren. Laat je leiden door je OC-gebruiker en modelleer de juiste vormen in zinnen die jullie al geregeld gebruiken in jullie gesprekken. Als je aan de slag gaat met grammatica, is het belangrijk om je te richten op twee aspecten. Ten eerste is dat de zinsbouw. Om een begrijpelijke zin te bouwen moeten we verschillende woordsoorten in een bepaalde volgorde zetten. Als er woorden ontbreken, of de woorden staan in de verkeerde volgorde, dan is de zin grammaticaal incorrect. Twee voorbeelden hiervan: in de zin 'Ik taart willen' staan de woorden in de verkeerde volgorde, en in 'Ik gaan park' ontbreekt een aantal woorden.
Wanneer je aan de slag gaat met zinsbouw leer je de OC-gebruiker ook om zinsdelen te combineren met behulp van voegwoorden en verbindende elementen. Ten tweede richt je je op specifieke woordvormen, oftewel het toepassen van de juiste grammaticale vormen in de zin.
Modelleren van Zinsbouw en Woordvormen
Als we voor het eerst modelleren voor een beginnende OC-gebruiker, doen we dat in de juiste woordvolgorde. We laten zien welke woordsoorten we kunnen combineren en in welke volgorde we dat doen: voornaamwoord-werkwoord-zelfstandig naamwoord, oftewel 'ik gaan park'. De volgende stap is voorzetsels en lidwoorden toevoegen. Nu modelleren we bijvoorbeeld 'ik gaan naar park' of zelfs 'ik gaan naar het park'. Daarna kun je nog meer woorden toevoegen, of concepten combineren.
Zinsbouw kun je ook aanleren door de zin van de OC-gebruiker in je antwoord te herhalen en op de juiste manier te modelleren. Een voorbeeld: de OC-gebruiker zegt 'taart ik willen'. Dan kun je reageren met 'Aha, je zegt ”ik wil taart”. Heel goed, ik wil ook taart!'. Modelleer de woorden op het OC-systeem terwijl je spreekt. Zegt de OC-gebruiker 'ik gaan park', dan kun je reageren met: 'Goed zo, je zei ”ik ga naar het park”. Nu heb ik de ontbrekende woorden aan de zin toegevoegd.'. Modelleer ook hier de woorden op het OC-systeem terwijl je spreekt.
Zodra de OC-gebruiker meer woorden gaat combineren voor complexere uitingen, wordt het tijd om de juiste woordvormen te modelleren. Je kunt bijvoorbeeld de juiste grammaticale vorm modelleren wanneer je een gesprek voert over het weekend: 'Ik ging naar het park en voerde de eenden.'. In deze zin modelleer je de verledentijdsvorm 'ging' en de meervoudsvorm 'eenden'. Je kunt ook grammaticale vormen modelleren wanneer je plannen maakt. 'We gaan nieuwe schoenen kopen voor oma's feest.' In deze zin modelleer je de toekomende vorm 'gaan kopen', de meervoudsvorm 'schoenen' en de bezitsvorm 'oma's'.
Woordvormen kun je ook aanleren door de zin van OC-gebruiker in je antwoord te herhalen en op de juiste manier te modelleren. Zegt de OC-gebruiker 'ik gaan naar park', dan kun je reageren met: 'Wat leuk, je vertelt me over je weekend en zegt ”ik ging naar het park”. Hoe was het?'.
Het is niet altijd mogelijk om een complete grammaticaal correcte zin te modelleren. Dat is niet erg, als je tijdens het modelleren maar de hele zin grammaticaal correct uitspreekt.
Wanneer je grammatica aanleert, richt je je niet alleen op de taal die de OC-gebruiker nu gebruikt, maar ook op de taal die hij/zij in de toekomst nodig heeft. Door grammatica te modelleren leer je de OC-gebruiker om woorden te combineren, grammatica toe te passen en taal in al zijn vormen te gebruiken.
labels: #Taart
Zie ook:
- Recepten voor Taart: Bak de Heerlijkste Taarten Zelf!
- Nougatine Taart bij Jumbo: Bestellen of Zelf Maken? Tips & Recept!
- Taart "Oog in Al" Bakken: Een Creatief en Lekker Recept!
- Lange Vinger Taart Maken: Een Klassiek en Eenvoudig Recept!
- Turkse Pizza Recepten: Authentiek & Makkelijk Zelf Maken
- Voedingscentrum Recepten Vis: Gezond & Smakelijk!




